• A
  • A
  • De leraar aan het roer

    - Walter Dresscher nam na ruim dertien afscheid als voorzitter van de AOb. Zijn jarenlang opgebouwde onderwijskennis blijft behouden, want bij zijn afscheid bood Klaas-Wybo van der Hoek van Stenden hem een plek als associate lector aan. “Het is mooi dat iemand van zijn statuur bij ons aan de slag gaat.”

    In de aanloop naar Dresscher’s afscheid bij de AOb sprak HBO-bestuurder Van der Hoek uitgebreid met de scheidend voorzitter van de lerarenvakbond. “Toen wij elkaar spraken, was het nog een verrassing dat we Walter een lectoraat zouden aanbieden.” Dresscher gaat aan de slag in het lectoraat Professionele Onderwijsorganisaties van Albert Weishaupt, dat tot stand kwam met hulp van de AOb

    “Het is vooral mooi dat je op deze manier alle kennis, die je hebt opgedaan in je actieve loopbaan, kunt doorgeven aan een nieuwe generatie,” zegt Klaas-Wybo van der Hoek. Welke accenten het onderzoek van Walter Dresscher gaat krijgen, leest u hier, in het tweegesprek dat hij had met de vicevoorzitter van Stenden. Zij werkten namelijk samen in de stuurgroep van hun lectoraat 'Professionele Onderwijsorganisatie' en hun gesprek kwamen dan ook samenspraak, spraak en tegenspraak samen.

    Historische lijnen

    Zijn analyses verraden de historicus. Walter Dresscher trekt lijnen over decennia heen om zijn punten duidelijk te maken. “In de afgelopen tientallen jaren is de docent buiten beeld geraakt. Die ontwikkeling is bij onderwijsminister Jos van Kemenade aan het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw tot een climax gekomen. Scholen werden als systemen beschouwd, met verschillende radertjes. Ook in de literatuur werd gesteld dat je die radertjes kunt laten perfectioneren. De docent is dan één van die radertjes."

    "Ik stel daar tegenover dat docenten géén radertjes zijn. Zij werken niet mechanisch. Zij kunnen zélf denken. Zíj zijn professionals en kunnen zelf bedenken op welke wijze de leerlingen en studenten het beste leren. Er is wel eens tegen ons gezegd dat wij met deze opvatting terug willen naar de Middeleeuwen. Dat is natuurlijk onzin."

    "Dit mechanisch denken is te plaatsen in een bredere maatschappelijke ontwikkeling ten tijde van de Koude Oorlog. Als reactie op het communisme werd de verzorgingsstaat opgebouwd. De overheid straalde uit: 'gaat u maar rustig slapen, wij verzekeren en verzorgen u'. En daarbij vooral: alles is te leren. Als dat niet lukt, moet er een schuldige zijn: de leraar of docent."

    "Die visie gaat er aan voorbij dat leren een onvoorspelbaar creatief proces is, zowel voor de leerling als voor de docent. Er is géén gegarandeerd recept voor succes bij leren. De gedachte uit de periode van Van Kemenade was dat de overheid voor alles zorgt, ook voor perfecte leraren. De val van de Berlijnse Muur in 1989 markeert het einde van dat tijdperk. De situatie is onoverzichtelijker geworden. De overheid zorgt niet meer voor alles. Dan is de professional zélf een belangrijk houvast.”

    Klaas-Wybo van der Hoek: “Het zijn wel hele grote lijnen die je trekt. Het verdwijnen van de zuilen, de grote ideologieën en de individualisering hebben daarnaast zeker ook bijgedragen aan de aantasting van de positie van de professional. Het betrekken van deze ontwikkelingen in de analyse zou een completer beeld opleveren, denk ik.”

    Weinig begrip

    Het beroep van leraar of docent was niet beschermd, maar het beroepsregister voor docenten krijgt nu een wettelijke basis. Alleen met een afgeronde lerarenopleiding kun je worden opgenomen in dat register. Zo wordt ook het vraagstuk van de onbevoegden aangepakt, onderstreept Dresscher. Als voorzitter van de AOb heeft hij zich jarenlang ingezet daarvoor en kan uitgebreid en betrokken praten over de moeizame geschiedenis van de wording van het lerarenregister. Daarbij heeft hij een duidelijke mening over de rol van achtereenvolgende bewindslieden, onderwijsbestuurders en hun koepels. Daarin werd weinig begrip getoond.

    In zijn ogen is het van wezenlijk belang, dat het register van de beroepsgroep zelf is. Het register heeft verschillende functies: garanderen en bevorderen van kwaliteit, de professionals zelf aan het roer zetten in hun ontwikkeling, verhoging van de kwaliteit van onderwijs en meer waardering voor het beroep en de beroepsgroep. “In de tijd van het ministerschap van Jo Ritzen, in de jaren ’90 van de vorige eeuw, hebben we ons met het voorstel voor een lerarenregister tot de overheid gewend. Ritzen was behoorlijk enthousiast. Daarna werden er problemen over gemaakt. Het ministerie maakte er toch een politiek ding van. Dat werkte contraproductief."

    Beroepstrots

    Bij de vorming van de AOb  was er al een groep docenten van de Pabo’s bezig om tot een registratie van de beroepsbeoefenaren te komen. Rond de fusie leefde de gedachte een doorlichting van de stand van het onderwijs te maken. " Daar paste zo’n register bij. CNV en CMF legden veel meer de nadruk op de belangenbehartiging. Bij ons als AOb is er tevens de notie van de kwaliteit binnen de beroepsgroep: immers één rotte appel maakt de hele mand te schande. Je ziet die discussie ook in andere beroepsgroepen. Een doorwerking daarvan zie je bijvoorbeeld bij denkers als Thijs Jansen en anderen met hun pleidooi voor beroepstrots."

    "In de gezondheidszorg zien we de scherpte van de dilemma’s: hoeveel mag enkele maanden of jaren langer leven kosten? De professional kan daar een beter antwoord op geven dan de verzekeraar. Waarom zo’n discussie over het belang van de professional zo laat op gang is gekomen? Men heeft lang geloofd in een centrale oplossing."

    "Toegegeven, wij vanuit de bond ook. Daarnaast hebben nog enkele andere factoren remmend gewerkt in de Nederlandse situatie. Nederland kent besturen van bijzondere scholen, die in grote mate autonomie hebben. In andere landen is de Middenschool wél tot stand gebracht, in Nederland niet. Het systeem van ‘de lump sum’ en de decentralisatie van verantwoordelijkheden bepalen in belangrijke mate het speelveld. Al die factoren hebben de aandacht voor de professional ver naar de achtergrond gedrongen.”

    Klaas-Wybo van der Hoek: “Het lerarenregister is een mooi instrument. Het kwaliteitsargument als een belangrijke drijfveer ervoor is erg sterk. Ook het streven om de leraar en de docent zijn beroepstrots te laten hervinden is van belang."

    "Eén aspect is onderbelicht: het verbeteren van de status van de leraar en docent. Die maatschappelijke status is ook geringer geworden. Enkele decennia geleden was je nog wat als leraar. Tegenwoordig ligt dat toch anders. Zo’n register helpt daar wel bij, maar er zal natuurlijk meer voor moeten gebeuren.”

    Macht

    Walter Dresscher ziet daarbij nog een bepalende factor naar voren komen. “Bij het voorstel voor het lerarenregister kwam steeds weer de machtsvraag naar boven. Een koepel als de VO-Raad -van het voortgezet onderwijs- wil eigenlijk de zeggenschap over het register hebben."

    "Zo’n strijd druist in tegen het wezen van het register. Zoiets zorgt juist voor spreiding van de macht. Er zijn voorbeelden van bij andere beroepen, denk aan artsen. In de kern is het veelal titelbescherming. Bij het lerarenregister gaat het niet allereerst om titelbescherming. Bij het lerarenregister staan diplomering en kwalificatie voorop."

    "In 2015 beloofde staatssecretaris Dekker, dat het lerarenregister in 2016 klaar zou zijn. Ik troost mij met de gedachte, dat de medisch specialisten er 25 jaar over gedaan hebben. Achteraf gezien hadden we ons nooit op de overheid moeten richten, maar deze zaak privaatrechtelijk moeten regelen."

    Heft in handen

    In Desschers ogen is dit de winst van het lerarenregister: de kwaliteit van de docent wordt beter. "Het wordt weer leuk om leraar te zijn. Eerlijk gezegd is leraar zijn minder leuk geworden. Dat zie je wereldwijd. In de VS wordt daarover ook gepubliceerd. De zelfhulpgidsen voor leerlingen bij toetsen zijn niet aan te slepen. De leraar wordt gemarginaliseerd. Er is een soort wapenwedloop tussen getoetsten en toetsers ontstaan. Is het leuk om in zo’n sfeer te werken? De leerlingen en de studenten maken het werk leuk, de inhoud van het werk zelf niet zo."

    "Het uitvoeren van bedachte en vaststaande dingen is niet motiverend. Docenten moeten zélf het heft in handen nemen, want dat motiveert hen. Wij docenten laten de discussie over ons werk aan anderen over, aan de consultants, de inspectie, het ministerie, de Tweede Kamer en anderen. Dat is een rare situatie."

    Bedreigende oproep

    "De beroepsgroep zelf moet armslag en ruimte krijgen. Zo’n oproep stuit op veel weerstand, ze wordt als bedreigend ervaren. De weerstand is vooral voelbaar bij de werkgeverskoepels – zoals de PO-, VO-, MBO-Raad en Vereniging Hogescholen – en de lerarenopleidingen. Hoe hoger je in de piramide komt des te ideologischer de discussies worden. Uiteindelijk speelt macht een belangrijke rol."

    "In de lerarenopleidingen is de relatie praktijk – opleiders meer in balans dan in het systeem zelf. Mijn ervaring is dat vooral de MBO-Raad invloed wil hebben op de lerarenopleidingen. Men probeert het begrip leraar en docent van zijn betekenis te ontdoen. Bijvoorbeeld door het pleidooi ervoor, dat men de vakman uit het beroepenveld een poosje les moet laten geven en deze dan weer terug kan laten gaan naar het bedrijf of de instelling.”

    Klaas-Wybo van der Hoek: “Als bestuurder vind ik dat je te negatief en ook eenzijdig oordeelt over de overheid, koepels en werkgevers. Er is de afgelopen jaren veel gebeurd voor het leraar- en docentschap. Er is bijvoorbeeld veel aandacht en geld besteed aan scholingsmogelijkheden. Het ministerie doet op vele terreinen zijn best voor het leraarschap. In de scholen wordt meestal een goed gesprek gevoerd."

    Kaf en koren

    "Zeker, we zijn er nog niet. Een register helpt, maar is één van de middelen om de professie een betere positie te geven. Aan een lerarenregister lijkt een opgewekt mensbeeld ten grondslag te liggen. Als iemand professional is en de vrije hand krijgt, komt het vanzelf wel goed met die professie.”

    Walter Dresscher: “Dat is te eenvoudig gesteld. Een register scheidt het kaf van het koren. Uiteindelijk gaat het om een peerbeoordeling, een beoordeling door mensen die er verstand van hebben.”

    Klaas-Wybo van der Hoek: “Een register van peers doet denken aan elitaire geslotenheid en uitsluiting. Gesloten systemen werken vaak isolerend en komen tot ontsporingen later.”

    Walter Dresscher: “Bij beroepsgroepen als artsen zouden inderdaad andere zaken mee kunnen spelen, zoals regulering van de werkgelegenheid, good will en dergelijke. Bij leraren of docenten zullen dat soort factoren niet zo snel een rol spelen. Tegelijkertijd moet het lerarenregister wel onderscheidend zijn."

    Ruzie over criteria

    "We hebben met het ministerie ruzie gehad over de criteria. Eigenlijk wil het ministerie iedereen opnemen in het lerarenregister. Wij zeiden dat het onderscheidende vermogen zo nul is. Onze basisgedachte is dat de beroepsgroep zelf aan zet is. Ten diepste gaat het om een pedagogische kwestie: je kunt verantwoordelijkheid dragen, als je verantwoordelijk bent. Op het ministerie waart de geest van de jaren ’70 nog rond: het denken voor een ander."

    "In het wetgevingsproces is het interessant te zien dat wij het eens zijn met het commentaar van de Onderwijsraad en het ministerie niet. Vanuit de werkgeverskoepels zie je verschillende reacties. De Vereniging Hogescholen heeft opgemerkt dat het goed past. Ik heb zelf de indruk dat het blauwdrukdenken vooral het voortgezet onderwijs getroffen heeft. De reacties uit het basisonderwijs worden sterk bepaald door de grootte van de school. Het MBO houdt erg vast aan de lesgevende vakman en –vrouw. Je merkt dat het MBO tot halverwege de jaren ’90 onder de VO wet en regelgeving viel."

    "Het register is geen wraak op bestuurders. Het herstelt de balans tussen aandacht voor inhoud en kwaliteit enerzijds en die voor bedrijfsdenken anderzijds. Besturen vinden het register eng. Ze raken het stuur kwijt, terwijl ze toch verantwoordelijk blijven. Ik snap dat niet. Het register – dus de leraren zelf – gaan over de invulling van het vak. Besturen gaan over de invulling van vacatures. Zo hoort de verdeling van de verantwoordelijkheden ook te zijn.”

    Klaas-Wybo van der Hoek: “Interessant is dat in jouw denktrant de jaren ’70 en kritiek op maatschappelijke systemen en autoriteiten samenkomen met het moderne pleidooi voor het bijna absolute primaat van de professional. Kortom, de macht van de docentenvergadering van de jaren ’70 samen met de macht van het moderne register.”

    Leven met smalle marges

    Walter Dresscher ziet binnen de beroepsgroep nogwel een paar uitdagingen in dit verband, trouwens. “In de werkgroepen van onze bond is gediscussieerd over de criteria die moeten gelden voor het register. Het algemene beeld is dat men met het registreren moet leren werken. Leraren zijn over het algemeen solisten. Samenwerken komt hen niet aanwaaien. Hierin zitten er grote verschillen tussen scholen.”

    Klaas-Wybo van der Hoek: “Eigenlijk zou een lerarenregister helemaal af zijn, als er ook een sanctie- of tuchtsysteem zou zijn. Dat is wel logisch in het registerdenken. Het lijkt mij heel mooi dat jij je loopbaan afsluit met onder meer het verwezenlijken van zo’n gedachte als het register, waaraan je lang hebt getrokken.”

    Walter Dresscher: “Ik heb zo’n 24 jaar les gegeven. Van het Nederlands Genootschap Leraren, het NGL, ben ik tien jaar voorzitter geweest. In 1997 leverde de fusie tussen NGL en ABOP de AOb op. Daarin heb ik onder andere mogen werken aan het lerarenregister. De toenmalige voorzitter Jacques Tichelaar was het er wel mee eens. Het had overigens niet zijn grootste interesse."

    "Motiverend in het bondswerk vind ik het voortdurend mogen werken aan uitdagingen. Je leert leven met de smalle marges om zaken te verbeteren. De AOb is een van de weinige bonden die in de afgelopen jaren een groei in het aantal leden kende. We zijn een ledenorganisatie en dat wordt herkend. We zijn als leden steeds op zoek naar de vormgeving van onze bond in deze tijd. Toen ik begon, troffen we elkaar in de dorpskroeg. Tegenwoordig gaan de mensen niet zo snel meer naar een bijeenkomst. Je moet andere vormen vinden."

    Nog steeds goed

    Het bepalen van het onderwijskundig beleid is helemaal veranderd, zo is de ervaring van Dresscher na de die decennia. "Toen ik als docent begon, stond in het Rijksreglement dat de docentenvergadering het onderwijskundig beleid bepaalde. Als de directeur het niet met de besluiten eens was, kon hij die bij de inspectie aanhangig maken. De kennis en de ervaring van de professionals kwamen zo optimaal tot hun recht."

    "Tegenwoordig zijn vraagsturing en bedrijfskundige uitgangspunten dominant. De heilzame werking van het marktmechanisme wordt sterk overschat. Dit denken ligt ook ten grondslag aan het stelsel van studieleningen. In de VS zie je er uitwassen van, als artsen met studieschulden van een half miljoen of meer. Die moeten allemaal worden terugverdiend bij de ziektekostenverzekeraar en de patiënt."

    "Het Nederlandse onderwijs is nog steeds goed. Maar dat verandert langzaam, als je bijvoorbeeld afgaat op de PISA-metingen. In mijn ogen liggen de oorzaken hiervan in te sterk doorgeschoten bedrijfskundige benadering van scholen en het marginaliseren van de positie van de professional. Onderwijs kun je niet organiseren als industrieel proces. Onderwijs kun je niet tot een bedrijf ombouwen. Onderwijs is namelijk een interactief proces tussen leerling en docent. Uiteindelijk is onderwijs een creatief proces met vele onvoorspelbare momenten en situaties.”