• A
  • A
  • Andere bevoegdheid, andere opleidingen

    (foto: Stuartpilbrow)

    (foto: Stuartpilbrow)

    - De bevoegdheid en daarmee de opleiding van leraren moet veel vaker ververst worden. Kabinet en onderwijsveld gaan ingrijpende vernieuwingen doorvoeren. “De trends naar leerpleinen, minder klassikaal onderwijs en ander gebruik van ICT roepen de vraag op hoe bevoegdheid hierop aansluit,” schrijft OCW.

    In een brief aan de Tweede Kamer meldt het kabinet dat met een plan van aanpak huidige beperkingen en tekortkomingen in de organisatie van de bevoegdheid van leraren worden aangepakt. Dit heeft vergaande gevolgen voor de lerarenopleidingen in HBO en WO en ook voor het bijblijven en upgraden van zittende docenten.

    “Met dit plan van aanpak is het laatste woord over bevoegdheden niet gezegd. Het onderwijs is volop in beweging: er komt meer maatwerk, er ontstaan nieuwe vakken en er wordt steeds vaker vakoverstijgend lesgegeven. De trends naar leerpleinen, minder klassikaal onderwijs en ander gebruik van ICT roepen de vraag op hoe bevoegdheid hierop aansluit. Ook de uitkomsten van Onderwijs2032 en de mogelijke wenselijkheid van een vorm van teambevoegdheid zijn actuele vraagstukken.”

    Wanneer is leraar bevoegd?

    De staatssecretaris schrijft waar de VO-scholen nu zoal tegen aanlopen. “Als scholen nieuwe vakken ontwerpen of multidisciplinair werken, is het onduidelijk met welke diploma’s een leraar bevoegd is voor dat vak, omdat deze (nog) niet op de getuigschriften van lerarenopleidingen vermeld worden.”

    Daarnaast komt door de regelgeving uit het verleden ook het onderwijs voor nieuwkomers in de knel. “Scholen willen in het onderwijs aan nieuwkomers, in zogenaamde internationale schakelklassen, pabo-afgestudeerden voor meerdere vakken kunnen inzetten. Deze leraren zijn veelal bekwaam, omdat de pedagogisch-didactische vaardigheden die zij bezitten goed aansluiten bij de behoeften van nieuwkomers. Pabo-gediplomeerden zijn echter niet formeel benoembaar, tenzij zij in opleiding gaan voor een volledige tweedegraads lerarenopleiding voor het vak dat zij geven. Deze tweedegraads lerarenopleiding sluit echter niet aan op deze specifieke doelgroep. Een opleiding op het gebied van Nederlands als tweede taal (NT2) doet dit wel, maar leidt niet tot een bevoegdheid.”

    Om deze en andere problemen aan te pakken moeten lerarenopleidingen beter afstemmen met het afnemend veld. “Opleidingen moeten hun curriculum beter afstemmen op het scholenveld en de leraren en scholen moeten helderder zijn in wat ze vragen van de opleidingen. De opleidingsscholen hebben laten zien dat intensieve samenwerking leidt tot betere resultaten. Om flexibele loopbanen en de ontwikkeling van leraren te stimuleren, is het van belang dat er verschillende instapmogelijkheden zijn door de waardering en certificering van vaardigheden en ervaringen.”

    Meer wisselwerking gewenst

    De staatssecretaris vermeldt ontwikkelingen en voorbeelden die een positief beeld laten zien. Maar ook daar kan er nog veel verbeteren. “Sommige lerarenopleidingen gaan tot op zekere hoogte in op de wensen van scholen, maar maatwerk is nog niet de standaard. Lerarenopleidingen hebben uiteraard een bredere verantwoordelijkheid dan het bedienen van scholen. Wat compliceert is dat de inschattingen van lerarenopleidingen, schoolleiders en leraren over wat een leraar in de klas nodig heeft soms uiteenlopen. Er ontstaat hierdoor in de praktijk een drempel om in opleiding te gaan. Er is een betere wisselwerking nodig tussen scholen en lerarenopleidingen. Meer en beter gestructureerd contact en bij elkaar in de keuken kijken kan dit probleem verhelpen.”

    Ook moeten de lerarenopleidingen beter aansluiten op de kennisvraag van de leraar en op de werkpraktijk. “Leraren die naast hun werk een opleiding volgen en scholen die onbevoegde leraren benoemen, willen een flexibel ingerichte opleiding die rekening houdt met de andere verplichtingen van de leraar en waar mogelijk aansluit op wat zij al doen. Flexibiliseren kent echter een grens, omdat de kwaliteit geborgd moet blijven en het te duur wordt bij kleine aantallen.”

    Over deze ontwikkelingen voert het ministerie intensief overleg met de koepels. Zo staat het thema flexibilisering in het leraarsvak en de opleidingen al nadrukkelijk op het netvlies van de VSNU. “Bij de lerarenopleidingen staat flexibilisering al op de agenda, dat bleek ook uit de rondgang van de minister. De VSNU en de minister hebben afspraken gemaakt over nieuwe, meer flexibele trajecten. Zo wordt het mogelijk de educatieve minor voor een beperkte tweedegraadsbevoegdheid ook na de bachelor te volgen. Ook komt er een postgraduate opleiding voor diegenen die na het behalen van een getuigschrift van een vakmaster alsnog een eerstegraads bevoegdheid in hun vak willen behalen.”

    Overleg over flexibilisering

    De VO-raad overlegt met de Vereniging Hogescholen (VH) en de VSNU over de behoeften van scholen ten aanzien van (maatwerk in) de opleiding van onbevoegde leraren en de betekenis daarvan voor de vorm en inhoud van de lerarenopleidingen. Partijen besteden daarbij aandacht aan de eisen die nieuwe, multidisciplinaire en schooleigen vakken stellen aan de bevoegdheid van leraren. Dat heeft consequenties voor opleidingsbehoeften van het veld en de afstemming tussen scholen en lerarenopleidingen op regionaal niveau.

    De VO-raad,  de Onderwijscoöperatie, VH en VSNU onderzoeken samen met OCW hoe zij de onderlinge flexibiliteit kunnen vergroten. Op die manier wordt de drempel voor het deelnemen aan opleidingen voor leraar verlaagd. Eén van de versoepelingen die staatssecretaris Dekker in overleg met de opleidingen heeft voorgesteld is het wettelijk mogelijk maken van verkorte bijscholing om leraren met een Pabo-diploma in het VMBO les te laten geven.

    Overige acties ter optimalisering van de samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen die in de Kamerbrief naar voren komen zijn:

    “Lerarenopleidingen ontvangen van mij zoveel mogelijk relevante informatie, bijvoorbeeld over ‘nieuwe’ vakken in het vo, vakken waarin veel onbevoegd wordt lesgegeven en relevante kenmerken van leraren die onbevoegd lesgeven.

    De minister en ik verwachten van lerarenopleidingen dat zij correct en duidelijk op diploma’s vermelden voor welke landelijk vastgestelde vakken een leraar bevoegd wordt, aansluitend op de vakken die op dat moment in te praktijk gegeven worden. Zo wordt onduidelijkheid over bevoegdheid zoveel mogelijk voorkomen.

    Voor vakken waarvoor lerarenopleidingen geen bevoegdheid afgeven, ga ik duidelijk maken op welke manier leraren bevoegd kunnen worden. Dit gebeurt onder andere door een aanpassing van de Regeling conversietabel getuigschriften en vakken VO, waarin voor vakken zonder duidelijk aanwijsbare lerarenopleiding wordt vastgelegd met welke getuigschriften een leraar bevoegd is om vakken te geven.

    In de toekomst wil ik de conversietabel jaarlijks aanpassen, zodat die goed blijft aansluiten op de praktijk. Voor het aanpassen van de conversietabel wordt via de Onderwijscoöperatie overleg gevoerd met de beroepsgroep, in het bijzonder met de vakverenigingen. Hierbij worden ook de VO-raad en de lerarenopleidingen betrokken.”