• A
  • A
  • Prikkels die de dienst uitmaken

    (foto: digitalbob8)

    (foto: digitalbob8)

    - “De wetenschap is bij uitstek een plek waar expertise gekoesterd moet worden. Er moet ruimte en tijd zijn om elkaar iets te leren, het behouden van kennis wordt met elke specialisatieslag lastiger.” Sicco de Knecht (UvA) daagt daarom bij Science in Transition uit en vraagt: “Waarom grijpt er niemand in?”

    U leest zijn bijdrage aan het 3e Science in Transition-symposium, ‘Towards new ideas of the university’, hier. 

     

    “Op de vorige Science in Transition dag, in december 2014, zat ik in de zaal en was ik getuige van een ietwat gezapige discussie tussen een aantal hoogleraren over hoe het nu verder moest met de wetenschap in Nederland. Een interessante vraag maar het gesprek hierover wilde niet echt op gang komen. Er werd wat gekonkeld over een impactfactor, er werd een sneer uitgedeeld over het rijkelijk laat omarmen van de San Francisco Declaration maar echt spannend wilde het niet worden. 

    Als de president het zegt 

    Om het spannender te maken stelde ik die dag een vraag vanuit de zaal over een geheel ander onderwerp. Een menselijker onderwerp. Ik had een maand ervoor met meer dan honderd promovendi uit mijn vakgebied gesproken over de onderwerpen die hun werkelijk aan het hart gingen. Vragen als: 'Waar doe je deze promotie eigenlijk voor?', 'Wat zijn de grootste obstakels die je tegenkomt?' en 'Heb je al een idee over wat je hierna wilt gaan doen?' En een pijnlijke conclusie uit veel van deze gesprekken was dat er bij veel promoties dingen misgaan, erg misgaan, en op zodanige wijze dat ieder mens met een gezond verstand zich afvraagt: 'Waarom grijpt er niemand in?' 

    Deze vraag stelde ik Hans Clevers, de toenmalig president van de Akademie. Ik vroeg hem wat er was gebeurd met de onderlinge verantwoording tussen wetenschappers, tussen vakgroepen en tussen hoogleraren. Het gevoel van verantwoordelijkheid dat een mens er toe roept zijn collega eens te vragen wat er aan de hand is met die promovendus die met een burn-out thuis zit, al zeven jaar over een proefschrift doet, of die onderzoekslijn die plotseling geaborteerd is. 

    Het antwoord op de vraag was ontwijkend. 'Zulke problemen herken ik niet, en bovendien hebben we daar een mentorsysteem en een jaargesprek voor. Dat lost eventuele problemen altijd gelijk op.' Nu ja, als de president het zegt... 

    Oordeel van onderaf

    Toch liet ik het er niet bij zitten en diezelfde middag pitchte ik het idee aan het genootschap van de KNAW om een reflectiemiddag te organiseren voor promovendi. Een paar maanden later kwamen er op het Trippenhuis bijna honderd promovendi bijeen uit alle windstreken en vakgebieden en mochten wij hier in dit huis een middag van de gastvrijheid gebruikmaken om onze beweegredenen, opvattingen over het huidige wetenschappelijke bestel en onze ervaringen te delen.  

    Toen ik werd gevraagd, nu ja, ik zal eerlijk zijn, toen ik mijzelf opdrong om op deze middag te mogen spreken, heb ik mij voorgenomen deze beweegredenen, opvattingen en ervaringen met u te delen. Dit is dan ook geen wetenschappelijk verhaal, het is een beschouwing, een oordeel over de wereld van de wetenschap. Een oordeel van onderaf, over de prikkels die de dienst uitmaken in de wetenschap en de uitwerking die ze hebben op het instituut dat wij promoveren noemen. 

    Maar laat mij beginnen met een aantal feiten. 

    Als we kijken naar de personeelsopbouw in de academische wereld dan is een zeer aanzienlijk percentage hiervan promovendus. We spreken ruwweg over 40% van de personeelsbezetting onder het wetenschappelijk personeel. En dit is een aanzienlijk percentage en als we daar de postdocs en promovendi buiten vast dienstverband bij bij optellen, dan komen we op meer dan de helft (Goede, Belder, & Jonge, 2013). 

    'Is dit nieuws?', zult u vragen. Nou het is geen nieuws maar het is wel nieuw. De afgelopen decennia is het aandeel promovendi ten opzichte van de vaste staf aanzienlijk gestegen (Vakbond voor de Wetenschap, 2013) en het einde van deze stijging is nog niet in zicht. 

    Een probleem? 

    Naast het feit dat een steeds groter aandeel van de wetenschappelijke staf in tijdelijke dienst is, zien we ook een gestage afname in het ondersteunend personeel ten opzichte van het wetenschappelijk personeel. Belangrijke en soms vitale functies verdwijnen omdat ze niet meer bekostigd kunnen worden uit de beschikbare middelen. 

    'Is dit een probleem?' Ja, dit is een probleem. Een probleem dat centraal staat in het bedrijf dat wij wetenschap noemen en haar in haar kern raakt en bedreigt. De wetenschap is bij uitstek een plek waar expertise gekoesterd moet worden. Er moet ruimte en tijd zijn om elkaar iets te leren, het behouden van kennis wordt met elke specialisatieslag lastiger. De wetenschap is een vakgebied dat om talloze redenen gebaat is bij een duurzaam personeelsbeleid. 

    Als de doorvoer van personeel hoger wordt, zijn er simpelweg minder mogelijkheden om kennis en vaardigheden over te dragen of te behouden. Als dit niet gegarandeerd is, blijven er vanzelf belangrijke vondsten achter in labjournaals en vriezers, worden onderzoekslijnen om niet-academische redenen gestaakt en raken apparaten, software en analyses onder de hoede van een enkele promovendus of postdoc in onbruik. 

    Een andere trend is uiteraard de toename in het aantal publicaties. Om een verscheidenheid aan redenen is het aantal publicaties zowel nationaal als internationaal in twee decennia geëxplodeerd. Publicaties die in sommige vakgebieden in het bijzonder voornamelijk rusten op het werk van promovendi, zij genereren het leeuwendeel van deze output. Het aantal publicaties loopt in sommige gebieden zodanig op, dat de toetssteen van de wetenschap - het peer-review systeem - piept en kraakt. De druk op output is zo hoog, dat editors eindeloos leuren moeten om een reviewer te vinden omdat niemand er tijd voor heeft. De nadruk op het persoonlijk gewin, produceren, dreigt het te winnen van het algemeen belang: controleren. 

    Verantwoording maar niet verantwoordelijkheid 

    Steeds vaker worden peer-reviews dan ook gedaan door onervaren promovendi die dit klusje voorgeschoteld krijgen door hun overwerkte begeleider. De vraag rijst dan ook wat er nog 'peer' - het Engelse woord voor gelijke - is aan het peer review systeem. Alhoewel, als het toch voornamelijk werk is van andere beginnende wetenschappers, dan is het antwoord op de vraag snel gegeven. 

    De oorzaak van deze situatie is op zijn minst tweeledig van aard. Ten eerste heeft het huidige financieringssysteem geleid tot een cultuur van verantwoording maar niet van verantwoordelijkheid. Ten tweede wordt de in Nederland al iets chimere rol van de promovendus, de chimaera van medewerker en toch ook student te zijn, te vaak geïnterpreteerd in het nadeel van de promovendus.

    Maar laat ik beginnen met de perverse prikkels. Op bijeenkomsten waar het gaat over promoveren betreedt binnen korte tijd de promotiebonus de arena. De €90.000 die de instelling van de overheid ontvangt voor iedere bul die uitgereikt wordt. De aandacht voor deze prikkel is terecht. 

    Wat ooit bedoeld was als vergoeding om instellingen in staat te stellen hun tijdelijke onderzoekers te accommoderen is in de loop van de tijd een middel voor vakgroepleiders en instituutsdirecteuren geworden om hun begrotingen sluitend te krijgen. Instellingen gaan zelf over de inzet en verdeling van dit geld, en schromen er dan ook niet voor om deze bonus te gebruiken als beleidsmiddel, bijvoorbeeld door een deel van dit geld in te houden als de promotie te lang duurt. 

    Logica van de kruidenier 

    Maar de promotiebonus komt niet alleen, ze wordt vergezeld door een overkoepelend systeem van financieringen waarin de promovendus ongemerkt de hoofdrol speelt. Want waar komt het onderzoeksgeld vandaan in Nederland? Feit is dat het onderzoeksgeld steeds meer uit de tweede en derde geldstroom komt, en dat het voornamelijk op tijdelijke basis wordt toegekend. Volgens de logica van de Hollandse kruidenier betekent tijdelijk geld ook tijdelijk personeel. 

    Wanneer een onderzoeker een beurs binnenhaalt dan moeten er keuzes gemaakt worden over de besteding er van. En wie een beetje kan rekenen snapt dat er uit een VIDI zo'n twee à drie promovendi gaan, maar dat er waarschijnlijk maar één postdoc, UD of analist uit gaat. Twee man doen meer dan een. Bovendien krijg je voor een promovendus ook nog eens een bonus van een ton, dus de keuze is snel gemaakt. 

    Zo zien we dan ook dat het aantal promovendi tussen 1990 en 2010 drastisch is gestegen, namelijk met 90%, (De Goede, Belder, & De Jonge, 2014; Goede et al., 2013), terwijl het aandeel vaste staf in diezelfde tijd kromp en sterk vergrijsde. Het ministerie en de VSNU stellen overigens tegenover deze constatering dat de Vaderlandsche wetenschap het nooit eerder zo goed deed. De flexmedewerker heeft helemaal geen negatieve invloed op de wetenschap, hij is zelfs een zegen. 

    Minder geld en minder tijd 

    En waar meet men dit aan af? U hoeft er waarschijnlijk niet lang over na te denken want het zijn de usual suspects: de rankings, de citatie-scores, de verhoogde onderzoeksinzet en publicatie-aantallen. Precies de output gerelateerde prestatie-indicatoren die de afgelopen tijd met recht zo bekritiseerd zijn en dit is symptomatisch voor het probleem. 

    Natuurlijk gaan de publicatie-aantallen omhoog, als de verantwoording nog slechts op output wordt afgelegd. Uiteraard weten wetenschappers niet alleen hun kennis maar ook hun kennissen aan te spreken, als ze eens een citatietje meer nodig hebben. Het is nogal wiedes dat je onderzoekinzet omhoog gaat, als je alleen maar promovendi aanneemt die 90% van hun tijd in onderzoek steken. 

    De minister blijft, onder enthousiaste aansporing van het bedrijfsleven, aansturen op een verdere toename in het aantal promovendi. De eerste universiteit, de Rijksuniversiteit Groningen, is al gezwicht om te 'experimenteren' met de zoveelste poging de promovendus-light, de alom omstreden beurspromovendus. Deze moet voor veel minder geld, in nog minder tijd promoveren en hoeft als cadeautje geen onderwijs te geven, opdat deze zich nog minder ontwikkelt tot volwaardig academicus. De flexwerker heeft in de ogen van het ministerie misschien wel geen negatief effect op het wetenschapsbedrijf, maar stelt iemand nog de vraag of het wetenschapsbedrijf nadelige gevolgen heeft voor de flexwerker? 

    En dan de gevolgen... 

    In een systeem dat geënt is op output en concurrentie delven begeleiding en wetenschappelijke integriteit altijd het onderspit. Twee ingrediënten die onmisbaar zijn om de wetenschap gezond en toekomstbestendig te houden. De begeleiding die promovendi nodig hebben wordt steeds schaarser, want hun collega's zijn hun tijd veelal kwijt aan het schrijven van beursaanvragen, het reviewen van artikelen en het verantwoorden van hun werk aan de geldschieter. Zo blijft er weinig tijd over voor de dagelijkse begeleiding en intellectuele ondersteuning van promovendi. 

    Gaten vullen 

    Als er door gebrek aan fondsen, of een volgende bezuinigingsronde geen geld meer is om een analist, een dierverzorger of een hovenier aan te stellen worden promovendi vaak gedwongen deze gaten in de personeelsbezetting op te vullen - dit kunnen ze niet weigeren, want hun onderzoek hangt er van af. 

    Promovendi worden in dienst gesteld voor projecten die als enig doel hebben een volgende beursaanvraag binnen te halen. Investeringen waar ze zelf niet per se de vruchten van kunnen plukken. Er zijn faculteiten waar promovendi meer dan 40 procent van hun tijd besteden aan het geven van onderwijs. Dit omdat er zo weinig vaste staf over is in hun instituut, dat er niemand anders meer is om dit gat te dichten. 

    Op zichzelf hoeft het feit dat promovendi een grotere verantwoordelijkheid krijgen natuurlijk niet erg te zijn. Promoveren is een ontwikkelingsproces en het mag gevraagd worden van jonge academici om zich te ontwikkelen buiten de nauwe kaders van hun onderzoeksproject. Maar te vaak zijn dit soort oplossingen uit nood geboren, leveren ze helemaal niet zo veel ontwikkeling en levenswijsheid op en conflicteren direct met de activiteiten die werkelijk in het belang van de promovendus zijn. 

    Er wordt dus veel verwacht van promovendi en dat vergt zijn tol. Promovendi behoren tot die groep hoogopgeleiden die een enorm risico lopen op een burn-out en scharen zich qua werkdruk zonder moeite in het rijtje van arts, advocaat en bankier. Iedere onderzoeker kent wel een promovendus die met een burn-out thuis zit, vaak meerdere, maar toch zijn er amper cijfers te vinden over hoe vaak promovendi te kampen hebben met een werkgerelateerde burn-out. Begeleiders en promotoren zijn dan wel bekwaam in het doen van onderzoek, maar ze zijn niet vanzelfsprekend in staat om met dit soort problematiek om te gaan, want daar zijn ze niet op geselecteerd. 

    Voortijdig stoppen 

    Zo'n 25 procent van de promovendi stopt voortijdig met de promotie, maar slechts sporadisch wordt er onderzoek gedaan naar de motieven van promovendi achter zo'n ingrijpend besluit (Goede et al., 2013). Meer dan eens heeft dit te maken met ronduit slechte begeleiding, uit de hand gelopen conflicten over auteurschappen, het opheffen van een vakgroep of te hoge werkdruk. 

    Daarnaast zijn er andere gevolgen, uitvloeisels van dit scala aan perverse prikkels, op de dagelijkse praktijk van het promoveren. Promovendi moeten soms al vroeg in hun carrière keuzes maken die hun persoonlijke en wetenschappelijke integriteit op de proef stellen (Tijdink, Pont, & de Jonge, 2015). Afwegingen als: welke data laten we weg uit een publicatie om een zo overtuigend mogelijk figuur te maken? Wie wordt er eerste, tweede en laatste auteur op een artikel. Kunnen we een van onze vrienden als teken van goodwill op deze publicatie zetten? Wat houden we achter, zodat niet iemand ons voor is? 

    Zo dwingt ook de eis van veel faculteiten, universitair medisch centra in het bijzonder (Tijdink et al., 2015), dat een proefschrift minstens vier gepubliceerde artikelen bevat promovendi er toe hun levenswerk in delen op te knippen. Een project waar jaren aan is gewerkt, wordt uiteindelijk als een oude auto voor zijn onderdelen verkocht. En dat gaat je niet in de koude kleren zitten. 

    Een onderbouwde en wetenschappelijke reden voor een dergelijke eis lijkt er niet te zijn, getuige de inferieure waarde van het geleverd knipselwerk. Vaak ontstaat dergelijk beleid voornamelijk vanuit een interne financiële werkelijkheid, waarin vakgroepen worden afgerekend op hun impactfactor en het geld wordt verdeeld aan de hand van het aantal artikelen dat een groep uitpoept. In dit soort afwegingen heeft de begeleider en niet de promovendus vaak het laatste woord. 

    Meester en gezel 

    In een professionele relatie tussen werkgever en werknemer is dit soort afwegingen al lastig, maar in de nog immer prevalente meester-gezel verhouding is het soms haast onmogelijk voor de gezel om tegen de meester in te gaan. Het behalen van het einddoel van de promotie, het diploma, blijft immers afhankelijk van de meester en het getuigt niet van wijsheid hier tegen in te gaan. 

    Maar deze scheve verhouding, of beter gezegd, de ontkenning een serieuze collega te zijn voert verder dan alleen het promotierecht. In veel instituten maken promovendi geen deel uit van de stafvergadering, zal je nooit een promovendus tegenkomen die plaatsneemt in de ondernemingsraad en worden jaargesprekken niet gevoerd of niet simpelweg niet serieus genomen. Dit lijkt misschien onschuldig, maar een medewerker die het leeuwendeel van het basale proces onder zijn hoede neemt en hiervoor niet zelden in de weekenden doorwerkt, verdient misschien iets meer respect en waardering als medewerker. 

    En dan het promoveren zelf.               

    De meeste onderzoekbeurzen zijn goed voor zo'n vier jaar salaris en dit is nationaal ook de richtlijn geworden voor een promotie. Slechts acht procent van de promovendi rondt ook daadwerkelijk in vier jaar tijd het proefschrift af (De Goede et al., 2014). Ook al gaat de promovendus zelf gemiddeld al uit van een uitloop van zo'n zes maanden, dan komt deze alsnog bekocht uit, want over de gehele linie is meer dan vijf jaar voor een promotie het gemiddelde, toch een verschil van zo'n 25%. 

    Klaar of niet klaar 

    Maar hoe komt het toch dat er zo'n grote discrepantie tussen de richtlijn en de werkelijkheid zit? Het antwoord op die vraag is simpel. Want na vier jaar zijn er in principe maar twee opties: iemand is klaar om te promoveren of iemand is nog niet klaar om te promoveren.  

    Vaak wordt de promovendus verleid, of zelfs psychologisch onder druk gezet, om toch nog even door te werken. Om nog dat ene artikel net wat beter weg te zetten. Niet omdat dit nodig is voor de titel van doctor, maar omdat het zogezegd essentieel is voor de wetenschappelijke carrière. Eigenlijk die van een ander. 

    Op veel plaatsen wordt er netjes gewerkt met verlenging, maar veel te vaak wordt er vanuit gegaan dat promovendi wel even hun WW opnemen. Maar terugkomend op de cijfers: 4 maanden zijn niet genoeg om een gemiddelde van 14 maanden uitloop te overbruggen. De voorbeelden van promovendi die geheel zonder vergoeding doorwerken na het aflopen van het contract zijn dan ook legio. Ze doen proeven, bezoeken congressen, anlayseren data en schrijven artikelen in hun eigen tijd, lang nadat het laatste salarisstrookje binnen is gekomen. Dit alles omdat het ultieme drukmiddel, dat papiertje dat aan het einde van de rit moet worden geint, toch een bijzonder smakelijke wortel is die veel weg heeft van een stok. 

    Niet de enige les 

    Want in wiens belang is het nu helemaal dat alles uit een proefschrift wordt gepubliceerd? Toch zeker niet dat van de carrière van de promovendus.  Als maar een gering aandeel van de promovendi, zo'n tien procent, vijf jaar later nog in de wetenschap werkt (Goede et al., 2013) dan kan het niet in hun belang zijn om meer dan een jaar van je leven op te geven aan iets waar niemand ooit meer naar kijkt.

    Het feit dat maar weinig promovendi uiteindelijk terechtkomen in de academie, heeft de laatste tijd een aantal keren het nieuws gehaald. De boodschap die velen hier uit opmaken is dat de promotie te weinig opleidt voor een baan buiten de wetenschap. Dat is inderdaad een conclusie, maar het is lang niet de enige les die we kunnen trekken uit dit feit. Steeds meer promovendi zijn na een aantal jaar onderzoek compleet gedesillusioneerd door de wetenschap en trekken hun eigen conclusie. 

    Deze is dat de moderne wetenschap is verworden tot een instituut waar eigenschappen als zelfzucht, narcisme en blinde ambitie worden geprefereerd boven de waarden van samenwerking, behulpzaamheid en duurzaamheid. Een vak waarin je van zeer goede huize moet komen om je staande te houden, waar je bereid moet zijn risico's te nemen en grote persoonlijke offers te maken. 

    En dat zijn offers die te groot kunnen zijn, hoe leuk je het onderzoek ook vindt. Niet alleen moet je bereid zijn om over lijken te gaan, je moet uiteindelijk ook zin hebben om met precies zulke rücksichtslose collega's samen te werken. En daarvoor is lang niet iedereen in de wieg gelegd. Wetenschappers zijn uiteindelijk ook gewoon maar mensen, mensen die meten met een menselijke maat.  

    Druk op de piramide 

    De van oudsher gerenommeerde kwaliteiten van de Nederlandse promovendus, en daarmee het Nederlandse wetenschapsbetel, staan op de helling. Er staat enorme druk op de academische piramide en deze is het hardst te voelen aan de basis. Het is een piramide die is gebouwd op archaïsche verhoudingen en die wordt blootgesteld wordt aan moderne druk van buitenaf. 

    Dit is waar ik mij zorgen over maak. Niet over de exacte situatie waarin promovendi momenteel verkeren, maar om het systeem waarin beginnend wetenschappers worden grootgebracht. Het voorbeeld dat gesteld wordt voor een toekomstige generatie. Door de hoge doorvoer van onderzoekers kan een nieuwe realiteit zich snel instellen en op dit moment is dat niet bepaald een mooi plaatje. 

    Als we werkelijk een transitie willen, als we streven naar verbetering dan zijn promovendi een onmisbaar onderdeel van dit proces. En daarom is het zaak, dat we gezamenlijk komen tot een verstandhouding die uitzicht biedt op verbetering. We moeten elkaar weer vragen gaan stellen, of we nu hoogleraar of beginnend promovendus zijn. Rekenschap nemen en elkaar kritisch bevragen waarom we doen wat we doen. Laten we de verantwoordingsplicht die de het gevolg is van outputfinanciering achter ons laten en ons verantwoordelijkheidsgevoel voorop stellen. We willen allemaal, promovendi incluis, de wetenschap beschermen en dat betekent soms dat je niet alleen je eigen belang moet beschermen. 

    Volwaardig lid zijn

    Dus, bedenk voor jezelf: ken ik nog een promovendus die wel wat extra begeleiding kan gebruiken, en hoe regelen we dat? Zie ik promovendi die stelselmatig aan het werk zijn op vrije dagen? Wat is hier de reden voor? Hoe komt het dat de promovendus in de groep naast mij nu alweer twee maanden thuis zit met een burn-out? Neemt die onderzoeker nu alweer twee promovendi aan? Hij heeft er al vier onder zijn hoede. 

    En natuurlijk hebben ook promovendi hier een rol te vervullen. Door bijvoorbeeld geen genoegen te nemen met een begeleider die geen tijd voor hen heeft en door een goede begeleider in het zonnetje te zetten. Door een stem te laten horen, ook als het gaat om onderwerpen die niet direct met je project te maken hebben. Door weerstand te bieden als je wetenschappelijke integriteit in het gedrang komt. Door je meer op te stellen als een volwaardig lid van de wetenschappelijke gemeenschap. 

    Want alleen zo kunnen we wat doen aan de perverse prikkels die ons wetenschapssysteem dreigen te vervormen. Wij zijn er met zijn allen om een duurzaam en toekomstbestendig systeem te onderhouden en ook alleen wij zijn in staat om dit te doen. Als we zo doorgaan kan straks een enkeling zich nog verwantwoorden, maar negeren we onze gezamenlijke verantwoordelijkheid. Als we de transitie willen maken dan moeten we beginnen bij de wetenschappers van de toekomst: de promovendi. 

    Natuurlijk heb ik extreme voorbeelden genoemd, maar ik heb er ook een boel weggelaten. Ik bestrijd de gedachte dat het allemaal wel meevalt, of dat het slechts incidenteel fout gaat. Het gaat vast op heel veel plaatsen goed. Maar dat ontslaat niemand van de verantwoordelijkheid alert en adequaat op te treden, misstanden aan te pakken en liefst te voorkomen. Het is zaak om onszelf, en promovendi in het bijzonder, af te schermen van de prikkels van buiten en te streven naar een duurzaam bestel. Dit is de zorg, en de bijbehorende verantwoordelijkheid die we moeten delen om te wetenschap beter te maken. Laten we deze handschoen dan ook gezamenlijk oppakken.