• A
  • A
  • Promoveren werkt, maar hoe lang nog?

    - De KNAW heeft met haar rapport over het promotiestelsel een te rooskleurig beeld geschetst. Dit komt omdat zij nauwelijks met promovendi hebben gesproken, maar alleen met hoogleraren en het bedrijfsleven, zeggen De Jonge Akademie-lid Martijn Wieling en UvA-promovendus Sicco de Knecht.

    “Vorige maand publiceerde de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) een rapport over de toekomst van promoveren onder de titel: Promoveren werkt. Het resultaat van een consultatieronde beperkt tot hoogleraren en de top van het bedrijfsleven lijkt echter voorbij te gaan aan een van de grootste potentiële problemen: de houdbaarheid van het systeem.

    De kwaliteit is goed

    Het KNAW rapport “Promoveren werkt” schetst een rooskleurig beeld van het Nederlandse promotiestelsel. De kwaliteit van de Nederlandse academische promoties is goed en het Nederlandse promotiestelsel “levert hoog gekwalificeerde, onafhankelijk denkende promovendi af” Wel moet er volgens de KNAW – terecht – tijdens het promotietraject meer aandacht komen voor de carrière van gepromoveerde wetenschappers buiten de academische wereld. Er is immers slechts voor 30% van de promovendi een (tijdelijke) carrière binnen de universiteit weggelegd, terwijl bijna het dubbele daarvan een dergelijke loopbaan ambieert.[1]

    De KNAW stelt in haar rapport ook dat het Nederlandse promotiestelsel toekomst-bestendig is. De vraag is echter in hoeverre deze stelling voldoende onderzocht is. Tussen 2007 en 2014 is het aantal promovendi gegroeid met bijna twintig procent. Dit is niet verrassend, aangezien promovendi goedkope wetenschappers zijn, die universiteiten ook nog eens geld opleveren wanneer zij promoveren.

    Beperktere groei

    Tegenover de toename in het aantal promovendi staat echter een veel beperktere groei in de vaste wetenschappelijke staf, dus de groep van potentiële begeleiders van promovendi, van slechts vijf procent. De ratio van het aantal promovendi per senior staflid (hoogleraren en universitair hoofddocenten) is in die periode dan ook gestegen van 1,62 in 2007 naar 1,76 in 2014.[2]

    Daarmee samenhangend lijkt ook de tijd die besteed wordt aan de begeleiding van promovendi te dalen. Terwijl in 2005 nog 38% van de promovendi hun begeleider meerdere malen per week spraken,[3] is dit in 2014 gedaald tot 33%.1 Tegelijkertijd constateert het Rathenau instituut dat de duur van de promotie een licht stijgende tendens laat zien.1 Op een nominale duur van vier jaar, duurt de gemiddelde promotie op dit moment ruim vijf jaar.

    Moeten vertrekken

    Terwijl bij iedere promotie een hoogleraar betrokken zal zijn als promotor, wordt de dagelijkse begeleiding vaak uitgevoerd door universitair hoofddocenten en universitair docenten. Vooral in die laatste groep heeft een steeds groter deel een tijdelijke aanstelling (22% in 2007, 32% in 2014).2  Deze groep tijdelijke universitair docenten zal ten behoeve van hun eigen carrière regelmatig van universiteit (moeten) wisselen – zeker gezien de nieuwe Wet werk en zekerheid – en is daardoor minder geschikt voor de begeleiding van promovendi. De kans is namelijk groot dat deze (tijdelijk aangestelde) begeleiders voor het einde van het promotietraject zullen (moeten) vertrekken.

    Deze combinatie van factoren, steeds meer promovendi en relatief steeds minder vaste staf voor de begeleiding, zal op den duur zonder meer leiden tot problemen. Niet alleen zal daardoor de kwaliteit van de promotie in het geding komen, ook is de vraag in hoeverre en hoe lang zo’n systeem houdbaar blijft. Meerdere partijen, waaronder de vakbond voor wetenschap en een grote groep promovendi[4] hebben reeds hun zorgen geuit over deze ontwikkeling, en het verbaast ons enigszins dat dit aspect niet belicht wordt in het rapport van de KNAW.

    Geen enkel overtuigend argument

    In haar rapport geeft de KNAW aan dat hoewel promotieprojecten van vier jaar de voorkeur hebben, ook kortere projecten van drie jaar mogelijk moeten zijn – mits daaraan een tweejarige researchmaster vooraf is gegaan. Ook geeft de KNAW de aanbeveling de uitloop naar vijf jaar van de promotieperiode tegen te gaan. Er wordt helaas geen enkel overtuigend argument gegeven voor het inkorten van de nominale promotieduur. Ook wordt er niet ingegaan op de vraag hoe de beperking van de promotieduur gerealiseerd moet worden. En dat is jammer, omdat het antwoord op deze vraag zeker had moeten ingaan op de begeleiding tijdens het promotietraject.

    Terwijl een promotietraject van drie jaar een aanzienlijke kostenbesparing oplevert ten opzichte van een vierjarig traject, is een dergelijke optie niet realistisch. Niet voor niets duurt een gemiddelde promotie op dit moment vijf jaar; goede wetenschap kost tijd en promovendi staan bovendien onder steeds grotere druk voldoende artikelen en andere output af te leveren voor zij kunnen promoveren. Wanneer we de deur open zetten voor kortere promotie-trajecten, zal dat onherroepelijk ten koste gaan van de kwaliteit van een wetenschappelijke promotie.

    Vier jaar handhaven

     Om een houdbaar promotiesysteem te creëren, waarin de hoge kwaliteit van het Nederlandse promotiesysteem gehandhaafd kan blijven, adviseren we daarom om: (1) te investeren in de wetenschap om op die manier het aantal vaste posities binnen de universiteiten even sterk te laten stijgen als het aantal promovendi en (2) de nominale duur van een wetenschappelijke promotie te handhaven op vier jaar en zeker niet te in te korten. 

    Terwijl het rapport zonder meer een aantal goede zaken en aanbevelingen bevat, vragen we ons af of de inhoud van het rapport niet beduidend anders was geweest, wanneer de KNAW naast hoogleraren en de top van het bedrijfsleven, juist ook de jonge onderzoekers direct had betrokken bij haar onderzoek. Vooral de mening van die groep zou volgens ons waardevol zijn geweest bij het bepalen van een overkoepelende visie op de toekomst van promoveren en de duurzaamheid van het promotiesysteem. We vinden dit dan ook een gemiste kans."

    Sicco de Knecht, promovendus Neurowetenschappen, Universiteit van Amsterdam, http://www.uva.nl/contact/medewerkers?f=de+knecht,

    Martijn Wieling, Universitair Docent Informatiekunde, Rijksuniversiteit Groningen, Lid van De Jonge Akademie, http://www.martijnwieling.nl, 


    [1] Marije de Goede et al. (2014). Promoveren in Nederland. Motivatie en loopbaanverwachtingen van promovendi

    [2] Op basis van de cijfers van: http://www.vsnu.nl/nl_NL/f_c_verhouding_vast_tijdelijk.html

    [3] Berger & de Jonge (2005). Rendement verkend. Succes- en faalfactoren van promotietrajecten aan Nederlandse universiteiten.

    [4] Zie het rapport van de VAWO (link) en het rapport PhD Candidates on Science 2.0, De Knecht et al. (2015) (link).