• A
  • A
  • Bevordert NWO slodderintegriteit?

    (foto: Robfoto)

    (foto: Robfoto)

    - De tweede geldstroom kent grote bezwaren: het is tijdsintensief, inefficiënt en beperkt de creativiteit. Hans Radder voegt daar een volgend potentieel bezwaar aan toe: brengt het de wetenschappelijke integriteit in het gedrang?

    Het Nederlandse wetenschaps- en universiteitsbeleid is de afgelopen jaren uitvoerig ter discussie gesteld. Ook het tweede geldstroomonderzoek is daarbij geregeld aan de orde gekomen. Toch worden de fundamentele problemen daarvan nog onvoldoende onderkend. Deze problemen zijn een gevolg van de grote veranderingen die opgetreden zijn sinds de invoering van dit systeem van onderzoeksfinanciering in de jaren 60 van de vorige eeuw. Kenmerkend voor de huidige situatie is dat het indienen van subsidieaanvragen veel tijd, energie en geld vraagt, terwijl de kansen op honorering klein tot zeer klein zijn.

    In Er middenin! Hoe filosofie maatschappelijk relevant kan zijn (Vesuvius, 2016) bespreek ik elf belangrijke problemen van het tweede geldstroomonderzoek. Ik richt me daarbij primair op NWO, de grote Nederlandse onderzoeksfinancier, al zijn heel wat punten ook van toepassing op de Europese subsidies.

    De kern van deze problematiek kan als volgt kort samengevat worden: Veel subsidieaanvragen worden beoordeeld zonder een echte peer review. Creatieve projecten, buiten de gebaande paden, hebben het extra moeilijk. Het systeem maakt eigen onderzoeksbeleid door afzonderlijke universiteiten zo goed als onmogelijk en bevordert de scheiding van onderwijs en onderzoek. Substantiële extra nadelen zijn er voor de sociale en geesteswetenschappen. En op de universiteiten leidt het systeem tot een extreem en onwenselijk groot aantal tijdelijke aanstellingen.

    Fundamentele herbezinning nodig

    Deze zaken vragen om een diepgaande herbezinning op het hele systeem. Belangrijk daarbij is dat het zeker niet alleen een kwestie van ‘te weinig geld’ is, een punt waartoe bestuurders en beleidsmakers zich meestal beperken; het gaat om meer fundamentele problemen.

    Om te beginnen is een grondige berekening vereist van de totale kosten van het huidige systeem, bijvoorbeeld uit te voeren door de Algemene Rekenkamer. Vervolgens is een structureel andere opzet nodig, die de genoemde problemen oplost of tenminste sterk verkleint. Kern daarvan is een herverdeling van het onderzoeksbudget van de overheid, waarin een substantieel deel van het geld van NWO (bijvoorbeeld de helft van het huidige subsidiebudget van NWO) terug gaat naar de universiteiten. Daarnaast worden nieuwe ideeën geïmplementeerd, zoals erkenning van het toevalsaspect door loting een rol te geven en de invoering van systemen die een directere invloed van de wetenschappelijke peers mogelijk maken.

    Hoewel de universiteiten zelf ook een rol spelen in de uitvoering van deze tweede geldstroomfinanciering, is de hele opzet ervan primair een kwestie van het nationale wetenschapsbeleid. De vraag is wat de politieke partijen hiervan vinden. Hoe zou een nieuwe regering deze problemen moeten aanpakken?

    In hun verkiezingsprogramma’s wijdt een aantal partijen een enkele zin aan deze problematiek. Een opmerkelijke overeenkomst is de stelling dat de bureaucratische ballast van de permanente subsidieaanvragen overboord moet. Maar of dit betekent dat de politici zich bewust zijn van volle omvang en het grote belang van deze problematiek betwijfel ik. En de cruciale vraag is natuurlijk: wat blijft er na de verkiezingen over van dit mooie voornemen?

    Slodderintegriteit

    Aan het voorgaande wil ik nog een nieuwe vraag toevoegen: voldoet het huidige systeem aan de eisen van wetenschappelijke integriteit? Ik bespreek deze met opzet apart, omdat het op dit moment nog echt een vraag is. Ik vermoed dat er een structureel integriteitsprobleem, te weten belangenverstrengeling, is maar nader onderzoek is nodig om deze hypothese te toetsen. Op het spel staat de onpartijdigheid van de wetenschap.

    Volgens de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening dienen persoonlijke belangen geen rol te spelen bij beoordelingen van of beslissingen over wetenschappelijke kwesties. Is dat het geval bij het huidige systeem van tweede geldstroomfinanciering? Er zijn serieuze redenen om de onpartijdigheid van dit systeem te betwijfelen.

    Om te beginnen is er de eigen ervaring. Ik geef hier drie voorbeelden van wat ik ‘slodderintegriteit’ noem:

    Een decaan vermeldt tijdens een feestelijke afscheidsbijeenkomst van een hoogleraar trots dat diens lidmaatschap van NWO-commissies zijn faculteit heel wat voordeel opgeleverd heeft.

    Een subsidieaanvraag bij een thematisch NWO-programma wordt afgewezen met als argument dat het voorgestelde project minder goed aan het thema gerelateerd is. Wanneer dit project, gefinancierd via een andere bron, toch uitgevoerd wordt, wordt de uitvoerder enige tijd later uitgenodigd een bijdrage te leveren aan een congres van het NWO-programma, omdat dit onderzoek zeer interessant is en perfect past bij de problematiek van het programma.

    Bij de eindbeoordeling van een ander thematisch NWO-programma valt het de beoordelaar op dat opmerkelijk veel aanvragen van de organisatoren van het programma gehonoreerd zijn, en gewetensvol vermeldt ze dit feit in haar conceptrapport. De reactie van NWO bestaat uit het dringende verzoek dit punt ofwel weg te laten ofwel het zo af te zwakken dat de kritische inzet ervan aan het zicht onttrokken is.

    Nu zijn dit individuele ervaringen. Maar als iedere wetenschapper drie van dit soort voorbeelden kan noemen (en dat lijkt mij niet onwaarschijnlijk), tellen die op tot een structurele slodderintegriteit.

    Een onderzoeksvoorstel

    Op grond van (1) de kleine slaagkansen, (2) het veelvuldig ontbreken van echte peer review in commissies en besturen, (3) de relatief kleine omvang van de Nederlandse specialistische wetenschapsgebieden en (4) het feit dat wetenschappers ook maar mensen zijn, lijkt het me plausibel dat het volgende mechanisme geregeld een rol kan spelen bij beoordelingen van subsidieaanvragen: ‘Als ik kritische kanttekeningen plaats bij de andere aanvragen, maakt mijn eigen aanvraag (of die van mijn directe collega’s in mijn afdeling, faculteit of universiteit) meer kans.’ Ondanks het feit dat commissieleden als regel niet aanwezig zijn bij de beslissing over projecten waarbij ze direct betrokken zijn, kunnen zij via dit mechanisme toch een indirecte maar substantiële invloed uitoefenen op de beoordeling van deze projecten.

    De vraag is daarom: kan deze hypothese preciezer wetenschappelijk onderzocht worden? Ik zie hier twee goede mogelijkheden. Ten eerste via een anonieme enquête, analoog aan bestaande onderzoeken naar het vóórkomen van fraude. De uitkomsten daarvan kunnen een verdere indicatie geven van de omvang van het probleem.

    Een tweede mogelijkheid is een statistische analyse, met als kernvraag: is er een correlatie tussen de samenstelling van NWO-commissies en -besturen en de aantallen toegekende subsidies aan de afdeling, faculteit of universiteit van deze commissie- en bestuursleden? Als dit het geval is en als bovendien beargumenteerd kan worden dat slodderintegriteit hiervoor de enige of beste verklaring is, dan demonstreert dit onderzoek de realiteit van dit integriteitsprobleem en preciseert het de omvang ervan.

    De conclusie is: dit is een belangrijk en haalbaar onderzoeksvoorstel, dat bijvoorbeeld uitgevoerd kan worden door een methodologisch ervaren sociale wetenschapper. En de intrigerende slotvraag is: zou NWO een dergelijk project gaan subsidiëren?

    Hans Radder is emeritus hoogleraar in de filosofie van wetenschap en technologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en initiatiefnemer van het Platform Hervorming Nederlandse Universiteiten.