• A
  • A
  • Bussemaker verdedigt internationalisering

    - Geef Nederlandse studenten voorrang bij opleidingen met een numerus fixus. Die suggestie deed de PVV in een motie tijdens de begrotingsbehandeling van OCW. De motie kreeg geen meerderheid, maar de minister achtte het wel nodig de Kamer nogmaals uit te leggen dat het voorstel juridisch onmogelijk is.

    Tijdens de begrotingsbehandeling van OCW werd door de PVV de suggestie gedaan om Nederlandse studenten voorrang te geven op buitenlandse studenten bij opleidingen met een numerus fixus. Harm Beertema (PVV) liet in de Kamer weten dat hij vindt dat Nederlandse studenten een voorkeursbehandeling verdienen. “Het zou toch te gek voor woorden zijn dat Nederlandse studenten slachtoffer worden van een numerus fixus terwijl er hele busladingen internationale studenten worden geworven in het buitenland.”

    Steun van SP en CDA

    Daarom kwam de PVV met een motie om Nederlandse studenten voorrang te geven. Hier was Bussemaker het ten principale niet mee eens en legde uit dat dit indruist tegen alle internationale verdragen. Het CDA steunde deze motie evenals de SP en 50plus, maar kreeg daardoor geen meerderheid.

     

    Zoals de minister heeft beloofd aan de Tweede Kamer komt zij nu met een nadere uitleg over de juridische mogelijkheden voor een studentenstop voor internationale studenten. De minister maakt daarbij een onderscheid tussen studenten uit de Europese Economische Ruimte en studenten daarbuiten. “Het is van belang om een onderscheid te maken tussen internationale studenten uit landen binnen de EER en internationale studenten buiten de EER.

    Geen direct of indirect onderscheid

    De minister laat weten dat studenten uit de EER hetzelfde behandeld dienen te worden conform Europese afspraken. “Studenten uit EER-landen dienen op basis van Europese regelgeving hetzelfde te worden behandeld als Nederlandse studenten. Anders dan bij niet-EER-studenten mag tussen Nederlandse en andere EER-studenten geen direct of indirect onderscheid gemaakt worden. Een EER-student kan dus alleen op basis van objectieve gronden die voor de Nederlandse student en de EER-student direct en indirect gelijk zijn.”

    Bij studenten buiten de EER hebben instellingen volgens de minister meer ruimte om te sturen middels het instellingscollegegeld. “EER-studenten betalen net als Nederlandse studenten het wettelijke collegegeld voor een eerste studie, terwijl studenten van buiten de EER het instellingscollegegeld moeten betalen. Het is mogelijk om met een verhoogd instellingscollegegeld studenten uit niet-EER-landen te ontmoedigen.”

    Frans van Heest