• A
  • A
  • Lessen trekken uit Rotterdamse proeftuinen

    - Hoe geef je praktijkgericht onderzoek een plek in het onderwijs op het HBO? Bij het Instituut voor de Gebouwde Omgeving van Hogeschool Rotterdam vindt dit plaats in zogeheten proeftuinen. Marlies van der Wee onderzoekt hoe het onderwijs daar wordt vormgegeven.

    Het Instituut voor de Gebouwde Omgeving van de Hogeschool Rotterdam werkt aan de integratie van praktijkgericht onderzoek in het onderwijs. Het doel hiervan is dat opleidingen op niveau en actueel blijven en dat studenten zich kunnen ontwikkelen tot onderzoekende, kritische en weerbare professionals.

    Voor de onderzoeksprojecten heeft het Instituut voor de Gebouwde Omgeving gekozen voor vijf onderzoeksthema’s: circulair denken, waardecreatie, ketenintegratie, stad als systeem en transformatie. Met deze thema’s sluit het instituut aan bij de ambitie van de gemeente om Rotterdam te ontwikkelen tot een duurzame havenstad. Het onderzoek naar deze thema’s vindt plaats in zogenaamde proeftuinen: living labs in de stad waar studenten samen met professionals en docenten werken aan vraagstukken die voor zowel het werkveld, de opleiding als de stad relevant zijn. Marlies van der Wee onderzoekt hoe docenten het onderwijs in deze proeftuinen vormgeven, uitvoeren en evalueren.

    Proeftuinen vormgeven

    “Er wordt in Rotterdam al gewerkt in zogeheten proeftuinen of  Living Labs,” vertelt van der Wee die als docent is verbonden aan de opleiding Watermanagement. “In die labs werken studenten samen met bedrijven en andere organisaties aan actuele vraagstukken. Zo is er een Living Lab in Rotterdam-Zuid waar studenten van het instituut in samenwerking met professionals en docenten onderzoek doen naar de inrichting van wijken op Zuid. Er wordt bijvoorbeeld gekeken hoe maatregelen ten aanzien van de woningvoorraad of de inrichting van de openbare ruimte de leefbaarheid van het gebied kan vergroten.”

    De vraag is hoe studenten zich – door in proeftuinen te werken aan onderzoeksprojecten – kunnen ontwikkelen tot professionals. Zij moeten op basis van hun vakbekwaamheid actief kunnen bijdragen aan de transitie van Rotterdam tot een duurzame havenstad. En vervolgens is de vraag wat rol van de docent daarin is. “Het uitgangspunt voor mijn onderzoek is de praktijk van de docent: met een etnografische insteek kijk ik als het ware door de ogen van de docent naar de onderwijspraktijk.”

    Op dit moment zijn er op verschillende plekken proeftuinen gestart of aan het starten zoals op Rotterdam Zuid, in Coolhaven en in het gebied Merwe-Vierhavens. Er is voor van der Wee dus genoeg plek om te kijken hoe onderwijs in deze proeftuinen plek krijgt in het curriculum en wat dat betekent. “Ik ga met docenten het gesprek aan. Waartoe dient deze proeftuin? Wat bereikt een student? Het gaat er in dit onderzoek om dat ontwikkelingen in het onderwijs worden onderzocht met en door de docenten die met deze ontwikkeling en vernieuwing bezig zijn: praktijkgericht onderzoek in de eigen onderwijspraktijk dus”

    Nieuwe leeromgevingen

    In haar promotieonderzoek wil van der Wee inzicht krijgen hoe onderwijs waarin studenten leren bijdragen aan de duurzaamheidstransitie is vormgegeven. “Het gaat er om studenten zo op te leiden dat zij het werkveld en de samenleving zelf mede vorm kunnen geven,” vertelt ze. “Dat is pionieren mede omdat de balans tussen de kenniscomponent in het onderwijs en het functioneren in de praktijk belangrijk blijft.”

    Een voorbeeld van die nieuwe vormen van onderwijs is te vinden in de Merwe-Vierhavens waar de Hogeschool Rotterdam samen met Albeda College, TU Delft en het bedrijfsleven naar duurzame oplossingen zoekt. “Studenten zoeken daar bijvoorbeeld naar oplossingen voor het wegwerken van plastic afval. Daar sluiten zich hele innovatieve bedrijfjes bij aan. Op die manieren vormen zich weer nieuwe leeromgevingen.”

    Van der Wee is als docent ook betrokken bij onderzoeksprojecten in de proeftuinen. Samen met collega’s van verschillende opleidingen verzorgt zij een onderwijsprogramma voor studenten uit het vierde jaar. Dit programma daagt studenten uit zich te ontwikkelen tot innovators. Om die reden halen de studenten zelf de onderzoeksonderwerpen uit de stad. “Studenten gaan zelf de wijken in om vragen op te halen. Door hen deze vragen samen met professionele en maatschappelijke partijen te laten formuleren, stimuleren we het eigenaarschap van studenten voor de opgaven”.

    Living labs

    Tijdens dit programma hebben we studenten uitgedaagd om systematisch op zoek te gaan naar vraagstukken en uitdagingen in Proeftuin Zuid en Proeftuin Merwe-Vierhavens. We werken hierbij volgens de methodes City as Tekst en Psychologie van de Stad. Daar leren studenten systematisch kijken en luisteren naar ‘de stad’. Studenten vormen zich stap voor stap een beeld van wat zich in een wijk afspeelt door onder andere foto’s te maken en deze te analyseren, door open gesprekken aan te gaan met bewoners en andere betrokken partijen en deze met elkaar te vergelijken en door het beeld dat hieruit ontstaat naast vakliteratuur en beleid te leggen. Hiermee nodigen we studenten uit om in dialoog met betrokkenen een onderzoeksvraag formuleren die door iedereen relevant gevonden wordt. De methodes dagen studenten uit om vraaggericht en omgevingsbewust te werken.”

    In groepjes – altijd multidisciplinair – formuleren de studenten met professionele en maatschappelijke partijen de eigen opgave. Door de aanpak in het project maken studenten zelf afspraken met deze partijen, dat wordt door hen beiden als een meerwaarde gezien. “Ze zien in wat ze aan elkaar kunnen hebben. Studenten hebben dan meer het eigenaarschap dan dat je de bedrijven bijvoorbeeld vooraf de vragen zou laten formuleren.”

    Een nieuwe manier van werken

    Het is niet voor niets dat er gesproken wordt van proeftuinen of Living Labs, zegt van der Wee. “Het is een nieuwe manier van werken en dus is het ook belangrijk te onderzoeken hoe deze manier van werken bijdraagt aan de ontwikkeling van studenten tot onderzoekende, kritische en weerbare professionals.”

    Daarbij stelt van der Wee onder meer de vraag welke inhoudelijke, pedagogische en didactische aanpakken docenten hanteren, hoe docenten de effectiviteit en waarde van hun onderwijsprogramma’s monitoren en welke randvoorwaarden binnen het HBO nodig zijn om docenten in hun onderwijsaanpak te faciliteren.

    Van der Wee bevraagt docenten dan ook nadrukkelijk op hun eigen werken “Doordat ik met de docenten in gesprek ga over hun aanpakken bevorder ik de valorisatie van het onderzoek: binnen het onderzoek functioneren docenten als ‘reflective practitioner’ wat het onderwijs weer ten goede komt.”

    Het onderzoek waar van der Wee mee bezig is, bevindt zich nog aan het begin, maar krijgt positieve reacties. “De docenten die ik heb gesproken zijn te spreken over de nieuwe onderwijsvormen. Je merkt dat het belangrijk wordt gevonden om hier goed onderzoek naar te doen. Het eigen onderwijs onder de loep nemen is heel waardevol. We willen een beeld  krijgen van onderwijsaanpakken die werken, die er toe bijdragen dat onze studenten zich ontwikkelen tot het type professional waar nu behoefte aan is en docenten zijn de aangewezen personen om dat beeld te schetsen”