• A
  • A
  • Honderd jaar later dreigen met een quotum

    Johanna Westerdijk

    Johanna Westerdijk

    - “Ik geloof dat wij hier alleen wat kunnen veranderen als er leiderschap getoond wordt.” Minister Bussemaker roept bij de viering van honderd jaar vrouwelijke hoogleraren, zichzelf, bestuurders, maar bovenal decanen op om leiderschap te tonen bij het benoemen van vrouwelijke hoogleraren.

    Honderd jaar geleden werd Johanna Westerdijk aan de Universiteit Utrecht de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland. Dit jubileum werd feestelijk, maar ook inhoudelijk gevierd in het Academiegebouw. Minister Bussemaker ging in discussie met de president van de KNAW, José van Dijck, UvA-rector Karen Maex en met de voorzitter van de UU, Marjan Oudeman. De vraag die voorlag was hoe de Nederlandse universiteiten dat lage percentage vrouwelijke hoogleraren kunnen verhogen.

    Nauw aan het hart

    De Vlaamse UvA-rector Karen Maex benadrukte dat het een hardnekkig probleem is. “Het is een thema dat mij zeer nauw aan het hart gaat en het is niet een probleem dat je zomaar oplost. Er moeten bias-trainingen komen. Niet alleen voor de benoemingscommissies voor hoogleraren, maar breed voor alle doorstroomfuncties binnen een universiteit.”

    Minister Bussemaker benadrukte dat dit probleem alleen opgelost kan worden als er leiderschap wordt getoond. “Ik geloof dat wij hier alleen wat kunnen  veranderen als er leiderschap getoond wordt. Dat leiderschap moet vanzelfsprekend bij de minister, bij de president van de KNAW en voorzitters van universiteiten zitten, maar misschien nog wel meer bij rectores magnifici en misschien nog wel het meest bij decanen. Ik heb het idee dat daar echt een probleem zit en dat wij daar echt iets open moeten breken. Dan gaat het over wie er in selectiecommissie komt, wie er goed genoeg gevonden wordt.”

    Grootst mogelijke tegenzin

    De minister voelt er ondanks het lage percentage niets voor om met een quotum te werken.  “Ik heb met het bedrijfsleven al veel gesprekken gevoerd of er  een vrouwenquotum moet komen, maar als je een quotum invoert dan krijg je misschien op de korte termijn wel je zin, want dan kan ik zeggen: ‘universiteiten jullie krijgen een boete’. Maar daarmee creëer ik niet dat leiderschap, want dan doet iedereen het met de grootst mogelijke tegenzin. Ik heb dat bij het bedrijfsleven gedaan en ik ben ook niet te beroerd om dat bij universiteiten te doen. Ik zeg er wel bij, ik vind het een enorm paardenmiddel.”

    Bussemaker zei dat Nederland ook kritisch moet kijken hoe het benoemingstraject is vormgegeven.  “Het gaat ook om de manier hoe wij ons systeem vormgeven. Ik was vorig jaar in de VS en daar sprak ik op de beste universiteiten met vrouwelijke hoogleraren uit Nederland. Die zijn allemaal een stuk jonger. Ik vind het daarom ook meer dan vanzelfsprekend dat er meer diversiteit zit in de carrièreontwikkeling en de samenstelling van de commissies.”

    “Wij doen hier in Nederland een aantal dingen niet goed. Zelf heb ik ook in een bestuur van een universiteit gezeten en eigenlijk keurden wij aan het eind van het proces hoogleraren goed. Er moet iets voorafgaand aan dat benoemingstraject veranderen.”

     

    Wel confronterend

    Marjan Oudeman die binnenkort afzwaait als collegevoorzitter van de UU was verbijsterd over het lage percentage vrouwelijke hoogleraren. “Voor mij is het heel eenvoudig, waar een wil is, is een weg. Als we naar de cijfers kijken dan is shocking misschien een te dramatisch woord, maar het confronteert wel. Zeker ook als wij ons realiseren hoeveel jaar het nog gaat duren  voordat er een beetje evenwichtig beeld ontstaat. Terwijl er zoveel vrouwelijke talenten op de universiteit aanwezig zijn.”

    “Wij vinden het van ons zelf al geweldig als wij een percentage zouden halen van dertig procent over een paar jaar. We vinden het al heel wat dat we nu al op 22% staan. 22% waar hebben wij het over? We zitten op deze universiteit met zestig procent vrouwelijke studenten. Wij kunnen en mogen niet tevreden zijn met dit soort percentages nu niet en over een paar jaar ook niet.”

    Elkaar inspireren

    Oudeman deed nog wel een suggestie om meer vrouwelijke hoogleraren aan te trekken. “We moeten vrouwen ook zelf helpen om aan hun carrièreperspectief te werken door te netwerken. Dat moeten we niet alleen doen met vrouwen in de wetenschap, maar ook met vrouwen uit het bedrijfsleven. Zo kunnen vrouwen elkaar toch inspireren om meer te durven, misschien hoort daar ook wel een stukje lef bij zoals we dat zagen bij Westerdijk die gewoon die stap durfde te nemen.”

    “Wij moeten ons zelf ook aanrekenen dat vrouwen niet zolang blijven zitten als zij eenmaal hoogleraar zijn. Ik denk dat wij moeten gaan werken aan een omgeving waar vrouwen zich meer thuis voelen en vrouwen ook de ruimte krijgen om vrouw te blijven.”

    KNAW-president José van Dijck lichtte toe dat de Akademie ook meer vrouwelijke hoogleraren als lid wil hebben. “Om meer academica in de KNAW te krijgen hebben we dit jaar bovenop de reguliere ronde van nieuwe leden een Westerdijkronde gehouden voor zestien vrouwelijke hoogleraren. Daarmee willen wij het percentage flink opkrikken, overigens gaat dat niet heel snel met 16 leden op 550 leden.”

    Overweldigend aantal

    Van Dijck viel bij die extra ronde wel een aantal dingen op. “Wij krijgen echt veel mailtjes van vrouwelijke hoogleraren die zeggen: ‘ik heb er eigenlijk nooit over nagedacht. Hoe kan ik ook in aanmerking komen.’”

    “Daarnaast hebben we een overweldigend aantal nominaties gekregen en iedereen was daar verbaasd over. Dan denk je wel: waarom zitten die kandidaten niet in de normale rondes? Het commentaar dat wij kregen dat dit ten koste gaat van de kwaliteit is absoluut niet waar. Wij zien eigenlijk het tegendeel. Dus die vrouwen zijn er, maar zijn er in eerdere rondes niet doorheen gekomen. Wij moeten ook gaan kijken hoe dat zo is gekomen.”

    Tijdens de discussie bleek ook dat wanneer vrouwen eenmaal hoogleraar zijn ze niet lang blijven en vetrekken naar elders. De minister vindt dat dit juist een inspiratie moet zijn voor universiteiten. “Ik praat met universiteiten over streefcijfers en dan zegt zo’n universiteit: ‘ja we hebben eigenlijk best wel goede cijfers, maar die vrouwen blijven nooit lang bij ons werken, want die gaan naar andere universiteiten die krijgen daar weer een betere positie.’ Die universiteiten willen daarom niet van die scherpe streefcijfers met mij afspreken. Dan denk ik. Wat maakt dat nu toch uit, dan doe je dat zelf toch ook met vrouwen die nu ergens anders werken. Ik zou de universitaire wereld willen oproepen, maar ook de VSNU, NWO, en KNAW om dat gezamenlijk te doen.”

    José van Dijck benadrukte aan het slot van het debat waarom men vandaag de dag nog zoveel van Johanna Westerdijk kan leren. “Waarom Johanna Westerdijk zo’n prachtig voorbeeld voor ons is, is omdat de helft van haar promovendi ook in die tijd vrouwen waren. Dat wil ik toch even benadrukken. Als je als vrouw in je eentje bent of met z’n tweeën dan is dat als vrouw heel moeilijk. Dan is het verschil in die mannenwereld zo duidelijk dat je daar eigenlijk weg wilt. Je moet dus echt een soort kritische massa bereiken met vrouwelijke promovendi en andere onderzoekers. Als je dat niet doet, dan gaan die vrouwen weer weg.”