• A
  • A
  • Digitaliseren, het nieuwe internationaliseren

    (foto: Matt Brown)

    (foto: Matt Brown)

    - Hoe om te gaan met de veranderingen in het hoger onderwijs? De manier waarop we leren gaat sterk veranderen. Dat werpt vragen op over de kwaliteitscontrole. Een open vraag over de waarborging van diploma’s in een tijd van digitaal leren. Naar aanleiding van een discussie in de Eerste Kamer vroeg ScienceGuide senator Jan Anthonie Bruijn om zijn visie.

    Kort geleden behandelde de Eerste Kamer de wet ter bescherming van Namen en Graden in het Hoger Onderwijs. Daarbij kwam de toenemende mogelijkheid voor studenten aan de orde om door fysieke en digitale mobiliteit internationaal modulair of zelfs per vak of per docent hun individuele curriculum op te bouwen.

    De VVD-fractie stelde bij monde van Bruijn de vraag hoe dit zich in de toekomst zal verhouden tot de mogelijkheid en de wenselijkheid voor de Nederlandse overheid om toezicht te houden op de kwaliteit en doelmatigheid van het HO, de houdbaarheid van het nationale bekostigingsstelsel en de bescherming van namen en graden zoals geregeld in de WHW.

    In zijn antwoord betoogde de regering, dat de voortschrijdende internationalisering en digitalisering niet afdoen aan de mogelijkheid van de overheid om toezicht te houden op de kwaliteit en doelmatigheid van het HO en de houdbaarheid van het nationale bekostigingsstelsel. Maar Bruijn zet hier zijn vraagtekens bij. 

    Het nieuwe leren

    De onderwijspraktijk verandert voor onze ogen. Wij zien toenemend de ontwikkeling dat een student digitaal en straks met behulp van virtual of augmented reality per module en zelfs per vak of per docent onderwijs kan kiezen en genieten, al of niet via instellingen.

    Zo geeft een docent aan het conservatorium van Amsterdam nu al digitaal les aan een student in China, de twee gezeten aan twee digitaal aan elkaar geschakelde piano’s. Maar hetzelfde kan een docent doen in New York, onder auspiciën van het conservatorium van Amsterdam. Nog even, en die student in China weet die docent in New York rechtstreeks te vinden.

    Gezien de ontwikkelingen met virtual en augmented reality laat het zich daarbij aanzien, dat de kwaliteit van de digitale interactie en de uitwisseling van kennis en vaardigheden zal straks steeds minder onderdoen voor die van de fysieke ontmoeting. De technologische ontwikkelingen bewegen zich immers in de richting van betrokkenheid van steeds meer zintuigen bij virtual reality.

    Als die ontwikkelingen doorzetten, wordt de vraag of de voordelen van de virtuele onderwijssituatie het dan niet steeds vaker zullen winnen van die van de fysieke. En dat zal ons meer dan ooit bepalen bij de vraag waar fysieke aanwezigheid van docent en student samen, in dezelfde ruimte en tijd wenselijk en noodzakelijk is. Want dat die fysieke co-existentie een meerwaarde zal blijven houden staat volgens velen vast, ook al verschilt dit per onderwijssector en -deelsector.

    Maar die eis heeft ook een prijs. En die prijs zal steeds hoger worden. Kennelijk wegen de voordelen van de nog gebrekkige digitale ontmoeting nu zelfs al vaak op tegen die van de fysieke. Denk aan de voordelen ten aanzien van gepersonaliseerde curricula, wereldwijde toegankelijkheid, lage kosten, de international classroom en, niet in de laatste plaats, ontwikkelingssamenwerking.

    Spoccelen

    In zijn recente publicatie ‘Haalt de Universiteit 2040?’ noemt Bert van der Zwaan, rector van Universiteit Utrecht, de MOOC een tussenstation naar een global teaching pool met debundling van curricula en nieuwe onderwijsvormen zoals de small private online course: de SPOC.

    Van der Zwaan signaleert nu reeds in de VS een daadwerkelijke en zeer snelle verschuiving van de klassieke naar de digitale universiteit, vanwege de veel grotere mogelijkheden en de veel lagere kosten. Zo bieden gerenommeerde instellingen als Georgia Tech nu bijvoorbeeld al complete online masters in verschillende velden aan, voor een fractie van de reguliere prijs.

    De student Spoccelt zijn persoonlijke curriculum bij elkaar in zijn eigen tempo. Het eindexamen, de naam en de graad maken plaats voor  een instellings- en leerwegonafhankelijk toelatingsexamen voor een arbeidsmarkt, wat bijvoorbeeld het Amerikaanse artsexamen al is. Dat examen trekt zich niets aan van de vraag waar en in welk tempo de student zijn competenties bij elkaar heeft gespocceld. Het toetst ze.

    Innovatief, adaptief en rechtvaardig toetsen wordt dan steeds belangrijker. Daarbij moet de student zich staande houden in een enorm aanbod van kennis en onderwijsmateriaal en wordt de docent van goeroe een gids, zo betoogt van der Zwaan. En inderdaad, technologie is disruptief. Bij veel retailers heeft men lang volgehouden dat de klant redenen heeft om fysiek in de winkel te willen komen, maar bij velen bleek dat niet het geval en kwamen ze daar te laat achter.

    Nog geen tien jaar geleden maakten wij bij de Onderwijsraad en bij (ep-)Nuffic nog visiestukken over internationalisering die gingen over fysieke mobiliteit, talen en inhoud. Vandaag gaat het over digitaliseren: het nieuwe internationaliseren.

    Herevaluatie kwaliteitstoezicht

    Stel dat straks de student in het hoger onderwijs, ik laat het basis- en het  voortgezet onderwijs nog maar even liggen, het inderdaad de normaalste zaak van de wereld vindt dat hij zijn curriculum, geheel geënt op zijn eigen ambities en talenten, samenstelt door bij individuele instellingen verspreid in de wereld zijn onderwijs af te nemen. Of als hij dat rechtstreeks bij door hem geselecteerde docenten doet. De vraag is of wij daar dan op voorbereid zijn.

    Het zal een herevaluatie betekenen van de begrippen instelling, diploma, naam of graad, die de wet beoogt te beschermen. En van de rol van een nationale overheid in termen van kwaliteitstoezicht, instellingsbekostiging en het macrodoelmatigheidsvraagstuk.

    De regering wees er in de beantwoording van de bovengenoemde vraag hierover op, dat wanneer bijvoorbeeld een student buitenlandse vakken inbrengt in zijn of haar opleiding, het aan de betreffende examencommissie is om te beoordelen of dat kan leiden tot een vrijstelling van een vak.

    Zo werkt het op dít moment. Maar de houdbaarheid van die begrippen buitenland, vak, opleiding, examencommissie, instelling en vrijstelling staat ter discussie. Nu al lopen wij concreet aan tegen de spanning tussen internationalisering enerzijds en nationale bekostiging en macrodoelmatigheid anderzijds. Voordat wij het weten remmen we de mobiliteit van studenten en de bewegingsvrijheid van instellingen juist af. 

    Stelsel

    Als digitaliseren het nieuwe internationaliseren is, is de docent de nieuwe instelling. De SPOC wordt de nieuwe MOOC en virtual augmented reality de nieuwe international classroom. Als de zelfgekozen weg langs docenten het nieuwe curriculum is en als het individueel opgebouwde portfolio het nieuwe certificaat is, wat betekent dat dan voor de zekerheden die we als vanzelfsprekend achten? Namen en graden, instellingen, het duale stelsel, nationaal kwaliteitstoezicht, instellingsbekostiging, diplomavergelijking, joint degree, blended learning en doelmatigheid. Al deze concepten veranderen drastisch in een digitale en internationale context.

    Dit/Het is niet een vraag naar of een beoordeling van de wenselijkheid of de voor- en nadelen van de geschetste ontwikkelingen. Maar áls dit de weg zou worden, dan is de vraag of wij daar met onze wet- en regelgeving voldoende op zijn voorbereid. Wat is dan de houdbaarheid is van ons nationale, fysieke onderwijsstelsel in bredere zin?

    Wij zullen moeten zorgen dat dat stelsel voor onze jongeren niet anachronistisch, maar maximaal ondersteunend en toegankelijk is. Dat we hen niet remmen en in de weg lopen. Dat er geen toenemende kloof ontstaat tussen voorlopers en achterblijvers. Dat we niet ingehaald worden door landen die sneller meebewegen in die zeer competitieve, wereldwijze hoger onderwijsruimte die op ons afkomt of die er al is, inclusief, volgens van der Zwaan, de war on talent.

    Talent is over veertig jaar een stuk belangrijker dan opleidingsniveau, dat voorspelt in ieder geval het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Die talenten willen universiteiten en hogescholen graag binnenhalen: de jacht op de beste student is volgens het SCP geopend.

    Van die stelseldiscussie maakt ook de bekostiging een belangrijk deel uit. Als wij de leertrajecten van Nederlandse jongeren willen blijven bekostigen en als die trajecten toenemend zullen bestaan uit op allerlei plaatsen in de digitale wereld ingekochte onderdelen, dan lijkt een student-volgend systeem van vouchers of leerrechten onontkoombaar.

    Ook onderzoekers van het SCP hebben recent betwijfeld of universiteiten en hogescholen straks nog wel rechtstreeks bekostigd zullen worden door de Nederlandse overheid. “Een breed en volledig aanbod van publiek bekostigd hoger onderwijs ligt dan niet langer in de rede, met als gevolg dat het aandeel private financiering zal toenemen.” Al deze ontwikkelingen opgeteld kunnen ook leiden tot een stelsel waarin alleen de besten het redden. Het SCP waarschuwt niet voor niets dat de ongelijkheid zal toenemen, als er niets gebeurt om dit tegen te gaan. Daar zullen we heel scherp op moeten zijn.

    Toezicht

    Een andere, centrale vraag bij al deze ontwikkelingen is hoe het kwaliteitstoezicht zal worden geregeld. Hiervoor zijn verschillende scenario’s, of combinaties daarvan mogelijk. Als wij als samenleving grip willen houden op de kwaliteit van het hoger onderwijs, dan lijkt vooralsnog de bestaande combinatie van intern en extern horizontaal en verticaal toezicht de meest voor de hand liggende weg, het laatste via een landelijke inspectie en accreditatie via instellingen en een landelijke NVAO of andere autoriteit.

    Ook een instelling als Nuffic zal een belangrijke rol spelen vanwege zijn expertise op het gebied van internationale diplomavergelijking. Als steeds grotere delen van de daadwerkelijke curricula gaan bestaan uit digitaal elders in de wereld genoten kleinschalige onderwijseenheden, is de vraag hoe houdbaar zo’n systeem van kwaliteitstoezicht uiteindelijk is.

    Als je het scenario volgt dat van der Zwaan schetst en je in een stelsel van een oneindige variatie van gepersonaliseerde curricula zou belanden, dan zou landelijk georganiseerd kwaliteitstoezicht weleens niet alleen steeds belangrijker, maar tegelijkertijd ook steeds moeilijker kunnen worden.

    In dat scenario zal de toezichthoudende rol van de instellingen zelf toenemen. Zij kunnen immers het best zelf bepalen welk onderwijs zij van een kwaliteitsstempel voorzien en hun studenten kunnen daarop varen. Als dat door nog verder gaande diversifiëring van inhoud en studietempo uiteindelijk ook niet houdbaar is, dan zal de instelling door coaching en leerwegonafhankelijk toetsen de student kunnen begeleiden en een centrale rol kunnen gaan spelen bij arbeidsmarkt-specifieke toelatingstoetsen, conform het reeds genoemde artsexamen in de VS.

    Met leerwegonafhankelijk voortgangstoetsen wordt in Nederland al volop geëxperimenteerd in zowel hbo als wo. Het biedt innovatieve mogelijkheden tot correctie voor uitgangsniveaus en het bepalen van leerwinst of toegevoegde waarde als nieuwe definitie voor studiesucces en ‘rendement’ en als invulling van het begrip kwaliteit. Bovendien biedt het vrijheidsgraden die steeds interessanter worden vanwege het toenemend belang van duaal leren en ‘leven lang leren’ en de uitdaging die we nog steeds zien bij transsectorale overgangen, waarbij te veel studenten nog in de knel komen.

    Volgens het Sociaal Cultureel Planbureau zal het diploma in belang afnemen en zal het opleidingsniveau over veertig jaar meer dan nu een momentopname zijn, omdat ‘leven lang leren’ dan een vanzelfsprekendheid is. Op dit moment experimenteert het hoger onderwijs in Nederland met flexstuderen: betalen per studiepunt. Dit zou weleens de overgang kunnen inleiden naar een leven lang leren, waarbij de student geheel zelf bepaalt wanneer en waar hij zijn modules inkoopt. Innovatief toetsen hoort daarbij.

    Meerwaarde van de instelling

    Wat is in die nieuwe wereld dan nog de meerwaarde van de onderwijsinstelling? Het valt te verwachten dat die instelling nieuwe, belangrijke rollen krijgt, het is de fysieke basis van waaruit de student de digitale omgeving kan betreden, en de instelling is gids in dat digitale oerwoud van aanbod.

    Wellicht kunnen onderwijsinstellingen optreden als leerwegonafhankelijk examinerings- en certificeringsinstituut. We zien daar nu al de voortekenen van, nu studenten steeds vaker op de campus en in de bibliotheken lijken te verblijven en leerwegonafhankelijk toetsen al plaatsvindt. Daarbij zal geborgd moeten worden, dat de fysieke nabijheid van de docent mogelijk blijft daar waar die noodzakelijk is en dat digitalisering niet leidt tot verarming van het onderwijs.

    Immers, talentvol ben je niet alleen als je goed kunt leren. Sterker nog, het cognitieve aspect speelt straks nog wel een rol, maar wordt volgens het SCP minder bepalend voor maatschappelijk succes dan nu. Dat komt doordat computers steeds intelligenter worden. Vaardigheden die robots en computers missen en nooit zullen kunnen ontwikkelen, gaan zwaarder tellen. Mensen met een groot empathisch vermogen die goed kunnen communiceren behoren volgens het SCP tot de “winnaars”.

    Daarom zullen wij moeten kijken hoe wij zorgen dat we onze studenten ook in de digitale leeromgeving de zo noodzakelijke sociale inbedding, het persoonlijke contact en de extra-curriculaire community en microkosmos blijven bieden die nu bijvoorbeeld campus of studentenvereniging heet. Die zijn immers essentieel in hun Bildung en sociaal-culturele vorming. Daar hebben we de studenten zelf hard bij nodig.

    Keuzes

    Bij de recente aanscherping van de WHW werd de bescherming van namen en graden in het HO beter geregeld. Dit zou men als een tussenstap kunnen zien, als springplank voor een volgende fase. Naar het zich laat aanzien zullen we voorlopig nog wel met een mix van de geschetste scenario’s te maken hebben. Maar we zullen wel moeten nadenken over concrete agendapunten als de plaats van modulair of individueel aanbod, voucherbekostiging, internationalisering van de beleidsregel macrodoelmatigheid en het op de EU agenda zetten van het hoger onderwijs.

    Los van het precieze tempo en de precieze richting is het relevant om deze discussie te voeren, ook als de conclusie zou zijn dat het allemaal wel meevalt en zo’n vaart niet loopt. Want als het niet meevalt zullen wij het ons niet kunnen permitteren om af te wachten. Als wij ons niet wagen aan voorspellingen dan doen wij ons nageslacht zeker te kort. Aan ons de keuze hoe om te gaan met de veranderende wereld van het hoger onderwijs.

    Een ingekorte versie van dit stuk verscheen gisteren op NRC.nl.