• A
  • A
  • Prestatieafspraken gaan nieuwe fase in

    - “Het zou heel raar zijn als eerbiedwaardige instituties als hogescholen en universiteiten gaan wachten tot het departement zegt wat zij moeten doen”, aldus Wim van de Donk. Hij heeft zijn advies over kwaliteitsafspraken af en wil met verticale en vooral horizontale afspraken het hoger onderwijs laten innoveren.

    De ministerraad heeft vorig jaar augustus een commissie ingesteld om de prestatieafspraken te evalueren en om advies te geven over hoe nieuwe kwaliteitsafspraken eruit zouden kunnen zien. De commissie is in september aan de slag gegaan en het advies is vandaag aangeboden aan demissionair minister Bussemaker.  ScienceGuide sprak met Van de Donk die in het dagelijks leven commissaris van de Koning is in Brabant.

    Van de Donk legt uit dat de evaluatie een genuanceerd beeld geeft. “Wij hebben twee vragen van de minister gekregen. Kijk eens of het instrument van prestatiebekostiging gewerkt heeft en hoe in algemene zin de kwaliteitscultuur in het hoger onderwijs bevorderd kan worden. Het prestatiebekostigingselement is ooit ingezet mede om het stelsel in beweging te brengen. Na onze onderzoeken, procesevaluatie en online dialoog naar het instrument zien we dat het een orgie van nuances oplevert.”

    De commissievoorzitter wijst er wel op dat men in het hoger onderwijs niet stil kan gaan zitten. “Wij hebben nog steeds een stelsel dat in internationaal opzicht erg goed staat aangeschreven. Toch vraagt toekomstbestendigheid van het stelsel om een doorontwikkeling. Op het punt van digitalisering is de wereld snel aan het veranderen. Als je dan als universiteiten en hogescholen denkt: ‘Het zal mijn tijd wel duren’, ben je voor je het weet de V&D van de samenleving.”

    De bestuurlijke filter

    In hoeverre het instrument van prestatieafspraken ook daadwerkelijk doorleefd werd verschilde per instelling. “Soms zou je kunnen zeggen dat het instrument niet verder is gekomen dan de bestuurskamer van het College van Bestuur. Op andere plaatsen heeft het wel degelijk gezorgd voor een doorvertaling naar de werkvloer. De prestatiebekostiging is in gang gezet om het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek strategisch te prikkelen. Uit onze evaluatie blijkt dat daar onvoldoende van terecht is gekomen.” 

    Volgens de Van de Donk heeft de kwantitatieve kant van de prestatieafspraken te veel nadruk gekregen: “Bij het instrument is er wel erg de nadruk gelegd op kwantitatieve dimensies. Terwijl het verhaal achter de cijfers minstens zo belangrijk is. Universiteiten en hogescholen zijn als bijeffect wel uitgedaagd om beter de cijfers te monitoren en dat heeft per saldo geleid tot een verbetering van de administratie.”

    “Het was een experiment en het is heel goed dat het gebeurd is. We hebben nu een hele serie van leerervaringen en cijfers. Deze kunnen we gebruiken voor een volgende fase om te komen tot een systematiek die de gewenste ontwikkeling stimuleert van het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek, dat is onze kernboodschap.”

    Hoe nu verder?

    De commissie heeft tevens een advies gegeven over de vormgeving van de nieuwe kwaliteitsafspraken. Hierbij is het volgens Van de Donk belangrijk om samen op te trekken: “Als je stelt dat een vitaal stelsel van hoger onderwijs en onderzoek cruciaal is voor de doorontwikkeling van het land, dan moet de overheid niet aan micromanagement doen, en op detailindicatoren sturen."

    "Maak nu eerst een gezamenlijke visie en consolideer die. Er is al heel veel beschikbaar. We hebben het rapport Veerman, de Nationale Wetenschapsagenda en NLNext level van VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO Nederland. Ook hebben de koepels en studentenbonden hun gedachten op een rij gezet. Het punt is dat op dit moment al die stukken meer met elkaar in verband kunnen worden gebracht.”

    Boodschap aan de coalitie

    De commissievoorzitter doet dan ook een oproep aan een volgend kabinet om snel aan de slag te gaan: “In een volgend kabinet moeten de minister-president, de minister van Onderwijs en de minister van Economische Zaken een heldere en aansprekende lijn uiteenzetten. Wij hebben daar een cyclus voor ontworpen. Zo hebben we het nieuw te vormen kabinet geadviseerd zo snel mogelijk met alle stakeholders om de tafel te gaan en hier de volgende vragen te stellen: ‘Wat zijn de uitdagingen van de Nederlandse samenleving en wat verwachten we van onderwijs en onderzoek? Hoe kunnen we in de aansturing zorgen dat de doelen worden bereikt?’”

    “Daarbij moeten we meer toewerken van afvinken naar aanvonken. Je moet die instellingen uitnodigen en stimuleren om zelf plannen te maken. Hierbij is het van belang dat een instelling goed nadenkt over de toekomst. Wat is hierbinnen de bijdrage aan het veld en in de regio, en hoe past dit in die breed gedragen landelijke visie. Dat vraagt om een goed gesprek en een heldere koers die tot uitdrukking moet komen in een beleidsontwikkeling op macroniveau welke ruimte geeft aan instellingen om hun plannen ook te kunnen realiseren.”

    Volgens Van de Donk moeten de instellingen daar zelf ook toe in staat zijn: “Het zou heel raar zijn als eerbiedwaardige instituties als hogescholen en universiteiten gaan wachten tot het departement zegt wat zij moeten doen. De instellingen moeten in dialoog gaan met interne en externe ‘stakeholders’, want het blijven publiek bekostigde instellingen. Verantwoord nog meer op een kwalitatieve manier wat je doet als universiteit of hogeschool, en wat je bijdraagt aan de samenleving.”

    Om die monitoring van de plannen van de instellingen te beoordelen wordt er een nieuwe commissie in het leven geroepen, als opvolger van de Reviewcommissie. “Die regierol kan worden ingevuld door de instelling van de permanente commissie Kwaliteit en Innovatie Hogeronderwijsstelsel (commissie KIHOS). Die onafhankelijke en gezaghebbende commissie krijgt een wat zwaardere statuur en moet de minister van advies voorzien. Wij geven oriënterend aan welke organisaties daarin zouden kunnen zitten. Studenten kunnen een voordracht doen, de koepels, VNO-NCW/MKB-Nederland en de KNAW maar er moet bijvoorbeeld ook een lid in van de Europese Commissie of de OECD.”

    Horizontale en verticale dialoog

    Daarbovenop gaan ze ook de individuele instellingsplannen toetsen aan een kleine landelijke set van afspraken. “Van die commissie mag verwacht worden dat zij de instellingsplannen van hogescholen en universiteiten beoordelen in het licht van de gemeenschappelijke visie op het hoger onderwijs. Daar geldt ook weer, als een instelling iets doet dat daar volstrekt van afwijkt en interessant is dan kan dat prima. Een zekere mate van productieve eigenwijsheid is nog steeds gewenst. Dan geldt ‘comply or explain'.”

    De commissievoorzitter benadrukt wel dat eigenaarschap een cruciale rol speelt: “Het moeten wel de plannen van de instellingen zijn, en als commissie moet je een toets op metaniveau kunnen doen. Als een hogeschool of universiteit een instellingsplan indient waarin staat: ‘Ik heb daar met niemand over gesproken, ook niet met studenten en het relevante beroepenveld’, dan zouden wij dat merkwaardig vinden. Ik vind het heel belangrijk dat die commissie instellingen in staat stelt om goede instellingsplannen te schrijven.”

    Lakmoesproef

    “De taken van de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO) worden overgeheveld naar deze nieuwe commissie. Deze nieuwe commissie gaat ook stelselmatig kijken naar de macrodoelmatigheid van opleidingen,” zo legt Van de Donk uit. “Tijdens onze strategische evaluatie viel het ons op dat de huidige macrodoelmatigheidscommissie toetst aan het begin. Als je een nieuwe opleiding wilt beginnen dan moet je met je water bij de dokter komen en dan krijg je daar een ja of nee op. Daar worden verstandige adviezen over de arbeidsmarktrelevantie gegeven. Wel vinden wij het merkwaardig dat daarna niemand meer kijkt naar de macrodoelmatigheid van het bestaande opleidingenaanbod. Dat vinden we onverstandig.”

    Van de Donk geeft een voorbeeld: “Neem nou sommige letterenstudies op universiteiten. Die zijn soms heel klein in termen van studentenaantallen. Als meerdere instellingen hieraan vasthouden, wanneer komt dan het moment dat iemand zegt: ‘Is dit nu wel verstandig, met het oog op de kwaliteit van de opleidingen?’ Kun je instellingen niet prikkelen om meer samen te werken, zodat bijvoorbeeld kleine opleidingen niet overal worden aangeboden? Laten wij daar nu eens verstandig naar kijken.”

    Het is niet zo dat de commissie KIHOS opleidingen kan sluiten. “Het primaat blijft bij de instellingen. Wel kan zo’n commissie zeggen: ‘Zou dit nu niet op een andere manier kunnen worden georganiseerd ook in het licht van ontwikkelingen in de samenleving?’ Wij vinden het merkwaardig dat het begrip macrodoelmatigheid op bestaande opleidingen niet wordt toegepast. Als je dat wel doet dan moet je dat eigenlijk in de context van die landelijke strategische visie doen.”

    Betrekken van de hele sector

    De commissie constateert ook dat het bij de huidige prestatieafspraken nog onvoldoende gelukt is het bedrijfsleven te laten involveren in de planvorming. Dat moet nu anders: “Het was een opdracht van de prestatiebekostiging om het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties te betrekken bij het hoger onderwijs. Daar is echter nog niet overal voldoende  van terecht gekomen."

    "Dat soort processen komt veel meer aan op aanvonken dan op afvinken. Je kunt niet zeggen: ‘Hoeveel bedrijven heeft u gesproken?’ Je moet serieus geïnvesteerd hebben in een ecosysteem waarbij oude en nieuwe bedrijven de gelegenheid krijgen om mee te denken aan de ontwikkeling van het beroepenveld. Dat is een serieuze vraag die gesteld mag worden en die laat zich niet vangen in KPI’s. Daar moet je kwalitatief mee aan de slag.”

    Vrij maar niet vrijblijvend

    Volgens Van de Donk zijn er lessen getrokken uit de prestatieafspraken: “We hadden de merkwaardige situatie dat je wel beter presteert, maar toch straf krijgt. Dat is buitengewoon demotiverend. Wij draaien het om: je krijgt niet alles zo maar. Wij mogen van instellingen verwachten dat je je best doet om op geloofwaardige wijze een instellingsplan te maken, dat geld krijg je dan voorwaardelijk. Als de commissie dan zegt dat dit instellingsplan nog ruimte biedt voor verbetering dan verlies je ook niet automatisch het geld.”

    Wat de reacties zullen zijn van de koepels, de studentenbonden en bijvoorbeeld VNO-NCW/MKB-Nederland op dit advies weet Van de Donk niet precies, maar hij heeft wel een boodschap voor ze: “Ik weet het niet wat de reactie zal zijn. Voor een deel zullen ze aangeven dat ze blij zijn dat we niet meer op deze manier aan het werk gaan zoals we die hebben gezien.’  Aan de andere kant heeft de commissie ook een stevige boodschap voor het veld. In het rapport wordt vermeld: ‘Het geven van onderwijs is vrij, maar niet vrijblijvend.’”

    Tot slot spreekt Van de Donk het verlangen uit dat een volgend kabinet echt werk maakt van zijn advies: “Ik hoop dat we met een volgende minister en met een volgend kabinet echt geholpen hebben met de doorontwikkeling van het experiment. Maar ook de hogescholen en universiteiten zelf zijn nu aan zet. Wij hebben objectief in kaart gebracht wat de uitkomsten van het experiment hebben betekend. Wij vinden dat we tot een samenvattend oordeel zijn gekomen. Ik ben er dankbaar voor dat wij als commissie ook verder mochten kijken dan enkel de bruikbaarheid van het instrument. Het is namelijk ook de vraag of we wel de goede dingen doen voor de strategische doorontwikkeling van instellingen zelf én het stelsel als geheel. ”

    Frans van Heest