• A
  • A
  • Groeipijn plaagt uitbreiding ius promovendi

    (Foto: ScienceGuide)

    (Foto: ScienceGuide)

    - Verschillende partijen in de Eerste Kamer hebben de minister vragen gesteld over de praktische uitwerking en de noodzaak van het uitbreiden van het ius promovendi. Het lijkt er op dat Senaat minder makkelijk akkoord gaat met de uitbreiding dan de Tweede Kamer.

    Binnen de recent aangenomen internationaliseringswet wordt het zogenaamde ius promovendi stevig uitgebreid. Nederland moet volgens de Tweede Kamer internationale aansluiting zoeken wat betreft de vraag wie het recht heeft om de doctorstitel te verlenen. In Nederland behouden hoogleraren zich tot nu toe dit recht, in andere landen is dit niet beperkt tot de professor.

    Lees verder: het ius promovendi breidt uit, verslag en reacties.

    In de Eerste Kamer komt het wetsartikel voor enige tegenstand te staan. Vooral de noodzaak en de praktische uitvoerbaarheid zijn voor de Senaat een probleem. Dat de leden van de Eerste Kamer zich in dit geval ook heel precies over de praktische uitvoerbaarheid buigen valt te verwachten aangezien veel van hen het onderwerp kennen uit de dagelijkse praktijk.

    Bijna een derde van de volksvertegenwoordigers in de Senaat is gepromoveerd (20 van de 75 leden) waarvan de meerderheid het promotierecht ook met regelmaat toepast (13 van de 20 zijn hoogleraar). Dat staat in sterk contrast met de vorige Tweede Kamer (die het wetsvoorstel goedkeurde) waar aanzienlijk minder doctors (7 van de 150 leden) en slechts een hoogleraar zetelden.

    Praktische uitvoering

    De VVD-fractie voert de troepen aan met een bombardement van praktische vragen en bezwaren aan het adres van de minister. Uit de vragen blijkt duidelijk dat de fractie het nog niet ziet zitten om van de dagelijkse praktijk af te wijken: “Is het in de nieuwe situatie nog steeds de verantwoordelijk hoogleraar die eindverantwoordelijk groepsleider is en blijft? […] Zo nee, hoe verhoudt dat zich dan tot de eindverantwoordelijkheid van de hoogleraar voor het vakgebied?”

    Ook de D66 fractie ziet op dit punt beren op de weg. Zij zien een potentieel conflict tussen de verantwoordelijkheid van het onderhouden van een leerstoel aan de ene persoon en het aan een ander toekennen van het promotierecht: “[…] ongewenste spanning kan ontstaan tussen de aanwijzing van een promotor en de eindverantwoordelijkheid voor een vakgebied die in het Nederlandse bestel is toevertrouwd aan de zittende hoogleraren.” 

    De leden van de PvdA-fractie voegen zich bij deze vraag en “verzoeken de regering toe te lichten op welke wijze een hoogleraar zijn verantwoordelijkheid voor het onderzoek en het onderwijs kan waarmaken als hij niet als promotor eindverantwoordelijk is voor een promotieonderzoek.”

    Veel van de partijen laten weten zich zorgen te maken over het behoud van de kwaliteit van de begeleiding maar de VVD neemt veruit het duidelijkst stelling door te suggereren dat niet-hoogleraren minder goede begeleiders zijn: “[…] draagt het toegeven aan deze wens door het promotorschap naar niet-hoogleraren uit te breiden niet het risico in zich van een dalende kwaliteit van die begeleiding?”

    Volgens de VVD-fractie is het promotierecht bovenal een recht dat iemand moet verdienen, en vraagt zich af of men zich nog wel in zal spannen om hoogleraar te worden als het promotierecht wordt uitgebreid: “Voegt het ius promovendi aan het eind van het loopbaantraject niet juist toe aan de aantrekkelijkheid van het doorlopen van dat traject?”

    Invloed van de hoogleraar

    Enigszins vooruitlopend op de zaken wil een aantal partijen ook weten tot hoever de invloed van de hoogleraar zal reiken in de nieuwe constellatie. In de nieuwe wet wordt het College van Promoties van de universiteit het recht toegekend om promotoren aan te wijzen. Behalve de beperking dat een promotor zelf gepromoveerd moet zijn laat dit nog veel ruimte voor eigen invulling door de instelling.

    De PvdA-fractie vraagt aandacht voor deze onduidelijkheid en wil weten tot in hoeverre de status quo nu werkelijk doorbroken wordt: “Welke betrokkenheid en invloed heeft een hoogleraar binnen zijn vakgebied op de beslissing van het College voor Promoties wat betreft het verlenen van het promotierecht aan een andere medewerker dan deze hoogleraar?” Vergelijkbare vragen komen uit het kamp van de VVD, die wil weten of de hoogleraar van de vakgroep in staat blijft om de copromotor te bepalen.

    In een opvallend uitstapje wijst de PvdA-fractie het kabinet er op hun blik ook buiten de universiteit te keren: “Heeft de regering overwogen om in het licht van deze ambitie het mogelijk te maken promotierecht te geven aan bijvoorbeeld (gepromoveerde) lectoren die binnen een gezamenlijk onderzoekprogramma met de universiteit participeren en onderzoeken van promovendi begeleiden?” 

    Nut en noodzaak

    Toch is de boventoon in het debat dat verschillende partijen in de Eerste Kamer niet overtuigd zijn dat een uitbreiding van het ius promovendi nodig is. Waar de Tweede Kamer aandringt op internationale aansluiting stellen partijen in de Eerste Kamer vragen, mede op basis van een advies van de Raad van State, over de werkelijke omvang van het probleem.

    “Waaruit blijkt dat er momenteel een significant aantal gevallen zou zijn waarin onderzoekers niet in Nederland zouden willen komen of blijven werken vanwege het ontbreken van het ius promovendi voor niet-hoogleraren?” zo wil de VVD weten. Ook D66 ziet weinig concreet bewijs voor een afschrikwekkende werking van het huidige promotierecht: “Zou de regering kunnen aanduiden in welke mate zich hier thans problemen voordoen?” en vraagt zich af: “of er wel sprake van een echt probleem is dat nieuwe wetgeving noodzakelijk maakt.”, een gedachte waarin zij steun vinden bij de GroenLinks-fractie.

    Demissionair-minister Bussemaker is nu aan zet om de vragen te beantwoorden. Naar verluidt zal de Eerste Kamer morgen geen enkel wetsartikel controversieel verklaren. Het is echter niet waarschijnlijk dat de Senaat de wet zal blokkeren. Wel zullen er heldere antwoorden moeten komen van OCW. 

    Sicco de Knecht