• A
  • A
  • Kennis sprokkelen is armoede

    (Foto: Inholland)

    (Foto: Inholland)

    - Wat gaat digitalisering in het hoger onderwijs ons brengen, en voor welke belangrijke keuzes staan we? Jet de Ranitz en Ad de Graaf reageren op de vragen die eerder op ScienceGuide werden gesteld.

    Op 31 maart introduceerden VVD-senator Jan Anthonie Bruijn en Sicco de Knecht in de NRC de student als ‘kennis-spoccelaar’: de student die een digitale omgeving betreedt waarbij de hogeschool of universiteit als gids fungeert bij het volgen van Small Private Online Courses (SPOCS). Talent wordt volgens hen belangrijker dan opleidingsniveau en ‘de jacht op het beste talent is geopend’. Daarbij past een andere manier van financiering van het hoger onderwijs. ‘Een student-volgend systeem van vouchers of leerrechten lijkt onontkoombaar’.

    Lees verder: de uitgebreide versie van het opinieartikel.

    Terecht zwengelen Bruijn en De Knecht de discussie aan over de betekenis van digitalisering voor het hoger onderwijs. Hun vragen zijn relevant. Helaas ontbreken er drie fundamentele zaken die wezenlijk zijn voor het hoger onderwijs dat wij voor ogen zien.

    Waar blijft de brede vorming?                                                                    

    Individualisering, vakken, modules, vouchers, ‘global teaching pool’, jacht op de beste student zijn begrippen die centraal staan in het gedachtengoed van de schrijvers. ‘Mensen met een groot empathisch vermogen die goed kunnen communiceren’ worden de winnaars. Het beeld doemt op van de vlotte babbelaars die van alles en nog wat bij elkaar hebben gesprokkeld en vooral over vaardigheden beschikken ‘die robots en computers missen’.

    Maar waar blijft de reflectie, waar blijft de brede vorming, waar blijven de ethische vraagstukken, waar blijft de ‘bildung’? Hoe voorkom je dat het sprokkelen verwordt tot een oppervlakkige stapeling van SPOCS  van een student die zijn of haar eigen leerweg zoekt in de genoemde ‘global learning pool’? Kortom, waar is de samenhang?

    Brede vorming, het leren reflecteren, het kritisch bejegenen van informatie om kennis te kunnen onderscheiden van feitjes en als maatschappelijk verantwoordelijk professional werkzaam te kunnen zijn, vormen een onmisbaar onderdeel van elke opleiding. Wie wil innoveren moet weten in welke traditie hij staat, om hem overtuigend omver te werpen. Zich rekenschap geven van andere spelers op het veld. Niet alles wat kan, is gewenst. Dit vraagt inbedding in een gemeenschap van waarden, die je niet kunt ontdekken als je het geheel niet kunt overzien. Dit hebben wij niet bespeurd bij Bruijn en De Knecht.

    Wat is de rol van de docent?

    We moeten president Trump dankbaar zijn voor de introductie van het begrip ‘alternative facts’.  Het is natuurlijk niet nieuw, maar we werden wel weer even op de feiten gedrukt. Informatie is overal in onze digitale omgeving te vinden. Maar wat is waar en wat is onwaar? Wat is eigenlijk de betekenis van het begrip ‘waarheid’? Neem diezelfde president Trump over zijn feiten en zijn waarheid over het klimaat. “Need we say more….?”

    Wie bepaalt welke online modules aan de maat zijn? Volgens Bruijn en De Knecht worden hogeschool en universiteit een gids in het digitale oerwoud. Maar wat is dat voor gids?

    Is het een bureau dat modules van anderen beoordeelt en van een fiat voorziet? Of een studiebegeleider met een groot empathisch vermogen die studenten helpt om goed te kunnen communiceren? Of hebben studenten wel degelijk behoefte aan inhoudelijk gedreven professionals die goed zijn in hun (brede) vakgebied en die niet alleen begeleider maar ook leermeester zijn? Wijzen zij ook op het risico van social media bubbels door algoritmes die bepalen welke content we zien?

    De rol van de docent wordt steeds complexer. Als begeleider en als leermeester, als pedagoog en als vakinhoudelijk expert. In de discussie over het digitale oerwoud moet het docentschap een belangrijke plaats innemen. Vanzelfsprekend integreert een goede opleiding ‘online toppers van het vakgebied’ in het lesmateriaal; is er online herhalings- en verdiepingsstof al naar gelang de student moeite heeft met de stof of juist extra uitdaging wil; en natuurlijk kan een student ook online modules van elders laten meetellen, mits die goed genoeg zijn. Een toets op samenhang en kwaliteit is wel vereist. En dat vergt inhoudelijke expertise van de docent. De inhoudelijke visie van de opleiding geeft zowel de student als de docent houvast en maakt profilering mogelijk.

    “Survival of the fittest” of “gelijke kansen”

    Buitenlanders studeren graag in Nederland, zo kopte een landelijk ochtendblad 30 maart. Digitalisering en internationalisering zijn belangrijke speerpunten van ons hoger onderwijs, dus dit is mooi. Maar hoe zit het met het derde speerpunt, de gelijke kansen? Sneeuwt dat onder in ‘the war on talent’? Wordt studeren in Nederland een soort ‘survival of the fittest’ waarbij de mbo’er die naar een hogeschool wil (gelijke kansen, hoger onderwijs voor velen) wordt ingeruild voor het buitenlandse toptalent?

    Geen misverstand, buitenlandse studenten zijn een waardevolle aanvulling op onze brede studentenpopulatie, maar Bruijn en De Knecht lijken te lijden aan hetzelfde euvel als de bedenkers van het studiehuis of het doorgeslagen competentiegerichte onderwijs. Het is geënt op een beeld van een deelpopulatie van onze jong-volwassenen waarvan de ouders ook zelf hoger onderwijs hebben genoten. Studenten met een hoge motivatie die zichzelf wel kunnen redden. Maar hoe zit het met de studenten bij wie het niet vanzelf gaat? Voor wie zelfredzaamheid en studievaardigheden niet vanzelfsprekend zijn? Of wie de steun van thuis ontbeert? Zijn we de Staat van Onderwijs van de Onderwijsinspectie weer vergeten waarin de toename van de ongelijke kansen in het onderwijs werd beschreven?

    Bruijn en De Knecht wijzen terecht op de kansen die digitalisering biedt. Maar instellingen zijn méér dan een gids; ze borgen toegankelijkheid, bildung, samenhang en emancipatie.

    Jet de Ranitz is bestuursvoorzitter van Inholland, Ad de Graaf isvoormalig directeur Vereniging Hogescholen.