• A
  • A
  • Lerarenregister gestoeld op wantrouwen

    - Oud-inspecteur generaal van het onderwijs Ferdinand Mertens duikt in de herkomst van beleidsmiddelen om docentkwaliteit te beoordelen, zoals het lerarenregister. “Niet alleen de beleidsuitingen zelf zijn van belang maar juist ook de gedachtewereld waar ze uit voortkomen.”

    U leest de bijdrage van Ferdinand Mertens aan het Lerarendiscours hieronder:

    Jacques Wallage opent het Lerarendiscours en doet dat uiteraard met een historische aanloop. Die geeft mij geen aanleiding tot het maken van opmerkingen want ik was dicht in de buurt van hem in de tijd waarover hij vertelt. 

    Lees hier het interview met oud-staatssecretaris Jacques Wallage 

    De leraar had in de jaren die aan Ritzen-Wallage vooraf gingen al enkele belangrijke tegenslagen moeten incasseren. Een diep litteken werd geslagen door het zogenaamde HOS akkoord uit 1985 waardoor de aanvangssalarissen van leraren aanmerkelijk verslechterd werden en loopbaanzekerheden verminderd werden. Eerder was de professionele grondslag van de leraar al aangetast door het toenemende belang dat toegekend werd aan zogenaamde objectieve studietoetsen. 

    De bevooroordeelde docent 

    Het oordeel van de leraar over leerlingen werd indertijd gezien als subjectief: gekleurd door culturele vooroordelen en verre van professioneel te verantwoorden. Tot op de dag van vandaag kleurt die veronderstelling het werk van leraren, en in de discussie over de gelijke kansen in het onderwijs wordt dit keer op keer herhaald. Daarbij wordt verondersteld dat er in de laatste veertig jaar niet geleerd is in de oordeelsvorming over leerlingen meer zorgvuldigheid te betrachten. 

    En dus vinden we dat leraren vijftig jaar geleden bevooroordeeld waren en - dat ze dat nu nog zijn! En dus zijn er afvinksystemen, externe toetsen en andere meetinstrumenten. Het idee van een lerarenregister past ook in dit rijtje van verkeerde instrumenten. Ik ben het dan ook helemaal eens met Wallage dat de beoordeling van de kwaliteit van de leraar en de ontwikkeling die deze in de loopbaan doormaakt een zaak moet zijn van de school als professionele werkgever. Maar dan moeten de werkgevers wel een eenduidig en consistent signaal krijgen dat ze daar verantwoordelijk voor zijn en dat ze zich daarover ook verantwoorden. 

    Ondersteunende diensten die hij suggereert lijken me daar niet voor noodzakelijk omdat de bestuurlijke schaal in het onderwijs een professioneel werkgeverschap mogelijk maakt dan wel mogelijk moet maken. Het lerarenregister is een instrument uit een ander verhaal. Dat verhaal kan ook, maar dan gaan we terug naar een gecentraliseerd uniform systeem. 

    Alle leraren een onvoldoende 

    Vorig jaar was het vijftig jaar geleden dat Ad de Groot’s Vijven en Zessen [1] verscheen. Naar aanleiding daarvan heb ik dat boekje nog eens herlezen. Ik ben me rot geschrokken! De Groot geeft een snoeiharde be(/ver-)oordeling van het Nederlandse onderwijs en in het bijzonder van de leraar. 

    Ze krijgen allemaal een onvoldoende van hem en hij ziet ook geen andere mogelijkheid dan zoals hij het noemt, objectief toetsen van leerlingen. Het was het begin van de introductie van een aantal nieuwe technieken maar die ook wantrouwen met elkaar gemeen hadden. Het was het begin van het Cito, de multiple choice, de studiepunten, de studielast, het meten, de afvinkcultuur en allerlei andere vaste onderdelen van het huidige onderwijs. 

    Na De Groot kwamen er nog andere psychologen in beeld die eigenlijk allemaal niet veel op hadden met ‘de leraar’ en het liefst een onderwijs wilden waarin de leerling de meester zou zijn van zijn eigen onderwijsproces. 

    De objectieve wetenschappelijke toets 

    Een van de in het hbo meest bekende ‘vertolkers van die benadering was wijlen Prof. Winand Wijnen, die zijn positieve ervaringen uit de Universiteit van Maastricht generaliseerde naar het hele Nederlandse onderwijs. Hij hield daarbij weinig rekening met de condities die voorwaardelijk zijn om het onderwijsidee dat hem voor ogen stond waar te maken. Maar we hielden er wel zijn zinnetje aan over “de leraar praat te veel”. Dat was en is misschien zo, maar voor de leraar niet opbeurend! 

    De diagnose die De Groot in 1966 van het Nederlandse onderwijs gaf werd door velen herkend en als juist ervaren, ook al overdreef De Groot en stelde hij het Nederlandse onderwijs als een internationaal achterlijk geheel. Maar door de ‘objectieve wetenschappelijke toets’ als de oplossing voor te stellen voor alle problemen die het onderwijs kende was onverantwoord want speculatief. 

    De Groot had een heel groot geloof in de mogelijkheden van een empirisch-rationele benadering van de onderwijsvraagstukken maar de ervaring heeft laten zien dat hij daarin te optimistisch was. “De onderwijsonderzoeker past bescheidenheid”, zoals Prof. Wim Jochems het formuleerde bij zijn afscheid aan de TU Eindhoven in 2012 [2] nadat hij toch zo’n veertig jaar in het voetspoor van De Groot gewerkt had. 

    Ruud Klarus stelt in zijn inspirerende essay ‘Onderzoekend Beroepsonderwijs’ dat het toetsen zoals De Groot voorstelde verworden is tot een selectiemechanisme [3]. Ook in mijn zienswijze is het ‘Vijven en Zessen’ denken te zien als een ‘game changer’ die leidde tot een benadering van onderwijs gebaseerd op een beperkt, gereduceerd rationaliteitsbegrip. 

    Lerarenregister centrale bureaucratische ordening 

    Gelet op de aandacht die er is voor denkers als Klarus en Biesta – als voorbeelden – is er zeker sprake van een kentering. Maar het woekert voort, zoals Bormans en Dekker (2016) stellen, omdat het hier bekritiseerde onderwijskundig denken verweven is geraakt met de beleidsmatige beheersing [4]. Om dat te ontwarren zullen er nog heel wat ‘essays’ in het HBO geschreven moeten worden.

    Het lerarenregister is een instrument in een centrale bureaucratische ordening van het onderwijs. Wanneer verantwoordelijkheid en vertrouwen gegeven wordt aan instellingen dan kunnen zij die verantwoordelijkheid alleen dan waar maken wanneer ze er ‘over gaan’. 

    Het personeel, en zeker de docent, kan dan niet aan de instelling onttrokken worden om ze te onderwerpen aan een mechanisme dat uitkomsten produceert die door de instelling klakkeloos aanvaard moeten worden. De professionele identiteit van de leraar zal er niet meer volwaardig door worden en de instellingsbesturen, in het slechtste geval, krijgen een argument om zich achter te verschuilen. 

    Terug naar Jacques Wallage: het is voor goed begrip van waar we nu zijn belangrijk de (beleids)geschiedenis van het onderwijs in te duiken. Daarbij zijn zeker niet alleen de beleidsuitingen van belang maar juist ook de gedachtewereld waar ze uit voortkomen [5]. 

    Ferdinand Mertens is voormalig oud-inspecteur-generaal van het onderwijs


    [1] AD de Groot – Vijven en Zessen / Cijfers  en beslissingen: het selectieproces in ons onderwijs. Groningen, 1966/1972 – 7de druk.

    [2] Prof. Dr. Wim Jochems – Bescheidenheid past de onderwijsonderzoeker – Eindhoven School of Education, 2012

    [3] Ruud Klarus – Onderzoekend Beroepsonderwijs / Terugkijken met het oog op morgen. Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, 2016. pg. 13

    [4] Zie pg. 103/104 van Ron Bormans/Izaak Dekker – Samen Leven in de moderne samenleving. Hogeschool Rotterdam, 2016

    [5] FerdinandJH Mertens – ‘Vijven en Zessen’  van Prof. Adriaan de Groot: een boekje dat geschiedenis maakte. Wolf Legal Publishers, 2016.