• A
  • A
  • Het innoveren van het leren

    (Foto: Patrick Kelly)

    (Foto: Patrick Kelly)

    - Bij het verbeteren van het onderwijs in het mbo komen allerlei tools voorbij maar het verbeteren van het leren zelf blijft vaak onderbelicht zien lectoren Frank de Jong (Aeres) en Marc Coenders (NHL). Zij pleiten voor een grondige innovatie van leren in het beroepsonderwijs.

    Het mbo en hbo staan in het middelpunt van de belangstelling. Het mbo heeft een omvang van bijna 500.000 studenten op uiteenlopende niveaus. Nemen we daarbij ook nog eens de omvang van het hoger beroepsonderwijs dan is het opmerkelijk dat deze onderwijssector lang niet altijd goed gekend is. Het netwerk van hoogleraren en lectoren beroepsonderwijs schrijft daarom een serie bijdragen aan ScienceGuide.In deze zesde bijdrage bespreken Frank de Jong en Marc Coenders het vraagstuk van het leren innoveren. Zij bepleiten een vergroening van het leren en behendigheid in het toepassen daarvan.

    Lees ook de eerste,tweedederde, vierde en vijfde bijdrage in deze reeks over het mbo.

    Leren begint voor een kind met het betekenis te geven aan alles wat het ziet, hoort, voelt en meemaakt. Eenmaal op school wordt kinderen vaak afgeleerd zelf na te denken en vragen te stellen bij datgene wat ze ervaren. Betekenissen van anderen worden belangrijker, net zoals het kunnen reproduceren van informatie en waarden.

    Als de nadruk overwegend komt te liggen op reproductie zonder koppeling met eigen interesse en ervaring, dan kan bij leerlingen het idee ontstaan dat kennis iets is dat buiten hen staat. Zo ontstaan beperkende beelden over leren die gepaard gaan met een consumptieve houding (‘zeg maar wat ik moet doen’) en nabootsing (nauwelijks transfer van het geleerde naar nieuwe vraagstukken).

    Alle onderwijsveranderingen ten spijt wordt leren nog steeds gezien in termen van  ‘kennisoverdracht’, de individuele ontwikkeling en opleiden tot beroepskwalificaties. Leren wordt niet gezien als het toegang krijgen tot werkpraktijken, daarin participeren en bijdragen aan de ontwikkeling ervan.

    Ellen Klatter en Marc van der Meer (in Scienceguide, deze reeks) grijpen terug op John Dewey’s gezichtspunt dat leren niet de ‘veilige overdracht van stukjes informatie’ van de ene persoon naar de andere betreft, maar een proces is van ‘het samen beelden ontwikkelen’. Samen beelden ontwikkelen betreft het innoveren van het leren zelf.

    Leren anders gaan waarderen

    Alhoewel de maatschappij van nu er echt anders uitziet dan in Dewey’s tijd, is zijn stelling nog steeds actueel: een maatschappelijke crisis is ook een onderwijscrisis. Dewey kwam tot een innovatie van het leren door ‘simulatief’ semi-authentieke leersituaties te creëren. Leerlingen runnen bijvoorbeeld zelf een winkel in de school, in plaats van dat ze klassikaal informatie van docenten instampen. Het onderwijs staat in principe in dialoog met de samenleving maar het lijkt er soms op dat het onderwijs zich hiervan isoleert. Om leerlingen goed voor te bereiden op de toekomst, zou het onderwijs zelf kunnen bijdragen aan maatschappelijke ontwikkelingen. 

    Responsiviteit zien wij als het betekenisvol omgaan met informatie die op ons afkomt. Die responsiviteit heeft een ‘dubbel gebonden’-karakter. Bijvoorbeeld leren ondernemen is leren winst te maken én leren verantwoord te produceren. Die twee bijten elkaar weleens. Dat maakt dat we nooit vanuit één positie kunnen bepalen wat goed is. Oorzaak en gevolg van allerlei ontwikkelingen lopen vaak door elkaar heen.

    Innoveren van het leren is geen kwestie van leerlingen en studenten andere dingen laten doen. Dat is altijd aan de orde. Het gaat er om na te gaan welke waarde wordt gecreëerd in het onderwijs. We dienen in gesprek met elkaar te gaan over hoe het een of het ander wel of niet bijdraagt aan onze samenleving. In die gesprekken hoeven we het niet altijd met elkaar eens te zijn, maar moeten we de betekenis van gezamenlijkheid en groepscognitie doordenken.

    De verschillende perspectieven zijn daarin juist verrijkend voor de algemene en persoonlijke ontwikkeling van de deelnemers. Deze responsiviteit van het beroepsonderwijs zien wij vooral in het vergroenen van het leren, het leren duurzaam en circulair te handelen; als ook in de behendigheid het in leren tijdens het werk: wendbaar zijn ten aanzien van oplossingsrichtingen en werkwijzen.

    Behendigheid in leren

    Deze multidisciplinariteit keert terug in de zoektocht naar innovaties in het bedrijfsleven. Daar zijn werknemers nodig die samen, over sectoren heen en met andere disciplines creërend kunnen denken. Aan nabootsend denken is minder behoefte, dat kunnen computers ook. Leren moet weer denken worden, betekenis geven aan wat we weten en nog niet weten. Een leren dat responsief is en uitnodigt actief mee te doen in plaats van te reageren op ontwikkelingen om je heen. Het beroepsonderwijs staat vaak aan de zijlijn van ontwikkelingen, omdat meedoen een heel directe inbreng en inspanning vraagt.                                          

    Het proces van leren als betekenis geven gaat verder dan het enkelvoudig delen van informatie: Je moet dat eens lezen, of: Ga eens naar die website”. Het behoeft een proces van gronden: wat bedoel je als jij leren zegt en wat bedoel ik als ik leren zeg? Pas daarna kan het doorgronden van de verschillen plaatsvinden. De innovatie van leren betreft een transitie van individuele cognitieve kennisconstructie en van kennis-vertellen in het onderwijs, naar kennis creëren met anderen in de praktijk waar het onderwijs aanwezig is.

    De momenten van discontinuïteit vormen daarbij de aanleiding tot leren. Dat kan een beweging in het denken betreffen, zoals het loslaten van bepaalde opvattingen of het tot je nemen van een ander perspectief, maar ook een beweging in houding, het overgaan op een andere procedure of het inzetten van een nieuw hulpmiddel. Het kunnen leren in dergelijke praktijksituaties, samen met anderen, is een behendigheid die we leerlingen en studenten willen meegeven.

    Vergroenen van het leren

    Dewey’s gezichtspunt dat een maatschappelijke crisis ook een onderwijscrisis betreft, geldt ook voor de huidige sociale en ecologische uitdagingen. De huidige periode legt wederom een crisis in ons denken bloot. De gevestigde orde weet amper te reageren op populistische trends, of vorm te geven aan een meer planet, people, prosperity - benadering, in plaats van aan enkelvoudige profit of aandeelhouderswaarde. In de kabinetsformatie is er een roep om ‘nu eens echt werk te maken van een vergroening van de economie!’ 

    Dit denken is holistisch, maar niet naïef. Bedrijven als Interface (uitvinder van de Heuga-tapijttegels) hanteren de natuur als model en maatstaf voor de bedrijfsvoering. Het gaat niet alleen om recycling van tapijttegels, maar ook om het nadenken over het gebruik van grondstoffen en productiewijzen. Vervuilende visnetten kunnen als grondstof dienen voor de tegels. De lijm onder de tegels kan bijvoorbeeld vervangen worden door een milieuvriendelijk en aan de natuur ontleend klitsysteem. Het gaat om de totale levenscyclus van grondstof tot consument.

    Welk beroepsonderwijs is nodig om dit circulaire en holistisch denken te ontwikkelen? Als we zeggen dat het innoveren van het leren groen is, dan bedoelen we dat het onderwijs inhoud en individuele ontwikkeling koppelt aan de ontwikkeling van de community. Zelfbewuste lerenden, zijn niet cynisch maar nemen verantwoordelijkheid voor het grotere geheel.

    Er is behoefte aan een leren dat studenten stimuleert zich te ontwikkelen tot competente kenniswerkers, creatieve en vaardige denkers en doeners, die bij kunnen dragen aan de ‘vergroening’ van het bedrijfsleven en de samenleving en daarmee aan het welzijn en welvaart in de toekomst.

    Dat betekent ook dat leren denken ten grondslag ligt aan gewetensvorming voor deze tijd. Kohnstamm stelde reeds dat de opgave van het onderwijs is om ieder mens te leren denken onder eigen verantwoordelijkheid. Die eigen verantwoordelijkheid behoeft wel een uitbreiding naar de verantwoordelijkheid voor de samenleving, waardoor we het innovatieve vermogen vergroten. Daarbij kunnen we aansluiten bij reeds bestaande noties van community leren, community of practice en knowledge building community.

    Leren verdient een innovatie naar ‘collectief betekenisvol leren’

    Docenten vinden leren in de vorm van samen betekenisgeven moeilijk. Van der Klink en Niewenhuis beschrijven in Scienguide aan de hand van hun constructieve conflict prachtig wat collectief leren betekent voor teamleren: “Diversiteit binnen het team is uitgangspunt en er vindt een dialoog plaats om verschillende ideeën tegen elkaar af te wegen”. Zij constateren dat een dergelijk constructieve dialoog niet gemakkelijk is: “Veel teams zijn echter niet in staat de dialoog met elkaar op te zoeken en blijven steken in het delen van kennis.”.

    Als docenten leren in de vorm van samen betekenis geven al moeilijk vinden, dan is dat zeker niet minder ingewikkeld voor leerlingen en studenten. Dat roept de vraag op hoe dit type leren bij hen op gang te brengen. Genoeg werk aan de winkel voor lerarenopleidingen, maar niet zonder een innovatie van het huidige, op het individu georiënteerde, leren naar een collectiever leren. Daarvoor moet leren een onderwerp van gesprek worden bij docenten, onderwijskundigen, leidinggevenden, beleidsmakers en onderzoekers.

    Dit leren is wel constructief, maar hoeft niet conflictueus te zijn. Meer nog dan een dialoog is het leren een responsief discours dat betekenis geeft aan ontwikkelingen en informatie om ons heen. Dat wil zeggen het met elkaar ontdekken welke ‘bedrijfs-maatschappij-natuur’-beelden er in theorieën, productiewijze, vaardigheden schuilgaan. Welke oplossingen zijn voorhanden? Of gewoon: hoe verbeteren we ons handelen?

    De kennisketen dient tevens een sociale leercyclus te zijn. Alleen op die manier ontstaat er een responsief discourse waarin met elkaar gesproken wordt over kansen en bedreigingen die op ons afkomen. Meer dan vroeger geeft het onderwijs duidelijk vorm aan de toekomst. Wetenschappelijke kennis over klimaat, gezondheid en economie dient sneller in de beroepsvorming en professionele praktijken opgenomen te worden. Dit kan alleen in de vorm van werken-door-leren, waarbij het leren, als onderdeel van het werk, niet wordt geëxternaliseerd naar trainingen en opleidingen, maar juist wordt bevorderd en gevolgd in de praktijk.

    Met elke handeling ondergaat kennis een mutatie. Mensen kunnen niet anders dan kennis construeren. Het werken-door-leren is een leren dat constructief en productief is, doordat kennis bijdraagt aan het beter worden in je vak. De sociale theorievorming over constructivisme, communities of practice en netwerkleren geven aan dit denken over leren een stevig fundament.

    Praktische tips

    Studenten in een kenniscreërende groep laten leren, gaat niet vanzelf. Dit leidt tot transformatie in het denken over leren, tot een andere kijk op de praktijk bij studenten en vergt van docenten ook een kenniscreërende of modellerende rol. Onze ervaring met het jaren werken aan knowledge building principes (Scardamalia, 2002, Bereiter & Scardamalia, 2016) heeft ons de volgende handgrepen opgeleverd:

    • Begin bij de eigen ideeën van leerlingen en studenten en laat hen op basis daarvan direct heterogeen samengestelde groepen vormen, met een gezamenlijk onderwerp, vraagstelling et cetera, waarover ze samen meer willen weten.
    • Werk vanuit de groep naar het individu (en niet andersom): leerlingen en studenten lezen en leren dan meer met het oog op wat het bijdraagt aan hun collectie vraag en ideeën, en bouwen samen hun kennis uit.
    • Laat leerlingen en studenten hun ideeën uitproberen in de praktijk, laat ze ontdekken wat wel en niet werkt.
    • Geef als eindopdracht het ‘expliciteren van een gezamenlijk inzicht’ (een conceptueel artefact: een werkstuk, toneelstuk, tekening, model, schema…).
    • Ga publiek: Laat ze hun eindwerkstukken ‘publiceren’ delen met anderen; presenteren, Wiki, YouTube, aan bedrijfsleven, in de gemeenschap, et cetera.
    • Laat ze in een persoonlijk werkstuk beschrijven hoe hun eigen ideeën zijn ontwikkeld en hoe dat samenhangt met het groepsinzicht.
    • Modelleer als docent door zelf ook een in gesprek te gaan met collega’s over het onderwerp en een theorie te bouwen; geef studenten actieve toegang tot het volgen en meedoen aan dit gesprek. Ze zien dan hoe een dergelijk inhoudelijke discourse gaat, en kunnen elementen ervan verbinden met hun eigen collectieve gedachtenvorming.

    Frank de Jong is lector Responsief Onderwijs op Aeres Hogeschool en Marc Coenders is lector Wendbaar Vakmanschap op NHL Hogeschool

    Referenties

    Marc Coenders (2016). Behendigheid in Leren: Ruimte, Richting en Ritme (lectorale rede). Leeuwarden: NHL Hogeschool.

    Frank de Jong (2015). Understanding the difference. Responsive education: A search for 'a difference which makes a difference' for transition, learning and education. Wageningen: Stoas Wageningen | Vilentum Hogeschool.