• A
  • A
  • Kansen voor onderzoek in het mbo

    - Na het hbo, groeit ook in het mbo de interesse voor onderzoek en onderzoekend werken. Lectoren Henk Ritzen, Niek van den Berg en Peter den Boer kijken welke stappen gezet moeten worden om dit te verstevigen. "Breng mensen uit verschillende disciplines samen en ontwikkel een onderzoeksagenda."

    Het beroepsonderwijs (vmbo, mbo en hbo) staat in het brandpunt van de belangstelling. Tegelijkertijd is er veel onbekend over deze sector. Het netwerk van hoogleraren en lectoren beroepsonderwijs schrijft daarom een serie bijdragen aan ScienceGuide. In deze bijdrage doen de lectoren Henk Ritzen, Niek van den Berg en Peter den Boer verslag van een wereldcafé over onderzoek doen in het mbo: ‘geen vaste overtuigingen, maar nieuwsgierigheid gevraagd!’ 

    Aanleiding 

    In het mbo groeit de belangstelling voor onderzoek en onderzoekend werken. In haar brief van 14 september 2015 aan de Tweede Kamer over ‘Een responsief mbo voor hoogwaardig vakmanschap’ wakkerde minister Bussemaker die belangstelling nog eens aan met de introductie van lectoraten in het mbo. Zo’n mbo-lector zou volgens haar een brug kunnen slaan tussen onderzoek en praktijk en meer focus kunnen aanbrengen in keuzes die mbo-instellingen maken om hun onderwijskwaliteit te verbeteren. Het netwerk lectoren en hoogleraren beroepsonderwijs bracht onderzoekers en mbo-instellingen tijdens de CVI-conferentie samen om dit thema nader te bespreken. 

    Een eerste ontmoeting vond plaats bij een CVI-preconferentie in 2016 in Groningen. Daar spraken 78 deelnemers (medewerkers van de beleidsdirectie MBO van het Ministerie van OCW, professionals van mbo-instellingen, en onderzoekers, lectoren en hoogleraren beroepsonderwijs) met elkaar over kansrijke initiatieven. Sommige mbo-instellingen hebben door instelling van practoraten[1], ‘embedded lectoraten’, of nieuwe taken voor masterafgestudeerde docenten het onderzoek in hun mbo-instelling een plek gegeven. Dergelijke uitwerkingen zijn binnen het mbo vaak nog onbekend en weinig ingebed in de onderwijsinstelling. 

    Ook concludeerden de deelnemers dat de kennisinfrastructuur in het mbo kleinschalig opgezet en sterk gefragmenteerd is, waardoor ontsluiting en disseminatie van nieuwe kennis onvoldoende uit de verf komt. De beperkte toegang tot kennis staat in schril contrast met de ontwikkeling van technologie en de flexibilisering van de arbeidsmarkt en de daarmee verband houdende vraagstukken over hoe het leren verandert, en hoe het leerplan met oog op het vakmanschap van de toekomst moet worden ingericht (zie voor de visuele notulen: Ritzen e.a., 2016). 

    Gezien het belang van het thema ‘onderzoek(end werken) in het mbo’ lag een vervolg voor de hand. Tijdens de managementconferentie 2017 in de Efteling in Kaatsheuvel werd op 5 april jl. een tweede preconferentie georganiseerd. Ruim 90 deelnemers (opnieuw van OCW, professionals en onderzoekers) gingen aan de hand van drie vragen op zoek naar nieuwe verbindingen om onderzoek een duurzame plek in mbo-instellingen te geven.

    Foto1MBO

     Foto 1 Resultaten van een tafelkleed

    Foto2MBO

    Foto 2 Deelnemers preconferentie volgens de methodiek van het wereldcafé  

    De bijdrage van teams 

    De eerste vraag was: ‘Hoe verleiden we teams om onderzoek te betrekken bij hun dagelijkse vraagstukken?’ Het gaat daarbij om het ombuigen van routinematig gedrag gericht op snelle oplossingen naar meer duurzaam denken en handelen van docenten.

    Volgens de conferentiedeelnemers zullen teams niet uit zichzelf onderzoek doen, wel zal bij meer ervaren urgentie de verleiding voor onderzoek groter zijn en de weerstand lager. Mbo-teams hebben beelden van onderzoek als zou het ‘heel zwaar zijn’, wat vervolgens ‘ontzettend lang gaat duren’ en dat ‘ingewikkeld is’. Maar er zijn ook teams die over een onderzoekende houding beschikken. Voor deze teams is het begrip ‘onderzoekende docent’ een tautologie. 

    Tegelijkertijd benadrukten andere deelnemers dat er behoefte is aan een inhoudelijk gesprek over wát onderzoek in het mbo eigenlijk inhoudt. Het kan zowel gaan om wetenschappelijk en/of praktijkgericht onderzoek, werken vanuit een onderzoekende houding, en het benutten van beschikbare kennis uit onderzoek in de praktijk. 

    Onderzoek doen is ‘bezig zijn met de vragen van morgen’. Cruciaal is om ‘een vraagteken te durven zetten achter wat je zeker weet’, om ‘ruimte te nemen om te dromen’, samen vraagstukken te formuleren en op zoek te gaan naar antwoorden. Dat kan gaan om ontwikkelingen in de beroepspraktijk, het ontwerpen van curricula en de pedagogisch-didactische aanpak met betrekking tot de in/door/uitstroom van studenten. Teams moeten ervaren dat geld voor onderzoek niet ten koste gaat van het onderwijsproces, maar juist bijdraagt aan de kwaliteit ervan. Dat het helpt! 

    Foto3MBO

    Foto 3 Pitch van dr. Niek van den Berg, lector Grenspraktijken van opleiders en onderzoekers, AERES Hogeschool Wageningen. "Een onderzoekskunstje kun je als het ware iedereen leren, maar de grote truc is hoe je onderzoek kunt verbinden aan de werkpraktijk, daar gaat het om als je onderzoek in het mbo verricht.”

    Foto4MBO

    Foto 4 Pitch van  dr. Peter den Boer, lector Keuzeprocessen ROC West-Brabant. “Ik ga in gesprek met teams die worstelen met problemen. Als onderzoeker moet je goede vragen kunnen stellen. Teams willen weten hoe je het doet, niet wat het oplevert. Mijn grootste probleem is nog dat ik na de presentatie van mijn onderzoek niet als vanzelf wordt uitgenodigd om verder met de onderwijsontwikkeling mee te denken. Dat vergt nog aandacht.”

    Randvoorwaarden 

    De tweede vraag gaat over de randvoorwaarden van onderzoek, namelijk: ‘Wat kunnen we op bestuurlijk en organisatorisch vlak doen om onderzoek binnen onderwijsteams te ondersteunen?’ Hoe kunnen we onderzoek en onderzoekend werken beter vervlechten met de dagelijkse werkpraktijk van docenten, studenten en beroepenveld. Volgens de conferentiedeelnemers is het belangrijk om teams te faciliteren om in alle rust out of the box-oplossingen voor complexe vraagstukken te bedenken. Ook is het belangrijk dat bestuurders en leidinggevenden hun automatische piloot uitzetten en lef tonen om thinking fast aan te vullen met thinking slow, dat kenmerkend is voor onderzoek (Kahneman, 2011; van den Berg, 2016). 

     Behulpzaam daarbij is het realiseren van meer onderzoekende capaciteit in de school (intern of ingehuurd) en het serieus nemen van uitkomsten van voorgenomen onderzoek. Andere stimulansen voor onderzoekend werken zijn het bevorderen van diversiteit aan gesprekstafels, het koppelen van docentonderzoekers (bijv. masterstudenten) aan onderwijsproblemen waarmee teams worstelen, een onderzoeksagenda maken met teamoverstijgende vraagstukken waaraan managers zich verbinden, en ‘de onderzoekende voorhoede’ in de school in stelling brengen. 

    Foto5MBO

    Foto 5 Pitch van Jorick Scheerens, practor sociale media, Mediacollege Amsterdam. “Onderzoek in het mbo is bijzonder slecht gedefinieerd. Als practor ben ik bezig met de vragen van morgen. Samen met het team gaan we op ontdekkingstocht, werkt dit, werkt dat? Werkt het niet, onderzoek dan hoe dat komt. Dat levert nieuwe praktijkkennis op!” 

    Evaluatie 

    Centrale focus in het derde gesprek was gericht op doordenking van de opbrengsten van de eerste twee rondes: de benoemde interventies, de samenhang daarin en  hun werkzaamheid. Hierbij werd nog eens het belang van ‘lef om te vertragen’ onderstreept, en de afstemming van docent tot en met CvB rond onderzoek. De deelnemers aan de preconferentie kennen de mbo-sector op hun duimpje en weten dat de onderzoeksprocessen in het mbo langzaam vorderen. Zij realiseren zich dat het delen van de betekenis ervan, nog een trager proces is. De kritische oogst op een rijtje:

    -        Breng mensen vanuit verschillende disciplines samen, haal mensen uit hun eigen context en ontwikkel een onderzoeksagenda met thema’s die voor een mbo college belangrijk zijn en die bijdragen aan kwaliteitsverbetering.

    -        Verbind docenten met een masteronderzoek aan vraagstukken van teams; zet binnen de mbo-instelling een netwerk op van masteropgeleide docenten.

    -        Koppel HR en onderwijsontwikkeling aan elkaar; belangrijk is om de juiste mensen te zoeken die dezelfde taal spreken.

    -        Draag zorg dat de onderzoekende docent gekoppeld wordt aan de teammanager, waardoor pro-actief wordt gewerkt aan vergroting van draagvlak voor onderzoek.

    -        Maak een kennisbank waar alle onderzoeken die binnen het mbo worden/werden verricht te vinden zijn. 

    Tenslotte was er een kritische opmerking van Andrea Kaim, lid Raad van Bestuur van ROC West-Brabant: veel deelnemers aan de preconferentie zitten volgens haar te veel in een overtuigende houding en niet in een nieuwsgierige houding, en dat kan de implementatie van onderzoek in het mbo belemmeren. Dus: ‘teach what you preach!’

    Dr. Henk Ritzen, lector Onderwijsarrangementen in maatschappelijke context (Saxion)
    Dr. Niek van den Berg, lector Boundary crossing praktijken van opleiders en onderzoekers (AERES Hogeschool Wageningen)
    Dr. Peter den Boer, lector Onderzoekend leren (ROC West-Brabant)  

    Literatuur 

    Kahneman, D. (2011). Ons feilbare denken. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Business Contact. 

    Ritzen, H., Bruijn, E., de, Klarus, R., Klatter, E., Klink, M., & Meer, M., van der (2016). Visuele notulen preconferentie CVI 2016. Help(t) onderzoek in het mbo?! Groningen, 6 april 2016. Saxion: Enschede. http://ecbo.nl/25102016/wp-content/uploads/2016/12/Visuele-notulen-Helpt-onderzoek-in-het-mbo.pdf.

    Van den Berg, N. (2016). Grenspraktijken. Opleiders en onderzoekers in ontwikkeling. Wageningen: Stoas Wageningen | Vilentum Hogeschool.

    [1] Practoraten zijn – naar analogie van de lectoraten in het hbo – gericht op het delen van kennis en ervaring, om zo te komen tot verdere kwaliteitsverbetering van het onderwijs. Zie: stichting ‘Ieder mbo een practoraat’ http://www.practoraten.nl/stichting/