• A
  • A
  • Leven lang leren is een elitair begrip

    (foto: UNETO-VNI)

    (foto: UNETO-VNI)

    - Hij was onderwijsbestuurder, hij werd werkgeversvoorman Doekle Terpstra zag de afgelopen jaren als trekker van het Zorg- en Techniekpact vele voorbeelden van de plannen die men uitvoert om de tekorten aan personeel terug te brengen. Maar is het genoeg? “Veel begrippen zijn sleets geworden. We hebben nieuwe concepten nodig.”

    Terpstra is tegenwoordig voorman van UNETO-VNI, de ondernemersorganisatie voor de technische installatiebranche. Hij wil allereerst benadrukken dat het heel behoorlijk gaat in het Nederlandse onderwijs. “We staan er goed voor, dat zie je aan alle lijstjes. Dat wil niet zeggen dat we geen issues hebben, integendeel. Met name bij het po en de instroom bij het technisch vmbo.  Daarbij vragen we niet alleen iets van het onderwijs, ook als werkgevers moeten we de handschoen oppakken en de samenwerking met het onderwijs nóg beter gestalte geven.

    Over de schutting kijken

    “Juist nu komt het erop aan ambitie te houden die past bij de dynamiek van wat er maatschappelijk aan de hand is. Het onderwijs moet meebewegen met de grote ontwikkelingen in de samenleving. Dat betekent óók dat wij als werkgevers de handschoen moeten oppakken en de samenwerking met het onderwijs nóg beter gestalte moeten geven.”

    Terpstra constateert dat er al jaren gesproken wordt over een leven lang leren, maar dat er niet echt een doorbraak tot stand komt. “Ernstig is de constatering van de OECD en de uitkomst van het rapport van Jolande Sap dat we onvoldoende zijn aangesloten op de ontwikkelingen van morgen.” Hoe gaan we dat proberen vorm te geven?

    “Je ziet bepaalde discussies verzanden. We moeten omdenken, je mag van maatschappelijke organisaties verwachten dat ze over hun eigen schutting heen kijken. en open-minded zijn. De uitdaging is om niet alleen te vertrouwen op  de concepten uit het verleden. Dat vraagt bestuurlijke lef. ”

    Terpstra is de eerste om te erkennen dat hij zelf een product is van deze belangengroepen. “Ik ben nu voorzitter van een grote ondernemersorganisatie, dus ik zie zeker de kracht van deze organisaties, maar ik zie ook de beperkingen.” De UNETO-VNI-voorzitter heeft wel een paar ideeën om fundamenteel anders na te denken over wat we in de toekomst aan moeten met de discussie over leven lang leren. “Waarom begint leven lang leren pas na het initieel onderwijs. Dat kunnen we ook omdraaien. Waarom begint dat niet bij de start van het leren?”

    “Waarom zorgen we er niet voor dat we vanuit het onderwijs de leerlingen niet meer loslaten? Of omgekeerd: de leerlingen laten de school niet meer los. We zoeken naar mogelijkheden om de beroepspraktijk en dat onderwijs nog meer met elkaar te verbinden, zodat we samen permanent kunnen meebewegen met de ontwikkelingen in de samenleving. ”

    De stratenmaker zit niet te wachten op een nieuwe schoolklas

    Een belangrijk aspect van deze vorm van naar het leven lang leren kijken is het werkplekleren. “Volgens mij is dat in Nederland nooit helemaal goed van de grond gekomen. Als je dat goed omzet in een soort kwaliteitscertificaat dat het beeld geeft van het vakmanschap  is dat heel interessant. Het klinkt misschien badinerend, maar een stratenmaker zit niet te wachten op een nieuwe schoolklas, maar wil zich wel in zijn vak ontwikkelen en zoekt daar ook de erkenning voor.”

    Wat Terpstra eigenlijk wil zeggen is dat het concept van leven lang leren een heel elitair begrip is. “Het is voor de hoger opgeleiden, tenminste in onze mindset. Mensen moeten bijblijven, mee-ontwikkelen, maar daarmee is het ook een uitsluitend begrip. Over de leerontwikkeling van hele grote groepen werknemers op de arbeidsmarkt praten we hetzelfde als over mensen met een academische graad die een specialisme moeten halen. Dat klopt niet.”

    “Geef mensen een beroepspaspoort voor hun vakmanschap,” roept Terpstra enthousiast. “Het werkplekleren moet een vehikel worden om mensen toe te rusten en mensen vervolgens ook te waarderen en te belonen en dat zichtbaar te maken.  Dan kunnen werknemers op de arbeidsmarkt laten zien hoe ze zich ontwikkelen in hun vak. En dat levert de stratenmaker wél toegevoegde waarde op. Een aantal beroepsgroepen kent deze systematiek al.”

    Bij UNETO-VNI zijn ze al aan het nadenken hoe zo’n paspoort eruit moet gaan zien. “In dat paspoort ga je benoemen wat iemand heeft gedaan in termen van het versterken van zijn vakmanschap. Persoonlijke ontwikkeling is voor alle niveaus en je maakt zichtbaar hoe de persoon zelf investeert om z’n positie op de arbeidsmarkt te behouden én te versterken. Dat zou normaal moeten worden.”
    Maar heeft die vorm van leven lang ontwikkelen ook nog zoiets nodig als een docent? Terpstra waarschuwt dat we ook met die focus op een te traditionele manier kijken naar het debat rond leven lang leren. “We blijven hangen in de beelden die zich richten op de bovenkant. Het moet weer een diploma opleveren. Nou, nee dus.”

    “Waar willen we als samenleving naartoe werken. Als wij zeggen dat die samenleving zich razendsnel ontwikkelt – en dat is volgens mij zo – dan zul je per definitie adaptief moeten zijn.” Een mooi voorbeeld daarvan is volgens Terpstra de recente toename van het aantal bedrijfsscholen. “Maar let wel, dat zijn niet meer de bedrijfsscholen op de klassieke leest geschoeid.”

    Trek docenten de beroepspraktijk in

    Terpstra geeft een voorbeeld van een ziekenhuis in Alkmaar. “Die hebben een eigen academie en leiden daar zelf mensen op, maar het eigenaarschap van de kwaliteit blijft liggen bij het mbo. Dat is interessant, want dan zeg je dat het onderwijs de kwaliteitsborging doet, maar je zorgt wel voor een hele sterke binding met het ziekenhuis. Die jongeren die daar studeren, komen überhaupt niet meer in het klassieke klaslokaal.”

    Een bijkomend voordeel is dat docenten veel meer de beroepspraktijk ingetrokken worden. En dat is volgens Doekle Terpstra van groot belang in ons beroepsonderwijs. “We hebben in Nederland een strakke scheidslijn tussen bekostigd en privaat onderwijs. Ik vind dat we hier meer aan kruisbestuiving moeten doen. Als we allebei blijven zeggen dat het in het belang van het individu is om een leven lang te leren, dan moeten we de uitdaging oppakken voor het creëren van nieuwe vormen van samenwerking .”

    Het is een taboe om de scheiding tussen bekostigd en privaat onderwijs in Nederland ter discussie te stellen, maar nu Terpstra eenmaal op dreef is, mag er nog wel een laatste steen in de vijver van het onderwijssysteem.  “Tot op de dag van vandaag hebben we in het beroepsonderwijs een hiërarchie ten opzichte van het algemeen vormend onderwijs.”

    Twee identieke leerroutes

    “Wat ik wens is dat er twee gelijke routes komen van beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs. Zodat we de hiërarchie eruit halen en beroepsonderwijs niet meer tegenover maar náást het algemeen vormend onderwijs staat.  Wat ik graag zou willen is dat jonge mensen de keuze krijgen voor twee identieke leerroutes  met exact dezelfde mogelijkheden. Dan kun je op een hele andere manier gaan nadenken over vakmanschap.”

    “Ik wil die hiërarchie slechten, want we doen onszelf op een geweldige manier tekort.” Doekle Terpstra heeft een aantal thema’s aangesneden die volgens hem op heel veel plekken in het onderwijs taboe zijn. “Het is vloeken in de kerk, maar ik denk dat we het moeten aandurven om hier eens echt het gesprek over te voeren zonder gelijk in de reflex van de eigen belangen te schieten. Misschien hebben we daar wel een ander gespreksgremium voor nodig.”

    Maar welk gremium kan dat zijn? “Ik kan me herinneren dat toen ik CNV-voorzitter was, we een groot conflict hadden over de WAO waar we in de polder echt niet uitkwamen. Toen hebben we een commissie gelegitimeerd onder leiding van Piet-Hein Donner die met aanbevelingen moest komen op dat terrein waar we vervolgens allemaal weer wat van mochten vinden. Dat was wel een katalysator om het gesprek weer los te krijgen. Eigenlijk ben ik daar nu weer naar op zoek.”

    Door: Tim Cardol