• A
  • A
  • De teloorgang van het publieke belang

    - “Als je de ongelijke kansen uit het hele onderwijsgebouw optelt wordt het publieke probleem van ongelijke kansen pas echt zichtbaar.” Izaak Dekker ziet in de uitkomsten van verschillende (inter)nationale rapporten de emancipatoire functie van het Nederlands onderwijs afzakken tot de laatste plaats.

    Vorig jaar zorgde ‘De staat van het onderwijs 2014/2015’ voor veel ophef. De centrale boodschap ‘er is sprake van kansenongelijkheid tussen leerlingen van laag- en hoogopgeleide ouders, en dit verschil wordt groter’ kwam, ondanks dat dit eerder al in cijfers en publicaties zichtbaar was, hard aan. 

    Vlak voor de verkiezingen die erop volgden publiceerde Johannes Visser op de Correspondent een artikel waarin hij naging welke partijen zich in hadden gezet voor gelijke kansen in het onderwijs. Uit een kamerbrief van Bussemaker en Dekker citeerde hij drie belangrijke mechanismen om kansenongelijkheid tegen te gaan (oorspronkelijk afkomstig uit een OESO rapport over Nederlands onderwijs (2016): 

    • De eindtoets in het primaire onderwijs
    • De mogelijkheid om naar een brede brugklas te gaan
    • De mogelijkheid om op te stromen of diploma’s te stapelen. 

    Visser liet vervolgens zien hoe de verschillende partijen het op dit vlak deden. (Alleen de ChristenUnie steunt zowel de eindtoets als behoud van de basisbeurs). Wat is er in de tussentijd gebeurd en in het bijzonder op de drie vlakken waarop de gelijke kansen kunnen worden verbeterd? 

    Het nieuwe inspectierapport dat dit jaar uitkwam was wellicht nog opmerkelijker dan dat van het jaar ervoor. Van alle OESO-landen heeft Nederland ondertussen de grootste verschillen in schoolprestaties (IvhO, 2016; SCP 2016; PISA, 2016). Na ons komen op gepaste afstand Bulgarije en Hongarije, onderaan het lijstje staan Scandinavische landen waar Nederland zich normaliter mee vergelijkt. Hoe kan dit? 

    De inspecteur-generaal wijst in het voorwoord van het rapport en in een interview in de Volkskrant net als de OESO (2016) naar de vrijheid van onderwijs (geen nationaal curriculum) en de verschillen in kwaliteit van docenten, teams en leiders. Laat me duidelijk zijn: dit zijn belangrijke factoren en dit moeten we ons ook ter harte nemen. Maar wat is er gebeurd met de drie belangrijke mechanismes om ongelijke kansen tegen te gaan? 

    Eindtoets en schooladvies 

    Vorig jaar was al genoemd dat er grote verschillen in het schooladvies van kinderen van hoog en laagopgeleide kinderen zijn. In de tussentijd zijn meer adviezen van naar boven bijgesteld. Dit wordt als iets positiefs gepresenteerd, maar het zijn vooral de leerlingen van hoogopgeleide ouders die vaker een omhoog bijgesteld advies krijgen. “Mede omdat hun ouders hier vaker op aandringen” (p.22, IvhO, 2017). 

    Brede brugklassen 

    Basisscholen homogeniseren en worden scholen met voornamelijk kinderen van laagopgeleide of voornamelijk kinderen van hoogopgeleide ouders. Terwijl de wijken of postcodes nog relatief vaak gemengd zijn komt het voor dat binnen een gemengde wijk compleet verschillende scholen staan qua populatie. 

    Op middelbare scholen komen minder vaak gemengde brugklassen voor. Kinderen van hoogopgeleide ouders gaan ook met dezelfde cito score als kinderen van laagopgeleide ouders vaker naar homogene vwo-brugklassen en ‘categorale’ lycea of gymnasia. Onder druk van slagingspercentages en met de mogelijkheid om aanvullende criteria te hanteren (OECD, 2016) selecteren de populaire middelbare scholen homogene populaties. Slechter scorende scholen hebben deze mogelijkheid niet.  

    Opstromen en stapelen 

    Het rapport van de Inspectie van het onderwijs laat zien dat op de middelbare school kinderen van laagopgeleide ouders twee keer zo vaak lager uitstromen dan kinderen van ouders met een wo opleiding (30,1% versus 14,6%). 

    De doorstroom van mbo naar hbo is (behalve op niveau 3) dit jaar voor het eerst gestopt met dalen. Lichtelijk positief nieuws. De kans op succes van mbo studenten in het hbo is echter al jaren aan het dalen. Een wijziging in deze trend is vooralsnog jammer genoeg niet te bespeuren. 

    Zouden, o bittere ironie, de hoogopgeleide ouders naar aanleiding van het rapport van de Inspectie van vorig jaar wellicht nog vuriger hebben gepleit voor een hoger schooladvies voor hun kind? In dat geval is de medialuwte rond het rapport van dit jaar misschien niet zo kwalijk. Het is echter te hopen dat de problematiek bij de politieke partijen wel aan komt. 

    Hoe kan het dat deze conclusies uit het rapport zo weinig aandacht kregen? Er kwam een kritische reactie van Paul Kirschner (OU) langs over de term ‘leerstijlen’ op Scienceguide die op twitter aardig circuleerde. In de kranten werden voornamelijk de bevindingen over bijstelling van het schooladvies op de basisschool besproken, maar met opvallend minder nadruk dan vorig jaar. 

    De Vereniging Hogescholen en de meeste hoger onderwijsorganisaties die reageerden op het rapport benadrukten de positieve ontwikkelingen (meer tevredenheid over studie, of hoger rendement universiteiten) en het belang van goede docenten. Als punt van aandacht werden de (met 6 procent) dalende arbeidskansen van studenten met een migratieachtergrond genoemd. Het rapport leek al met al dit jaar geen schokkend nieuws te bevatten. Wellicht dat de aandacht per instelling of brancheorganisatie primair uitging naar het hoofdstuk over de eigen sector. 

    Vanuit de hogeschool waar ik werk richten we onze aandacht primair op de kwaliteit van ons onderwijs. De kwaliteit van de interactie en de binding die docenten met de, steeds meer diverse, studenten aangaan. De didactiek en pedagogiek die nodig zijn om de studenten te zien en te activeren (bijvoorbeeld via het functiehuis). En het soort leiderschap dat er voor nodig is om deze professionals tot succesvolle teams te krijgen. Hand in eigen boezem kortom, hoge verwachtingen van onze docenten en deze zo veel mogelijk erkennen en faciliteren. 

    Lees ook het artikel ‘Gewoon goed lesgeven’ van Sofie Smeets. 

    We richten ons dus op wat we zelf in de hand hebben en zo goed mogelijk kunnen doen (bovendien voornamelijk wat de Inspectie ons aanraadt). En ik vertrouw dat we daar onverveerd mee doorgaan. Maar als je een stap terug neemt en het totaalbeeld bekijkt wat zichtbaar wordt in de twee rapporten van de Inspectie, dan valt op dat de ontwikkelingen van de afgelopen jaren gezamenlijk een beeld schetsen van publiek tekort. De meritocratie die we vaak stellen te zijn is veranderd in een samenleving waarin bevolkingsgroepen langs elkaar heen leven, ook in hun schoolcarrières. 

    De kinderen van laagopgeleide ouders en kinderen met een migratieachtergrond hebben in elke onderwijsronde (ook in het voorschoolse, en ook na school op de arbeidsmarkt) de laagste kansen en kwalitatief minste ondersteuning. Per sector zijn de procentpunten al niet florissant, maar wat er lijkt te worden vergeten is dat al deze procentpunten cumulatief zijn. Als je die optelt wordt het publieke probleem pas echt zichtbaar. 

    Gegeven dat het probleem op alle schoolniveaus plaatsvindt roepen deze uitkomsten om een debat op stelselniveau en een kritische blik op de stelselinrichting (met bijzondere aandacht voor de drie ‘mechanismes’). Reflectie of discussie hierover ontbreekt opvallend genoeg in de reactie van de Minister op het rapport. Er wordt wel geld vrijgemaakt om de doorstroom te bevorderen (wat goed is!), maar deze overkoepelende oorzaken van de problematiek lijken niet te worden benoemd of geadresseerd. 

    Het is van belang dat het volgende kabinet vanuit een brede blik op het Nederlandse onderwijs kritisch nagaat of we niet meer ruimte en mogelijkheden kunnen bieden voor leerlingen die het licht later pas zien. Waarom krijgen vwo leerlingen zes jaar voortgezet onderwijs, havisten vijf en vmbo leerlingen vier? Kan de selectie niet worden uitgesteld? Zouden we in het mbo niet twee verschillende uitstroomroutes moeten ontwikkelen (pakweg de helft wil doorstuderen)? Bussemaker heeft nog een paar goede initiatieven kunnen stimuleren (schakeltrajecten Pabo, studentlabs) maar het is nu zaak dat het volgende kabinet hierop doorpakt. 

    Daarnaast mis ik de publieke democratische discussie over een paar van de onderliggende ontwikkelingen die er sluipenderwijs voor hebben gezorgd dat de kwaliteit van onze scholen zo uiteen is gaan lopen. 

    De rol van ouders 

    Laten we wel wezen. Hoogopgeleide ouders zorgen - vanuit de goede intenties voor hun kinderen - er in de regel voor dat hun kinderen hoogwaardige voorschoolse educatie benutten. Dat ze naar ‘witte’ scholen gaan waar andere leerlingen van hoogopgeleide leerlingen heengaan. Ze schrijven hun kind eerder in bij een school. Vragen een gesprek aan wanneer ze op een wachtrij komen of komen eventueel op voor hun belangen bij de gemeente (Voorbeeld). 

    De meeste mensen zien het belang in van gemengde basisscholen. Je leert omgaan met kinderen die anders zijn, etc. Maar de gemiddelde ouder is niet van plan om zijn of haar kind daarom als politieke keuze naar een school te sturen waar hij zij de uitzondering is. Een van onze voormalig politiek leiders kwam nog in media omdat ze met de keuze van de basisschool voor haar kind in eenzelfde situatie terecht kwam. Het wordt tijd dat we deze ongemakkelijke discussie eens publiekelijk gaan voeren. De effecten van deze individuele keuzes leiden tot een self-fulfilling prophecy op macro niveau. 

    De negatieve spiraal die uit de rapporten naar voren komt lijkt een patstelling waarbij hoogopgeleide ouders zich steeds verder gedwongen zien hun kind de beste kans op succes te bieden. Er is veel vrijheid en verschil, en de ouders zien zich genoodzaakt hiernaar te handelen. De mate van invloed die ze hebben door hun financiële middelen, taalbeheersing en informatievoorziening is alleen niet gelijk. Dit vraagt kortom om interventies die zorgen dat het publieke belang gediend is. Geen individu kan in zijn eentje de dijk bouwen, maar alle individuen hebben er belang bij als het gebeurt (uiteindelijk zelfs de bewoners die hogerop wonen). 

    Exclusief onderwijs 

    De enorme groei van categorale gymnasia (vaak met wachtrijen en selectie), university colleges (dubbele collegegelden) en schaduwonderwijs zijn illustraties van wat er gebeurt als men vanuit private middelen de schoolkansen van de eigen kinderen kan, mag en wil optimaliseren. En het lijkt alsof we verder die richting op marcheren met de nadruk op persoonlijke kindgecentreerde leerwegen en flexibilisering. Onderwijl lonkt het gevaar dat we het publieke belang van onderwijs steeds verder uit het oog verliezen. 

    Is dit een links politiek onderwerp? In de jaren ‘60 was kansengelijkheid vanuit de emancipatie van de arbeidersklasse een speerpunt van de sociaaldemocraten. Het onderwerp is echter niet slechts links van aard. Sterker nog, het is niet alleen de emancipatie die hier in het gedrang is, kansenongelijkheid brengt de meritocratie zelf in het gedrang. Er is pas sprake van ‘marktwerking’ als er een transparante manier is de juiste talenten te herkennen. Elke schijf van onderwijs gaat nu sociaal kapitaal verloren. Op termijn draagt dit bij aan een gepolariseerde samenleving waarin de have nots niet langer het gevoel hebben dat het systeem er ook voor hun is. 

    Juist voor de meer liberale partijen en stemmers zou dit een belangrijk thema moeten zijn. Als we individuen afrekenen op hun verdiensten (merites, inzet en kwaliteiten) in plaats van hun toevallige startpositie, dat is goed publiek onderwijs van essentieel belang. 

    Ik hoop daarom dat de politieke partijen dit thema zowel in de kamer als in het kabinet op durven te pakken en dat we een regering krijgen waarin het publieke belang in het onderwijs niet wordt geschuwd. 

    Izaak Dekker is senior beleidsadviseur aan de Hogeschool Rotterdam. Hij schrijft dit stuk op persoonlijke titel.