• A
  • A
  • Maatwerk versus kansengelijkheid

    - De gedachte dat een one-size-fits-allbenadering in het onderwijs niet meer van deze tijd is wordt breed gedragen. Maar wat betekent het nu om de leerling meer centraal te zetten? Een advies dat de Onderwijsraad uitbrengt op verzoek van OCW stelt dat er grenzen zijn aan een exclusieve gerichtheid op de wensen van leerling en ouder.

    “Onderwijs is zowel de voorwaarde tot als het resultaat van het culturele en beschavingspeil van een samenleving. De leerling centraal stellen in het onderwijs zonder te letten op de effecten daarvan voor kansengelijkheid en sociale samenhang schaadt uiteindelijk de kwaliteit van het onderwijs. Dit heeft gevolgen voor democratische kwaliteit, welzijn en welvaart”, stelt Onderwijsraad-voorzitter Henriëtte Maassen van den Brink bij de presentatie van het advies ‘De leerling centraal?’

    Zowel de PO-raad als de VO-raad hebben onderwijs op maat de afgelopen jaren als speerpunt benoemd. “In de bestuursakkoorden die zij hebben gesloten met het ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) wordt maatwerk beschouwd als een middel om talenten van leerlingen te ontwikkelen en het zittenblijven tegen te gaan”, schrijft de Onderwijsraad dat OCW nu over dit onderwerp adviseert.

    Op de wenken bedienen?

    Maar hoe wenselijk is die beweging? Onlangs betwistte onderwijsadviseur Erik Meester (Fontys) op ScienceGuide al de nadruk op gepersonaliseerd onderwijs. “In veel visiestukken lees ik terug dat scholen de leerling centraal zetten en willen aansluiten bij hun unieke talenten. Het is maar de vraag is of we hier het juiste pad bewandelen.” Meester stelde in het bijzonder vraagtekens bij de wetenschappelijke onderbouwing van deze wens.

    Ook de Onderwijsraad is terughoudend. Zij ziet in haar advies dat het onderwijs zowel individuele als maatschappelijke belangen dient. Ouders willen dat het onderwijs zo goed mogelijk aansluit bij de behoeften van hun kind. “Vanuit dat perspectief zijn er argumenten om het onderwijs in te richten op basis van de wensen van leerlingen en hun ouders en van de groepen en gemeenschappen waar zij deel van uitmaken.”

    Tegelijkertijd heeft het onderwijs een verantwoordelijkheid naar de maatschappij. “Het gaat dan bijvoorbeeld om sociale samenhang, algemeen welzijn en economische groei en welvaart. Dit belang stelt volgens de raad grenzen aan een exclusieve gerichtheid op wat leerlingen en hun ouders van het onderwijs kunnen verlangen.” Als deze twee belangen botsen, moet het maatschappelijk belang volgens de Onderwijsraad het zwaarst wegen.

    Differentiëren heeft nadelen

    Dat pleidooi vertoont gelijkenissen met de oratie van bijzonder hoogleraar Eddie Denessen (Universiteit Leiden). Die stelde onlangs dat differentiatie gezien kan worden als een oplossing voor het omgaan met verschillen tussen leerlingen, maar dat daar vervolgens wel een nadeel bij komt kijken. “Soms kan differentiatie er juist voor zorgen dat de verschillen in het onderwijs worden vergroot.”

    Denessen constateert dat de Gelijke Kansen Agenda die minister Bussemaker eind vorig jaar presenteerde in het gedrang komt, omdat deze conflicteert met het Plan van Aanpak Toptalenten uit 2014. “Er is een kritische herbezinning op ons onderwijs nodig om daadwerkelijk bij te dragen aan gelijke kansen voor alle kinderen.”

    Ook de Onderwijsraad constateert dat volledige keuzevrijheid in het onderwijs op gespannen voet staat met kansengelijkheid. “keuzevrijheid genereert niet vanzelf ook kansengelijkheid. Maximale keuzevrijheid en maximale kansengelijkheid gaan niet noodzakelijkerwijs samen; er kan ook sprake zijn van een spanning tussen beide.”

    Als advies geeft de Onderwijsraad dan ook aan te waken voor een te ver doorschieten in de focus op maatwerk in het onderwijs. “Daar waar de leerling centraal komt te staan ten koste van sociale samenhang, toegankelijkheid en gelijke kansen, is de kwaliteit van onderwijs in het geding.”

    “De raad richt zich in deze verkenning op het onderwijs en doet een beroep op alle betrokkenen – leerlingen, ouders, leraren, schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, beleidsmakers en politici – om in de besluitvorming over het centraal stellen van de leerling de maatschappelijke belangen niet te veronachtzamen.”