• A
  • A
  • Minister vertrouwt weinig klachten over stages niet

    - Studenten in het hoger onderwijs klagen nauwelijks over stages. Volgens Lodewijk Asscher van Sociale Zaken zegt dat nog niet veel over omvang van stagemisbruik door bedrijven. Daarom vindt er momenteel een sectoranalyse plaats om te kijken in welke sector sprake is van stagemisbruik.

    Onlangs ontstond er ophef over stageplekken die verkapte werkplekken zijn en waar al dan niet afgestudeerde studenten geen vergoeding voor krijgen. FNV Jong deed de oproep op Twitter om onder de hashtag #stageleed stagemisbruik door bedrijven te melden. Dit was voor Peter Kwint (SP) aanleiding om Kamervragen te stellen aan de minister van Sociale Zaken, Lodewijk Asscher.

    Duidelijk onderscheiden

    In algemene zit laat Asscher weten dat een stage wezenlijk verschilt van een normale arbeidsrelatie. “Voor het verrichten van een stage is het van essentieel belang dat de activiteiten van een stagiair zich duidelijk onderscheiden ten opzichte van die van een gewone werknemer. De werkzaamheden van een gewone werknemer zijn hoofdzakelijk van productieve aard, bijvoorbeeld gericht op het maken van omzet, winst of het behalen van doelen.”

     Asscher erkent wel dat een stage die niet in combinatie met een opleiding gevolgd wordt, tot een diffusie situatie kan leiden. “Vooral in de gevallen waarin de stage geen onderdeel is van de opleiding kan al gauw sprake zijn van een diffuse situatie waarin niet helder is of het daadwerkelijk om leren gaat of dat het accent ligt op het verrichten van productieve werkzaamheden. 

    Geen verplichting tot vergoeding

    De demissionair minister stelt dat als de stage in het kader van een opleiding gevolgd wordt bedrijven niet verplicht zijn om studenten een vergoeding te betalen. “Voor stages als onderdeel van het volgen van een opleiding (mbo, hbo of universiteit), geldt dat er geen wettelijke verplichting bestaat om een vergoeding te betalen. Relevant is in dit verband dat de werkzaamheden van de stagiair niet zijn gericht op het verrichten van productieve arbeid of het behalen van omzet of winst.”

    Toch stelt de minister dat ondanks de oproep van FNV Jong om stagemisbruik te melden  er bij de onderwijsinspectie het afgelopen jaar nauwelijks klachten binnenkwamen. “Bij de onderwijsinspectie kwamen enkele klachten over stages in het mbo en over kalenderjaar 2016 en 2017 tot op heden twaalf klachten over stages in het hoger onderwijs dat is 6% van het totaal aantal klachten dat bij de inspectie hoger onderwijs binnenkwam.”

    Toch stellen deze cijfers de minister nog niet gerust en kondigt verder onderzoek aan. “Gezien het aantal meldingen bij instanties lijkt de meldingsbereidheid van stagemisbruik beperkt te zijn. Een mogelijke verklaring voor de terughoudendheid van stagiairs is dat zij bang zijn dat het doen van een melding schadelijke gevolgen heeft voor hun arbeidsmarktkansen bij werkgevers. Onduidelijk is of de signalen en meldingen een correct en volledig beeld geven. Om de omvang van stagemisbruik na afstuderen in probleemsectoren beter in beeld te brengen laat de minister van SZW een onderzoek uitvoeren.”

    Kwaliteit meldingen verbeteren

    Ook gaat de minister het makkelijker maken voor studenten om een klacht in te dienen, zo kondigt hij aan. “Om de kwaliteit van meldingen te verbeteren is de informatievoorziening over stagemisbruik op de website van de Inspectie SZW verbeterd en heeft FNV Jong naar aanleiding van voorstellen van de Inspectie SZW het formulier van ‘meldpunt stagemisbruik’ aangepast.”

    Ondanks dat er momenteel een sectoranalyse plaatsvindt om te kijken in welke sectoren er sprake zou kunnen zijn van stagemisbruik, vindt de minister het nog niet nodig om daar vooruitlopend nu al nader onderzoek te doen, zoals Kwint voorstaat. “Aanvullend onderzoek naar de kwaliteit van stages tijdens de opleiding is niet nodig. Ten aanzien van stagemisbruik na de opleiding wordt, zoals aangekondigd, momenteel een sectoranalyse uitgevoerd. De analyse brengt de probleemsectoren in beeld en inventariseert aanknopingspunten per sector voor het terugdringen van stagemisbruik.”