• A
  • A
  • Taalunie bezorgd over Engels in het hoger onderwijs

    - “Het is zorgwekkend dat heel veel mensen nu in het Engels worden opgeleid voor een beroep dat ze vervolgens in het Nederlands gaan uitoefenen.” De nieuwe Algemeen Secretaris van de Taalunie, Hans Bennis is net als Martin Bosma (PVV) bezorgd over de toename van het Engels in het hoger onderwijs.

    Elk jaar ontmoeten delegaties van het Nederlandse en Vlaamse parlement elkaar in een overleg. Dit jaar was de openbare vergadering van de interparlementaire commissie van de gezamenlijke Nederlandse Taalunie in de Eerste Kamer in Den Haag. Vertegenwoordigers van het Vlaamse en Nederlandse parlement waren hier bij aanwezig om minister Bussemaker van onderwijs aan de tand te voelen. Ook de verantwoordelijk algemeen secretaris van de Taalunie, Hans Bennis, kreeg vragen vanuit de parlementsleden.

     ‘Killer language’

    Vlaanderen had vijf parlementsleden afgevaardigd voor deze vergadering, Nederland slechts een, Martin Bosma van de PVV. Bosma voorzag problemen met het Engels in het hoger onderwijs. “Een bedreiging is het Engels. Het heet in het Engels zelf een "killer language": het eet andere talen op. Wat je verder ook van die prachtige taal vindt, vaak gaat het opkomen van het Engels ten koste van andere talen. Dat zien we ook een beetje bij het Nederlands.”Daarbij verwees Bosma naar de recente discussie die in Nederland is opgelaaid over het Engels in het hoger onderwijs. “We hebben hier vaak gesproken over de positie van het Nederlands in het hoger onderwijs, die toch behoorlijk in gevaar wordt gebracht door het opkomende Engels. Als je bestuurskunde studeert en op het gemeentehuis van Purmerend terechtkomt, dan moet je studie blijkbaar toch in het Engels zijn. Dat is vreemd. Het is ook een uitholling van onze cultuur. Hoe staat de algemeen secretaris daartegenover?” 

    Hans Bennis, die sinds begin dit jaar secretaris is van de Taalunie gaf te kennen dat hij de zorgen met Bosma deelde. Bennis was als taalkundige eerder werkzaam bij de Universiteit Leiden en de Universiteit van Amsterdam. De afgelopen achttien jaar was hij directeur van het Meertens Instituut, het KNAW instituut voor Nederlandse taal en cultuur. Bennis deelde de zorg met Bennis over de toename van het Engels in het hoger onderwijs in Vlaanderen en in Nederland.

    Zorg van iedereen 

    Volgens Bennis is het Engels in het hoger onderwijs een reden tot zorg voor iedereen. “Volgens mij staat zowel in Nederland als in Vlaanderen de rol van het Engels in het hoger onderwijs op dit moment hoog op de agenda. Dat vereist een zekere visie. Daar wordt natuurlijk hard aan gewerkt. Het is helemaal niet zo dat dit alleen de zorg van de Taalunie is. Het is ook de zorg van de andere delen van de overheden, maar ook van de universiteiten zelf. 

    Volgens de algemeen secretaris is het belangrijk dat hier goed over nagedacht wordt want niet iedere studie hoeft noodzakelijk in het Engels worden gegeven. “Het is belangrijk dat we hierover nadenken. Want het is inderdaad zorgwekkend dat heel veel mensen nu in het Engels worden opgeleid voor een beroep dat ze vervolgens in het Nederlands gaan uitoefenen. Studenten die studeren voor huisarts, krijgen huisartsengeneeskunde in het Engels gedoceerd, waarna ze in Nederland hun werk gaan doen. Daar ligt dus een duidelijke kwestie die van belang is en die ook wel wordt onderkend door de universiteiten.”

    Om te kijken of het Nederlands ook echt op zijn retour is heeft de Taalunie een nulmeting gehouden om te kijken in welke maatschappelijke domeinen het Nederlands de voertaal is. “Nu springt een aantal domeinen duidelijk in het oog. Met name het hoger onderwijs vormt een reden tot zorg. Maar voor de rest gaat het betrekkelijk goed. Dan kun je zeggen: we zijn heel blij met 80% tot 90%. Maar je kunt ook zeggen: we zijn ongelukkig met 20% of 10%. Dat is een kwestie van hoe je er tegen aankijkt. Er wordt vaak geroepen dat andere talen het Nederlands overnemen. De vraag die wij ons stelden was: is dat eigenlijk wel zo? Voordat we nu maatregelen gaan nemen, is het goed om dat eerst te constateren.”

    Ook minister Bussmaker reageerde op de vragen van de parlementsleden en ging ook in op de vraag over het Engels in het hoger onderwijs. “Zoals bekend zijn universiteiten in Nederland autonoom. Voor zover ik dat weet, is dat in Vlaanderen niet anders. Maar als verantwoordelijk minister, niet alleen voor taal, maar ook voor het onderwijs, in het bijzonder voor het hoger onderwijs, wil ik precies volgen wat er gebeurt met Engelstalige opleidingen. Ik erken namelijk absoluut de grote meerwaarde daarvan, en dan vooral als het gaat om masteropleidingen.”

    Lees verder over het taalbeleid in het Vlaamse hoger onderwijs in ‘De Vlaam en zijn taal’.

    De minister was genuanceerd in haar mening en zei dat de beheersing van het Nederlands hier niet onder mag lijden. “Ik vind het ook van groot belang dat mensen het Nederlands machtig zijn, ook in het hoger onderwijs. Uit ervaring weet ik dat daar vaak nog wel wat werk te verzetten is. Voor de beroepspraktijk in Nederland en Vlaanderen is het van groot belang dat men die kennis volmondig beheerst. Ook daar zeg ik dat het voor oorspronkelijk anderstaligen een extra reden kan zijn om in het Nederlands les te krijgen, omdat tegen die tijd alles in het Engels leren een extra struikelblok kan betekenen. Liever één taal goed dan veel talen half.”