• A
  • A
  • Veel meer open access in Nederland

    (Foto: Wikimedia Commons)

    (Foto: Wikimedia Commons)

    - Welk deel van de Nederlandse publicaties is nu open access? Volgens Jeroen Bosman en Jeroen Sondervan (UU) is de schatting van het Rathenau onjuist. Het is geen 12% maar eerder 30-40%.

    U leest hier de bijdrage van Jeroen Bosman en Jeroen Sondervan.

    Bij open access staat transparantie voorop, daarom is het goed om wat meer inzicht te geven in de werkelijke waarde van de getallen die circuleren over open access. Een daarvan komt in hun tweejaarlijkse Rathenau/KNAW/AWTI-rapport Balans van de Wetenschap, waarvan de definitie nogal uitmaakt voor ons beeld van open access in Nederland.

    Het rapport, dat is opgesteld door het Rathenau/KNAW/AWTI en door de minister van OCW op 26 juni 2017 naar de Tweede Kamer gestuurd, gaat over veel meer dan open access. Toch willen wij graag dat aspect eruit lichten en er een paar inzichten aan toevoegen, opdat het beeld uit het rapport geen eigen leven gaat leiden. Die kans zou anders groot zijn, omdat het in het rapport genoemde percentage open access publicaties (in 2014) in diverse universitaire media al is gemeld, vaak zonder verdere toelichting.[1]

    Groen en goud open access

    Voor we ingaan op het jaarlijkse percentage open access in Nederland moeten we eerst nog iets anders rechtzetten. Het rapport behandelt (op pagina 40) de verschillen tussen de groene en gouden route van open access. Daar staat dat bij de groene route artikelen na een embargo van twee jaar vrij beschikbaar komen. Dat is onjuist.

    Het onderscheid groen-goud gaat over wie een publicatie open beschikbaar stelt. In de gouden route is dat de uitgever, middels tijdschriften, eventueel na betaling van een fee door de auteur en doorgaans op het moment van publicatie. In de groene route is het de auteur die een versie van haar artikel zelf open beschikbaar stelt, meestal in een universitair archief (repository) en afhankelijk van wat de uitgever toestaat na een embargoperiode van 0 tot soms wel 48 maanden.

    Het is dus niet zo dat er altijd een embargo op alle versies is. Preprints (auteursversies waar nog geen peer review op heeft plaatsgevonden) kunnen meestal worden gedeeld zonder embargo. En voor reguliere artikelen geldt in de medische en bètavakken vaak een embargoperiode van ‘slechts’ 6 maanden. Overigens is voor een aantal onderzoeksfinanciers ook die 6 maanden niet acceptabel: zij vereisen open access beschikbaarheid op het moment van publicatie. Kortom, de embargoperiode is dus ook niet altijd 24 maanden. De uitleg over de groene en gouden route is voor iedereen beschikbaar op openaccess.nl.

    Meten is weten

    Dan nu meer over het percentage in open access beschikbare publicaties. Het rapport meldt dat Nederland in 2014 met ongeveer 12% in de Europese middenmoot zit. Wat ons betreft is die conclusie te snel en te makkelijk getrokken. De gegevens waar het rapport zich op baseert zijn intussen vrij oud, maar belangrijker, zeer incompleet. Er wordt gewerkt met data uit Web of Science en gesteld dat er geen andere gegevens voorhanden zijn. Wat ontbreekt er dan in die cijfers? En hoe valt daar een vinger achter te krijgen?

    De open access filter van Web of Science selecteert artikelen die afkomstig zijn uit open access tijdschriften, dus de gouden route van open access. Uitgaan van die gegevens laat ten onrechte een aantal categorieën publicaties buiten beschouwing:

    1. Alle artikelen die open access zijn gepubliceerd in een abonnementstijdschrift (het hybride model). Hier is dus niet het gehele tijdschrift open access maar alleen de artikelen waar auteurs Article Processing Charges (APC’s) hebben betaald. Deze komen dus niet mee in het open access filter van Web of Science. Dit is een belangrijk punt, omdat het juist deze categorie is waar de gezamenlijke Nederlandse universiteiten via de VSNU deals over hebben afgesloten met de uitgevers, zodat afzonderlijke auteurs niet zelf die kosten hoeven te betalen, maar deze reeds zijn afgekocht. Deze categorie niet meenemen in de beschouwing betekent dat de belangrijkste manier waarop universiteiten op dit moment proberen de door de regering gewenste 100% open access te halen wordt genegeerd. Deze manier van open access publiceren is al jarenlange praktijk. 
    2. Alle artikelen waarvan een geaccepteerde auteursversie door de auteurs zelf via een repository open access is gemaakt. Dit is dus de zogenoemde groene route, die in het rapport wel wordt genoemd, maar niet in de cijfers wordt meegenomen. Cijfers over beschikbaarheid via een repository zijn niet in Web of Science te vinden. Overigens is hierbij wel interessant om te vermelden dat Clarivate, het bedrijf achter Web of Science, recent wel is gaan samenwerken met Impactstory, dat tools maakt om die open versies van artikelen wel te herkennen.
    3. Alle publicaties die niet in Web of Science zijn opgenomen: boeken, artikelen in niet-Engelstalige tijdschriften en artikelen in tijdschriften die (nog) niet door Web of Science worden geïndexeerd (WoS indexeert ~12.000 van de waarschijnlijk meer dan 30.000 wetenschappelijke tijdschriften die wereldwijd worden uitgegeven).

    Hoe kunnen we een vinger krijgen achter de omvang van deze categorieën? Op deze plek kunnen wij niet het probleem van het meten van open access helemaal oplossen, maar er zijn wel een aantal mogelijkheden om iets te zeggen over de hoeveelheid Open access artikelen die niet uit de WoS cijfers zijn te achterhalen. Er zijn namelijk verschillende onderzoeken gedaan en tools beschikbaar. 

    ScienceMetrix

    Het Canadese onderzoeksinstituut ScienceMetrix monitort al jaren voor de Europese Unie het onderzoek dat plaatsvindt in de EU-lidstaten en de effecten van EU-beleid. In het ERA Progress Report 2016 is ook weer informatie opgenomen over het percentage open access (zie tabellen 48 en 49 uit het tabellenboek).

    Volgens data in hun zogenaamde oaFindr database van open access artikelen was in het publicatiejaar 2014 al meer dan 25% van de artikelen van Nederlandse onderzoekers die zijn opgenomen in Web of Science in Open access beschikbaar volgens de gouden route (13e plaats binnen de EU-28) en meer dan 50% volgens de groene route (3e plaats binnen EU-28). Dit is dus nog voor afsluiten van de meeste open access contracten door de VSNU (de eerste met Springer was pas in januari 2015).

    De hoge cijfers voor de groene route hebben deels te maken met de bredere operationalisering daarvan: ook auteursversies die onderzoekers zelf op het eigen website of via sites als ResearchGate of Academia.edu hebben gezet worden meegeteld. Belangrijk is te vermelden dat volgens ScienceMetrix met name de cijfers voor groene open access nog een onderschatting zijn (van gemiddeld 33%), vanwege imperfecties van de gebruikte manier om vrij beschikbare versies op het internet te herkennen.

    De cijfers voor groene en gouden open access kunnen overigens niet bij elkaar worden opgeteld, want sommige ‘gouden’ publicaties zijn ook open access beschikbaar via de groene route. Voor de gebruikte definities en methodologische aspecten zie het ERA monitoring handbook (p. 40 e.v.). In deze methode worden dus de eerste twee door ons gesignaleerde problemen ‘opgelost’ maar het derde niet. Overigens hanteert de VSNU sinds 2015 ook een eigen monitoring framework waarin dit onderscheid wordt gemaakt. 

    Repositories

    In Nederland hebben alle universiteiten een repository om artikelen duurzaam in op te slaan en de groene optie mogelijk te maken. Deze repositories worden ontsloten via de centrale portal NARCIS. Bij een selectie van data uit 2014, wordt melding gemaakt van 11.252 open access artikelen. Daarbij moet wel worden aangetekend dat dit cijfer wel iets meer behelst dan alleen reviewed artikelen in tijdschriften en dat lang niet alle artikelen via NARCIS worden ontsloten. Maar op een jaarlijkse totale output in Nederland van rond de 65.000 artikelen is hier wel iets over te zeggen, namelijk gemiddeld 17,3%. Bijvoorbeeld artikelen van de Wageningen Universiteit uit 2014: 2868 closed access, 621 open access (=18%). Dit percentage is overigens voor 2016 al een stuk hoger: 41%.

    Landelijke monitoring

    Sinds 2015 zijn de Nederlandse instellingen systematisch bezig om de open access cijfers te monitoren volgens het hierboven genoemde VSNU framework. In 2015 waren deze voor onze eigen instelling (Universiteit Utrecht) op een totaal aantal artikelen van 6286, 4182 closed access en 2104 open access. Dit is 33,4%. Er zijn geen exacte cijfers van 2014 bekend, die volgens het framework zijn opgesteld, maar een ding is zeker: het kan niet in een jaar van 12% naar 33,4% zijn gegaan.

    Toch wat meer

    Met enige slagen om de arm kunnen we zeggen dat het niveau van open access in Nederland op dit moment waarschijnlijk tussen de 30 en 40% ligt. Dat was in 2014 waarschijnlijk rond de 20-25%  Dat geeft een heel ander beeld dan de in het rapport genoemde 12% waarbij alleen is gekeken naar Gold open access publicaties die in Web of Science staan. Maar wanneer er een cijfer zou moeten gaan rondzingen over het niveau van open access in Nederland zou dit naar ons idee 30 tot 40 % moeten zijn en niet 12%. Of we daarmee nog steeds in de middenmoot zitten betwijfelen wij – des te meer omdat er ook flink in hybride open access is geïnvesteerd, maar dat zou nader onderzoek moeten uitwijzen.

    Jeroen Bosman is Vakspecialist Geowetenschappen en Jeroen Sondervan is Open Access Publishing Consultant. Beiden werken bij de Universiteitsbilbiotheek Utrecht


    [1] Bijvoorbeeld: https://www.dub.uu.nl/nl/nieuws/nederland-middenmoot-met-publiceren-open-access