• A
  • A
  • Einde fiscaal voordeel 'schaars' talent?

    (Foto: Bic)

    (Foto: Bic)

    - Universiteiten blijken van alle sectoren het meest gebruik te maken van de zogenaamde 30%-regeling. Ze lijken daarmee echter geen schaars beschikbare werknemers aan te trekken zoals elders wel het geval is.

    Wat zijn de voor- en nadelen van de zogenaamde 30%-regeling voor buitenlandse werknemers? Deze vraag werd onderzocht door onderzoeksbureau Dialogic in opdracht van het Ministerie van Financiën. De uitkomsten van deze evaluatie suggereren dat de regeling ‘het dubbeltje de net de goede kant op laat vallen’ en Nederland een gunstig vestigingsklimaat bieden voor buitenlandse werknemers.

    Buitenlandse werknemers die in Nederland werken kunnen hun zogenaamde ‘extraterritoriale kosten’, kosten die gemaakt worden in het kader van het verblijf in Nederland, aftrekken van de belasting. De 30%-regeling zorgt er voor dat deze werknemers niet elke uitgave apart hoeven te declareren, maar een vast percentage van 30% mogen aftrekken van hun belasting.

    In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen bleek uit de doorberekeningen van het CPB dat beoogd coalitiepartijen ChristenUnie en het CDA de 30%-regeling wilden schrappen. De bezuiniging zou volgens het CPB zo’n 200 miljoen euro op jaarbasis moeten kunnen besparen door gedragsveranderingen – minder declaraties en een afname van het aantal internationale werknemers. Namens de VSNU liet voorzitter Karl Dittrich zich destijds negatief uit over dit voorstel.

    Lees verder over de 30%-regeling en de reacties op de voorgenomen bezuiniging.

    Uit de evaluatie blijkt dat medewerkers van universiteiten sterk vertegenwoordigd zijn onder de gebruikers van de 30%-regeling. Eerder schatte de VSNU dat het om zo’n 6000 – 7000 promovendi, post docs en andere onderzoekers ging en dat getal lijkt dicht bij de werkelijkheid te zitten. Van de in totaal 56.000 gebruikers werkt aan 7,5% aan de universiteit en 2,1% in een universitair ziekenhuis en, samen met goed voor ruwweg 5400 personen. 

    Hoogopgeleid maar niet schaars

    Voornamelijk in de grote universiteitssteden wonen veel mensen die gebruikmaken van de regeling en opvallend is dat hieronder ook veel jonge werknemers zijn. In 2015 was bijna de helft van de gebruikers minder dan 35 jaar oud. Zo’n 98% keert minimaal een keer per jaar terug naar huis, de meesten zelfs meerdere keren. De gebruikers van de regeling zijn over het algemeen hoog opgeleid: 90% heeft minimaal een bachelordiploma behaald en 20% is gepromoveerd.

    Er lijken in het algemeen geen aanleidingen te zijn om te verwachten dat er door de 30%-regeling Nederlandse arbeidskrachten worden verdrongen op de arbeidsmarkt, zo stellen de onderzoekers. Zij schatten zelfs dat er door deze regeling zo’n 1.765-5.575 (additionele) buitenlandse werknemers met een schaarse specifieke deskundigheid worden aangetrokken. Dit lijkt echter niet te gaan om universitaire medewerkers.

    Om in te schatten hoe ‘schaars’ deze buitenlandse werknemers zijn, vergeleken de onderzoekers het uurloon van de 30%-gebruikers (incl. de vergoeding) met het Nederlandse gemiddelde. Voor schaarse werknemers zou de werkgever volgens de onderzoekers meer over moeten hebben dan voor normale werknemers. De lonen van de internationale werknemers blijken dan ook in vrijwel alle onderzochte sectoren hoger te liggen dan het Nederlandse gemiddelde, soms zelfs drie keer zo hoog. Maar niet bij universitair medewerkers. 

    Buitenlandse werknemers aan universiteiten die profiteren van de 30%-regeling verdienen ook met belastingvoordeel gemiddeld 14% minder (€28,60 vs. €33,10 per uur) dan hun Nederlandse collega’s. Sowieso zijn de medewerkers van de universiteiten en umc’s gemiddeld de laagstbetaalde beroepsgroep die in de analyse is meegenomen (€33.473 en €44.864 op jaarbasis resp.).

    In de analyse wordt geen verder onderzoek gedaan naar leeftijd en functie van de universitair medewerkers, maar dit zou wel een verklaring voor de verschillen kunnen zijn. Zo’n 48% van de promovendi is van buitenlandse afkomst, in totaal bijna 4000 promovendi. Eerder bleek al uit cijfers van het CPB dat het aantal niet-Nederlandse promovendi de afgelopen jaren sterk gestegen is..

    Kosten en baten 

    De onderzoekers hebben ook een schatting gemaakt van de kosten en de baten van de regeling. De afgelopen jaren werd de 30%-regeling door een steeds groter aantal buitenlandse werknemers gebruikt, wat zowel extra belastinginkomsten als extra belastingvoordeel oplevert. Wat betreft de administratieve lasten voor belastingdienst en werkgevers/werknemers levert de regeling een tijds- en kostenbesparing op.

    Al met al blijkt het niet gemakkelijk een kostenraming in euro’s te maken maar de onderzoekers schatten de kosten van de regeling tussen de €20 – 320 miljoen per jaar. Daartegenover staan €55 – 140 miljoen aan monetariseerbare opbrengsten. Daarnaast zien de onderzoekers nog een legio aan niet-kwantificeerbare kosten en baten, bijvoorbeeld in de vorm van productiviteitswinst of het gebruik van publieke voorzieningen.

    Uit het onderzoek is dus lastig op te maken of afschaffing of verandering van de regeling over het algemeen voor- of nadelig is. Uit het kwantitatief onderzoek, aangevuld met enquêtes en interviews blijkt wel tevens juist buitenlandse medewerkers met een salaris van onder de 50.000 euro relatief veel baat bij de regeling hebben – alhoewel deze inkomensgroep tegelijkertijd aangeeft de regeling het minder belangrijk te vinden dan buitenlandse medewerkers in hogere salarisschalen.

    De vaste Kamercommissie Financiën heeft werkgeversorganisaties, vakbonden en specifiek de universiteiten middels een brief gevraagd om hun input. De universiteiten hebben eerder al aangegeven zeer veel waarde te hechten aan de 30%-regeling. De vraag is echter of zij de claim dat de regeling ‘schaars talent’ aantrekt nog kunnen blijven gebruiken als argument.