• A
  • A
  • Alleen het inzicht is niet voldoende

    (Foto: ScienceGuide)

    (Foto: ScienceGuide)

    - Resultaten van onderwijskundig onderzoek toepassen in de praktijk, het blijft een lastige opgave. ScienceGuide sprak met directeur Jelle Kaldewaij van NRO over kennisoverdracht, de meerwaarde van academisch geschoolde docenten, en het Wilhelmus.

    Het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) maakt deel uit van NWO en verdeelt jaarlijks zo’n €15 miljoen. Dat geld is bedoeld om onderzoek naar onderwijs uit te zetten, maar ook om dat onderzoek te laten landen in de praktijk. Dat laatste ziet directeur Jelle Kaldewaij als de grootste uitdaging: hoe zorg je ervoor dat bevindingen ook in de klas worden gebruikt?

    Kaldewaij begon zijn carrière als docent Nederlands en baande zich een weg door meerdere lagen in het onderwijs. Als bestuurder van middelbare scholen leerde hij dat niet alle docenten even bevlogen meedenken en meedoen als het gaat om innovatie en vernieuwing. Als hoofdinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs verbaasde het hem dat de praktijk nog zo gelijk was aan de tijd dat hij zelf voor de klas stond, "Ik zou de les bij wijze van spreken zelf weer kunnen geven."

    Bijna alle antwoorden zijn er al

    Om een begin te maken aan kennisuitwisseling tussen onderzoek en praktijk startte NRO begin 2016 een zogenaamde Kennisrotonde, een website waar iedereen vragen kan stellen over onderwijskundige onderwerpen. “Wat ons opviel is dat 95 procent van de vragen eigenlijk al eens beantwoord is,” vertelt Kaldewaij. “Bestaand onderzoek geeft al antwoord op hele praktische vragen en daarvan zeggen we ‘dat weten we al’.”

    Kaldewaij begrijpt dat niet elke docent de tijd en energie heeft om diep de literatuur in te duiken op zoek naar het voor hem relevante artikel. “Wij doen nu de vertaalslag van het onderzoek naar de praktijk, met een direct antwoord op de vragensteller en een stukje op de website voor algemeen gebruik.”

    Wanneer een docent zelf op zoek gaat naar een artikel stuit deze nu nog met enige regelmaat op een betaalmuur. “Ik vind het jammer dat we bij het opstellen van de open access agenda het niet hebben kunnen regelen dat er voor docenten specifiek iets zou komen waardoor ze artikelen kunnen raadplegen,” hij heeft hier overigens wel een oplossing voor: “ik raad mensen vaak aan om de auteur direct even te mailen, die vinden het meestal hartstikke leuk dat iemand contact zoekt en ze sturen het zo op.”

    Match onderzoek en praktijk

    Momenteel loopt het meerjarenprogramma ‘Met onderzoek onderwijs vernieuwen’ van NRO. Een van de thema’s in dit programma is burgerschap, wat ook in het nieuwe regeerakkoord aandacht heeft gekregen. Op de vraag of meer aandacht voor het Wilhelmus onder burgerschap valt antwoordt Kaldewaij ontkennend: "Ik vind dat een te eenzijdige benadering van 'burger zijn'. Het gaat voorbij aan de gedachte dat je bijvoorbeeld ook wereldburger kunt zijn, wat veel scholen wel als motto hebben."

    Voor het volgende programma, dat gaat lopen na 2019, zal NRO ook de PO- en VO-raad meer betrekken. “Daar zie je nu ook de bereidheid om meer met onderzoek te doen. Ik zie daar een goede mogelijkheid om zowel research als development te faciliteren.” NRO gaat, samen met de twee raden, kijken naar een R&D agenda voor het basis en voortgezet onderwijs. "Wij worden bekostigd voor onderzoek, maar eigenlijk is het veel leuker om de praktijksituatie en het onderzoek aan elkaar te koppelen. [...] Wat zien de schoolbesturen nu als belangrijke thema’s? Dan kunnen wij kijken of wij meer volume kunnen geven vanuit NRO." 

    Iedereen betrekken

    Een veel besproken fenomeen in het onderwijsonderzoek is dat nieuwe methoden met veelbelovende resultaten zich niet altijd vertalen in succesvolle toepassingen voor de klas. Wat in de handen van de docentonderzoeker werkte valt ineens dood in de handen van een collega. Een herkenbaar probleem volgens Kaldewaij. “Het meeste van ons onderzoek is niet fundamenteel maar praktijkgericht, het mag ook alleen bij ons aangevraagd worden vanuit een combinatie van onderzoeker en onderwijsinstelling.” Hiermee wil het NRO de scholen eigenaar maken van het onderzoek en later in het proces ook van de implementatie.

    Dat heeft volgens hem ook nadelen en daar is NRO zich van bewust. “Docenten nemen inderdaad niet automatisch over wat elders in onderzoek positief is gebleken. Ik herken dat ook uit mijn praktijk als docent Nederlands.” In de tijd dat Kaldewaij lesgaf werd het werken met groepjes ingevoerd en dat ging volgens hem niet overal even soepel. “Ik had collega’s die dan gewoon de opdracht op tafel legden bij een groepje leerlingen en verwachtten dat het dan vanzelf ging.” Volgens Kaldewaij zit de crux hem erin dat docenten ook mentaal verwerken wat ze met een onderwijsmethode doen. "Alleen het inzicht is niet voldoende, je moet het je eigen maken, en daar hoort ook training bij."

    Ambassadeursfunctie

    De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor academisch geschoolde docenten. De KNAW wil meer academici voor de klas in het voortgezet onderwijs, en ook voor het basisonderwijs is er nu naast een academische ook een universitaire pabo. De toevoer van academisch geschoolde docenten in het basisonderwijs is vrij laag. Toch ziet het NRO een ambassadeursfunctie weggelegd voor deze kleine subgroep.

    Het NRO heeft nauw contact met de Beroepsvereniging Academici Basisonderwijs (BAB) dat onlangs een mission statement opleverde waarin een aantal functies wordt aangedragen met meer ruimte voor onderzoek. “Een mooi voorbeeld is een bezoek dat wij laatst brachten aan een basisschool. In een gesprek dat ik had met een gepromoveerde basisschool docent, gaf zij aan dat zij voor haar collega’s elke twee weken een nieuwsbrief schreef. Hierin vertelde zij wat zij in onderzoek was tegen gekomen en hoe dit in de klas gebuikt kan worden.”

    De rest van de collega’s vonden de boodschap van het NRO tijdens dat bezoek te esoterisch. Op de vraag hoe zij dan wel in contact kwamen met onderzoek gaven de collega’s aan: “Ja, maar als zij het zegt, dan doen we dat. Maar we gaan niet zelf allerlei zaken opzoeken.” Hiermee hebben Academisch geschoolde docenten als het ware een ambassadeursfunctie van toegepast onderzoek binnen een team van docenten. Kaldewaij vindt wel dat je dit alleen in teamverband moet zien “Er zijn heel erg goeie studenten die hun bachelor in het hbo hebben gehaald en die dan een hele goeie docent worden.”

    Docent mag zich meer als professional gedragen

    Extra aandacht voor onderzoek in het onderwijs vraagt ook om een tijdsinvestering van docenten. Docenten uit het basisonderwijs hebben dit jaar meerdere malen geprotesteerd tegen een te hoge werkdruk. De docenten vragen om meer waardering, in geld en in maatschappelijke erkenning. De vraag dringt zich dan ook op of docenten wel tijd hebben om zich met (het toepassen) van onderzoek bezig te houden.

    Kaldewaij: “De beginsituatie is ongunstig, want je zit in een bepaald patroon en bent ’s avond moe en hebt dan geen zin om nog van alles te gaan doen. Maar wat docenten die bezig zijn met onderzoek ons wel vertellen is dat je een ander soort energie krijgt van onderzoek doen. En dan kan je ook op een andere manier kijken naar jouw klas en wat jij in jouw klas doet.”

    Volgens Kaldewaij hoeft het toepassen van nieuwe inzichten uit onderzoek ook niet per definitie meer tijd te kosten. “Wat je te vaak ziet is dat docenten heel veel zelf doen en te weinig door de leerlingen laten doen. Zij proberen het heel goed te doen en zitten ’s avonds nog mooie dingen te maken voor de klas. Maar je kan ook als standpunt nemen: De leerlingen moeten leren, dus zij moeten het doen.”

    Kaldewaij is van mening dat onderzoek en innovatie een nieuwe perspectief kan bieden op de manier waarop je als docent jouw werk uitvoert. En dat het in sommige gevallen het werk gezonder kan maken. Hierbij gaat het ook om een cultuuromslag, volgens de NRO-directeur. Docenten moeten weer het gevoel krijgen dat zij zelf gaan over het onderwijs. Als docenten leren dat zij niet slaafs door een boek of methode heen hoeven te gaan en handvatten krijgen voor het ook anders kan, dan kan dit zeker de werkdruk verlagen.

    Lees ook het verslag van de Nacht van de leraar ‘Docent van de toekomst is ongehoorzaam

    “Ik viel van mijn stoel”

    Dan nog een vraag over de hygiëne bij het verdelen van onderzoeksgelden. De afgelopen weken stond moederorganisatie NWO volop in de schijnwerpers. Terwijl bleek dat bij zusje ZonMw onderzoeksbeurzen op onwettige wijze waren verdeeld kwam NWO zelf met maatregelen om de aanvraagdruk te verlagen en honoreringspercentages op te schroeven. Is het niet vragen om moeilijkheden met zulke concurrentie?

    “Ik viel van mijn stoel. Wij bij het NRO hebben heel nadrukkelijk regelingen van betrokkenheden. Je mag niet in een beoordelingscommissie zitting nemen als je bepaalde betrokkenheden hebt. En je mag al helemaal niet in de commissie zitting nemen als je zelf een voorstel in dient. Dat is volstrekt onmogelijk.” Kaldewaij geeft toe dat het NRO zich soms voorzichtig afvraagt of de regels niet te streng zijn en aanvragen in de weg zitten. Die feedback krijgt de organisatie ook van instellingen.

    Volgens Kaldewaij gaat het bij het NRO wel om een andere tak van sport “Los van de Commeniusbeurzen die wij nu ook gaan doen is bij ons de focus niet op talent, en dus ook niet op personen gericht. Iedereen mag bij ons een aanvraag doen ongeacht C.V. en wij kijken naar het thema en het voorstel zelf.” Dat schept volgens hem wel enige ruimte en bovendien hangt iemands carrière er niet direct vanaf. Toch betekent dat niet dat er NRO geen competitie is. “Bij de laatste ronde, die we nu beoordelen, hadden we 120 aanvragen waarvan we er maar 30 kunnen honoreren.”