• A
  • A
  • Beroepsbegeleidende leerweg verdient upgrade

    (foto: Sander Morel)

    (foto: Sander Morel)

    - In de race tussen automatiseren en opleiden dreigt de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) van het mbo het onderspit te delven. Chiel Renique en Anneke Westerhuis pleiten voor een upgrade. “Als alles bij het oude blijft en de BBL alleen op niveau 2 een substantieel aandeel studenten trekt, dreigt marginalisering.”

    Het tiende deel van de reeks over het mbo is een gastbijdrage van twee ervaren denkers over het mbo. Chiel Renique en Anneke Westerhuis kijken naar de toekomst van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) in het mbo. 

    De economie verandert en het onderwijs ook

    Ons land loopt voorop in technologische innovatiekracht omdat deze wordt ondersteund door goed onderwijs. Dat vraagt om investeringen, in geld en in deelname. Dit wordt ook wel de ‘race tussen onderwijs en technologie’ genoemd (Goldin & Katz, 2008). In deze race gaan de stijging van het onderwijsniveau en het verdwijnen van laaggeschoold werk gelijk op. Laaggekwalificeerd routinewerk wordt door machines overgenomen en de deelname aan hogere onderwijsvormen maakt nog meer en snellere technologische vernieuwingen mogelijk. 

    Het is daarom een misvatting om de voorkeur van jongeren en ouders voor hogere opleidingsniveaus uitsluitend te verklaren uit de wens het vmbo te vermijden. Het beeld van de wisselwerking tussen onderwijs en technologie als race maakt inzichtelijk dat het streven naar een hoog opleidingsniveau een rationele basis heeft. 

    In deze race dreigt de beroepsbegeleidende leerweg van het mbo (de BBL) het onderspit te delven. Voor velen een zorg, maar zolang voorbij wordt gegaan aan de structurele oorzaken van de daling, zal de deelname aan de BBL blijven dalen. Er zijn andere oplossingen nodig als we willen dat deze gecombineerde leerweg van werken en leren blijft bestaan. 

    Veranderingen in de onderwijsdeelname zijn structureel

    In de afgelopen tien jaar is de mbo-instroom steeds verder opgeschoven naar niveau 3 en 4. Dit is vooral ten koste gegaan van de instroom op niveau 2, die in 2015/16 nog slechts een kwart van het totaal uitmaakte (zie tabel 1):

    mboinstroom1
    Uit tabel 2 blijkt dat in 2008/09 de BBL-instroom op niveau 1 en 2 het hoogst is. Iets meer dan de helft van de studenten op deze mbo-niveaus gaat naar deze leerweg. In 2015/16 is op alle mbo-niveaus de BBL-instroom gedaald. Nog steeds is het BBL-aandeel op niveau 2 het hoogst (27%), maar stukken lager dan in 2008/09. Op niveau 4 kan de BBL-instroom (5%) bijna niet verder zakken:

    mboinstroom2

    De daling van de BBL is deels een gevolg van de kredietcrisis, waardoor opleidingsplaatsen bij bedrijven zijn verdwenen en scholingsbudgetten zijn verlaagd. Dat geldt zeker voor instroom van volwassenen in de BBL. Maar er is meer aan de hand. Door de structurele daling van de instroom op mbo-2 zijn er simpelweg minder leerlingen voor de BBL beschikbaar. 

    Zelfs als de instroomverdeling tussen BOL en BBL op niveau 2 op het niveau van 2008/2009 (48 om 52%) terugkomt, hebben we het over 52% van een kleiner aantal studenten. Het verlies op niveau 2 zou op niveau 3 en 4 kunnen worden opgevangen, waar inmiddels twee-derde van de mbo-instroom naartoe gaat. Daarvoor is nodig dat de BBL op die niveaus een nog niet eerder behaald aandeel verwerft. 

    De BBL als institutioneel arrangement

    De BBL is het resultaat van een beleidsafspraken tussen de politiek en het werkveld. Kenmerkend voor zo’n arrangement is dat de organisaties die de afspraken maken ook aan de uitvoering steun moeten geven. Als ze vinden dat de afspraken hun relevantie verliezen, of partijen zich niet langer willen committeren omdat de realisatie achterblijft bij de verwachtingen, komt het arrangement onder druk te staan. 

    Volgens de institutionele beleidsliteratuur heeft elk arrangement een harde en zachte kant. Tot de harde kant rekenen we de doelstellingen, de toedeling van taken, het budget, de keuze van interventies, et cetera. De zachte kant zijn gewoontes die betrokkenen werkende weg ontwikkelen; omgangsvormen en aannames die het dagelijks en strategisch gedrag sturen. 

    Ook de BBL is een institutioneel arrangement. De oorsprong van de BBL ligt in het sectoraal opleiden van nieuwe generaties jongeren in de beroepspraktijk. Het DNA van het BBL arrangement was altijd leren voor praktisch vakmanschap op niveau 2. 

    Dit is waarschijnlijk de reden dat maatregelen die de deelname moeten bevorderen vaak neerkomen op pogingen de oude situatie te herstellen, bijvoorbeeld door betere informatieverstrekking, betere beïnvloeding en uitbreiding van het aantal BPV-plaatsen op dit niveau. De context waarin het arrangement is ontstaan is evenwel veranderd waardoor de toekomst van de BBL niet langer op niveau 2 ligt. Dit vraagt om herziening van de aandachtspunten en doelen van dit arrangement. 

    De BBL in internationaal perspectief

    In internationaal perspectief is de opleidingsvorm die in Nederland BBL wordt genoemd onder vele namen bekend: duaal systeem (Duitsland), apprenticeships (Engeland), deeltijdonderwijs (Vlaanderen). Belangrijker is dat de positie van dit onderwijs verschilt. In Duitsland heeft het duale systeem veel status, vooral omdat de toelating selectief is. Met het stijgen van het niveau van de beroepsuitoefening is ook het toelatingsniveau gestegen. 

    Daarentegen devalueert de status van de Oostenrijkse variant, nu het fulltime beroepsonderwijs meer leerlingen trekt. In Frankrijk en Vlaanderen staat de duale opleidingsweg bekend als alternatief voor leerlingen die het niet redden in het voltijdse schoolonderwijs. En in Engeland hebben apprenticeships inmiddels de positie van functieopleidingen voor ongeschoolde werknemers. 

    Deze leerweg beweegt mee met  de vraag naar hoger opgeleiden óf concentreert  zich uitsluitend op het kwalificeren van leerlingen voor wie schools leren te hoog is gegrepen. Laagopgeleiden krijgen amper toegang tot duale opleidingen óf deze opleidingen zijn  juist bedoeld voor laagopgeleiden. 

    De posities van de overheid en sociale partners kunnen het verschil verklaren (Busemeyer & Trampusch, 2012). In Duitsland besturen sociale partners het duaal beroepsonderwijs en staat de overheid op afstand. Het Duitse stelsel volgt veranderingen in de arbeidsvraag op de voet. Ook het Engelse bedrijfsleven is eigenaar van duale opleidingen. 

    Omdat ze niet onder collectieve arrangementen vallen ontbreken evenwel standaarden voor de inhoud en opleidingsbreedte. Oostenrijk kent inmiddels twee stelsels, waarbij het duale toenemend de onderkant van de arbeidsmarkt bedient. Het beroepsonderwijs in Frankrijk en Vlaanderen is afgeleid van het algemeen voortgezet onderwijs. De duale variant, die daar ‘t minst mee overeenkomt, heeft de laagste status. 

    Een nieuw institutioneel arrangement? 

    Waar staat Nederland? Als alles bij het oude blijft en de BBL alleen op niveau 2 een substantieel aandeel studenten trekt, dreigt marginalisering en een positionering zoals in Frankrijk en Vlaanderen. Mee-evolueren met de arbeidsvraag zoals in Duitsland gaat evenwel niet zonder slag of stoot. 

    Het vraagt dat mbo-opleidingen op niveau 4 niet langer geheel voltijds worden aangeboden in de beroepsopleidende leerweg (BOL). We redden dat niet met een campagne die de aantrekkelijkheid van de leerweg onder de aandacht brengt. Wat ook niet helpt is het benadrukken van de opvangfunctie zoals de SER (2016) in het laatste rapport doet. Wij zien twee opties voor een nieuw BBL-arrangement. 

    De eerste variant is het uitbreiden van het BBL-aanbod op niveau 3 en 4, of zelfs tot de Associate Degree (hbo). Dit is mogelijk binnen het huidige institutioneel arrangement, op voorwaarde dat we het idee loslaten dat de BBL bij uitstek geschikt is voor de voorbereiding op het primaire beroepsniveau. Deze in het arrangement verankerde aanname moet nodig worden herzien. 

    Om die slag te maken zijn sectoren afhankelijk van de medewerking van scholen. Zij immers beslissen of opleidingen in een of in beide leerwegen (BOL, BBL) worden aangeboden. Er is geen enkele wettelijke belemmering. De aantrekkelijkheid van het BBL-alternatief voor studenten ligt in de vlotte doorstroom naar een baan, een dynamische opleiding door koppelingen aan de praktijk en kennismaking met innovatieve bedrijfsomgevingen, zeker als koplopende bedrijven meedoen. 

    In samenwerking met bedrijven kunnen scholen de BBL op niveau 3 en 4 inzetten voor werknemers die op niveau 2 zijn begonnen en opscholing nodig hebben. Natuurlijk moet naar de bekostiging gekeken worden: is het reëel de bekostigingsfactor voor de BBL op 40% van de BOL te stellen? 

    De tweede benadering willen we kwalificeren als dualisering van BOL 3 en 4. Omdat deze niet uitgaat van de gebruikelijke, overigens niet verplichte, koppeling aan een arbeidsovereenkomst gebruiken we hiervoor niet de term BBL. Centraal staat een sterkere verwevenheid met de praktijk dan in het traditionele model. Deze kan op verschillende manieren vorm krijgen, wat ook al in de praktijk gebeurt. Zo kunnen in samenspraak met lokale ondernemers bedrijfssituaties worden ingericht: een leerafdeling in een zorginstelling, leerlingbouwplaatsen voor energieneutrale woningen, een hotel, meebouwen aan zonneauto’s. 

    Een ander praktijkvoorbeeld is de inrichting van Centra voor Innovatief Vakmanschap, waar een deel van de praktijk van de opleiding wordt uitgevoerd en aan ontwerp- of onderzoekopdrachten in technische opleidingen gewerkt kan worden. 

    Starten van deze ontwikkeling in de BOL heeft als voordeel dat niet hoeft te worden opgebokst tegen het imago van het klassieke arrangement dat met handen en voeten aan niveau 2 lijkt te zijn gebonden. Het vereist wel een bredere regievoering waarin de sectorale regie niet langer alleen, of hoofdzakelijk, is afgeleid van nationale regulering (kwalificatiestructuur, scholing praktijkopleiders, kwaliteitsbeoordeling leerplaatsen). Deze verschuift naar regionale netwerken van school en bedrijven, die de dualisering dragen en uitbouwen. 

    Mogelijk is de combinatie van beide benaderingen het meest kansrijk. Beide vragen intensief overleg tussen sectorale organisaties en mbo-instellingen. En in beide zal, op voorwaarde van open landelijke aansturing, belangstelling van scholen en het ontstaan van regionale netwerken, de dynamiek naar de regio verschuiven. Sectorale organisaties hebben de belangrijke taak de randvoorwaarden te creëren voor het dualiseren van de BOL op niveau 3 en 4. De defensief geïnspireerde en voorzichtige experimenten met BOL/BBL combinaties zullen de BBL niet redden! 

    Chiel Renique is voorzitter van de Stichting Internationaal Onderwijs in Nederland en vicevoorzitter van de commissie macrodoelmatigheid MBO. 

    Anneke Westerhuis is nationaal coördinator voor het ReferNet van CEDEFOP, Europees centrum voor het beroepsonderwijs en redactielid van het onderwijstijdschrift De Nieuwe Meso 

    Literatuur

    Busemeyer, M.R, & C. Trampusch, eds. (2012). The Political Economy of Collective Skill Formation. Oxford: Oxford University Press.

    Goldin C., L.F. Katz (2008). The Race between Education and Technology. Cambridge, MA: Harvard University Press.

    SER (2016). Toekomstgericht beroepsonderwijs. Deel 1 Voorstellen ter versterking van de beroepsbegeleidende leerweg. Den Haag: Sociaal- Economische Raad.