• A
  • A
  • Promoveren: steeds meer in minder tijd

    - "Laten we eerst herijken wat de essentiële onderdelen zijn van een promotie."aldus Gareth O’Neill voorzitter van het European Council for Doctoral Candidates and Junior Researchers.

    Er zijn te veel promovendi die alleen opgeleid worden voor een academische loopbaan. Dit stellen De Leij & Koopmans in een recent artikel binnen het promovendidiscours. De nadruk op wetenschappelijk onderzoek van topkwaliteit en de onzekerheid over het carrièrepad leiden volgens hen steeds verder tot ziekmakende stress, maar toch is hun oplossing wat vreemd.

    Volgens de auteurs moet het promotiestelsel op de schop en hebben we juist meer promovendi nodig die opgeleid worden als top kenniswerker buiten de academie. Het is onduidelijk in het betoog of dit nieuwe stelsel alle promovendi gelijk zou behandelen. Worden zij allemaal opgeleid voor een loopbaan zowel binnen als buiten de academie of wordt er een onderscheid gemaakt tussen degenen bestemd voor de academie en degenen voor de niet-academische arbeidsmarkt?

    Als we kijken naar de eigen universiteit van de auteurs in Groningen, die gretig meedoet aan het ‘promotie-experiment’ waarbij promovendi aangesteld worden als studenten, dan kunnen we dat onderscheid inderdaad verwachten. Daar worden de ‘promotiestudenten’ daadwerkelijk anders, en niet onomstreden, beloond en behandeld. Naast de al bestaande verschillen in promotievormen en promotiecontracten, en nieuwe soorten zoals de promotiestudent en de ‘industrial doctorate’, is er blijkbaar meer variatie nodig.

    Dat het huidige systeem door de nadruk op toponderzoek promovendi niet adequaat opleidt tot een brede kenniswerker is helder. De vraag is alleen of het promotiestelsel nu echt grondig op de schop moet en of we nog meer (soorten) promovendi nodig hebben om dit te verhelpen. Dat laatste wordt onvoldoende ondersteund door De Leij & Koopmans.

    Een buitengewoon succesvol plan

    Het huidig promotiestelsel is in de jaren ‘80 in het leven geroepen om promovendi professioneel op te leiden, meer afgestudeerden te laten promoveren, en de kenniseconomie in Nederland op te krikken. Het plan is buitengewoon succesvol geweest: het aantal promovendi is sindsdien verviervoudigd en Nederland hoort bij de wereldtop op het gebied van wetenschap en innovatie.

    Het probleem zit hem dus niet in het aantal promovendi of in het onderzoeksstelsel maar in de verwachtingsmanagement, het trainingsaanbod, en het takenpakket van promovendi. Wij hebben niet alweer een nieuw stelsel nodig maar het oude stelsel moet simpelweg verbeterd worden en vooral menselijker worden gemaakt.

    Hoewel meer dan 60% promovendi een academische baan willen, is dat slechts weggelegd voor minder dan 30% promovendi. Er is duidelijk een probleem met de verwachtingen van promovendi: weten zij nou niet de slaagkansen of negeren zij deze cijfers gewoon?

    Instellingen en begeleiders moeten dus al aan masterstudenten en zeker aan beginnende promovendi helder communiceren wat de kansen zijn en waar zij voor opgeleid worden. Maar aan de andere kant moeten (toekomstige) promovendi zelf de blijfkansen erkennen en zich tijdens de promotie oriënteren op een mogelijke baan buiten de universiteit.

    Nog meer ‘skills’

    Die oriëntatie op de arbeidsmarkt gaat niet vanzelf. Instellingen moeten ervoor zorgen dat promotietrajecten naast wetenschappelijke ook praktische of zogeheten ‘transferable’ skills trainingen omvatten. Dit zijn cursussen als projectmanagement, leiderschap, in teamverband samenwerken, effectief communiceren, netwerken, en solliciteren. Er is echter meer nodig dan alleen cursussen aanbieden om deze ‘skills mismatch’ op te lossen.

    Instellingen moeten promovendi al in contact brengen met bedrijven en toekomstige werkgevers tijdens de promotie en ze praktische ervaring gunnen. Dit kan vormgegeven worden door middel van loopbaanevenementen, gastcolleges door industrie-experts, en projecten samen met bedrijven. Een interessant initiatief van het Promovendi Netwerk Nederland is het Professional PhD Program waarbij promovendi tijdens de promotie de kans krijgen om tijdelijk betaald werk te verrichten bij een bedrijf. Het programma is momenteel kleinschalig maar zou makkelijk door de universiteiten overgenomen kunnen worden.

    Promovendi moeten als gevolg van de oriëntatie op de arbeidsmarkt extra vaardigheden leren en extra tijd in hun ontwikkeling steken. En dat naast de wetenschap bedrijven, artikels publiceren, conferenties bezoeken, colleges geven, studenten begeleiden, administratie, en een proefschrift schrijven.

    Als dat nog niet genoeg was, komen er steeds nieuwe verplichtingen bij die het takenpakket van de promovendus doet overstromen. Zij moeten nu ook leren over integriteit en zelf wetenschappelijk integer zijn, over valorisatie en hun onderzoek relevant maken voor de maatschappij, en over Open Science en hun onderzoeksdata en -resultaten zo open en FAIR (Findable Accessible Interoperable Reusable) mogelijk beschikbaar stellen aan de wereld.

    Onrealistische opgave

    Het is geen wonder dat weinig promovendi de promotie afmaken binnen vier jaar en schrikbarend veel promovendi gestresst of zelfs depressief zijn. Belangrijk is dus dat het takenpakket realistisch wordt en dat er balans komt tussen de verplichtingen. We hoeven niet allerlei nieuwe soorten promovendi te creeëren voor de verschillende taken. Instellingen moeten bepalen wat de verplichte kern is van het promotietraject, en daarbij ook beslissen welke taken niet bij promovendi worden neergelegd. Vervolgens moet de keuze aan de promovendus worden gegeven welke extra vaardigheden deze wil opdoen om zich voor te bereiden op zijn verdere loopbaan.

    Basisvaardigheden zouden bijvoorbeeld zijn: onderzoeksdata management, wetenschappelijke integriteit, wetenschappelijke artikels schrijven, en Open Access en Open Data publiceren. Daarnaast zouden allerlei keuzes kunnen worden aangeboden zoals op het gebied van colleges geven en studenten begeleiden, oriëntatie op de niet-academische arbeidsmarkt, entrepreneurschap, valorisatie, en Open Science. De Graduate Schools, waaronder de promovendi vallen, zouden hierbij een centrale rol moeten spelen in het trainingstraject.

    Vertrouwenspersoon belangrijk

    Verder moeten instellingen de drempel verlagen om stress en psychische klachten aan te geven. Zogenaamde vertrouwenspersonen, senior onderzoekers die niet verbonden zijn aan het project of zelfs instituut van de promovendus, kunnen een eerste contactpunt zijn. Een promovendus kan dan vertrouwelijk praten over problemen met de promotie of onzekerheden en vervolgens advies vragen.

    De vertrouwenspersonen kunnen promovendi desnoods doorsturen naar een promovendipsycholoog, een specialist op het gebied van promovendiproblemen, waar Van der Weijden & Meijer ook voor pleiten. Hier zijn er helaas nog weinig van in Nederland maar zij zijn broodnodig gezien de stress en depressie onder promovendi.

    Promoveren is een zeer bijzondere periode in het leven van een onderzoeker en moet ook zo blijven. Instellingen en begeleiders moeten erkennen dat het huidig stelsel te wensen over laat en samen in een open en eerlijk gesprek met promovendi het systeem verbeteren. Van promovendi wordt steeds meer verwacht in minder tijd. Laten we eerst eens herijken wat de essentiële onderdelen zijn van een promotie, en vervolgens de promovendus de leiding geven over zijn eigen ontwikkeling.

    Gareth O’Neill is promovendus aan de Universiteit Leiden en is voorzitter van het European Council for Doctoral Candidates and Junior Researchers.