• A
  • A
  • Europese universiteiten: classificeren of ranken?

    - 'Op welke plaats staat mijn universiteit in de laatste ranking? Hoog? Dan roepen we het van de daken,' schampert Qanu-voorzitter Jan Veldhuis. 'Minder hoog? Dan deugt de rankingssystematiek niet, maar wel aanleiding tot acties, al dan niet geheim. Laag? Beter even gezwegen, en dan zeker acties.' Hij recenseert het nieuwe boek van Frans van Vught over ranking en classificatie.

    De rankings rollen over elkaar heen. Nationaal: de zachte/subjectieve Elsevier en (alleen voor de universiteiten) de harde/meer objectieve CWTS; internationaal voor de universiteiten: de subjectieve THES en de harde/meer objectieve Shanghai en CHE. Ze zijn verschillend van aard en object. Soms worden in een ranking appels met peren, en in de perceptie van de uitkomsten zelfs appels met kastanjes vergeleken.

    Dr. Frans van Vught (1) leidt een door de Europese Commissie gesponsord project, gestart in 2005 en gericht op het ontwikkelen van een instrument, dat een bruikbare en effectieve transparantie in de diversiteit van de Europese hoger onderwijs instellingen  kan aanbrengen. Tezamen met 13 andere deskundigen publiceerde hij in december 2008 de resultaten van de eerste twee fasen van dit project (2).  In  deze fasen is eerst een set stelregels voor het ontwikkelen van het beoogde instrument opgesteld, en vervolgens, via een proces van consultaties van deskundigen en belanghebbenden,  een ontwerp van zo'n instrument. Hoofddoel is classificatie, d.w.z.  een indeling in diverse groepen instellingen voor hoger onderwijs. Pas als een dergelijke classificatie bestaat, heeft het zin en is het fair instellingen binnen één en dezelfde groep te vergelijken, en eventueel te ranken.

    Een voor Europa noodzakelijk project, maar uitermate complex. Daarom ook een gedurfd project, waaraan met  verbeelding en realisme wordt gewerkt. En met taaie volharding.

    De opzet is een goede, ook al zou het boek aan helderheid en overtuigingskracht gewonnen hebben als het door één auteur was geschreven. Herhalingen, overlappingen en soms tegenstrijdige benaderingen zouden dan gemakkelijker vermeden zijn. Niettemin is de volgorde van de diverse hoofdstukken een logische, waardoor de eenheid van benadering meer dan voldoende is en de lijn van het betoog helder.

    In hoofdstuk 1 worden sociaal-wetenschappelijke theorieën en onderzoeksmodellen geschetst. Ze dienen als een zekere legitimatie voor de gevolgde werkwijze, die ook in dit hoofdstuk wordt weergegeven. Bij leken kan wel de indruk ontstaan, dat de theorieën en modellen er door de schrijver, van Vught zelf, 'pour besoin de la cause' worden bijgehaald.                                              

    Hoofdstuk 2, van Jeroen Huisman en Frans van Vught, geeft een helder overzicht van de recente ontwikkelingen en van de hedendaagse trends in Europa op het onderhavige gebied. Gevoelige onderwerpen worden niet vermeden, zoals de dreiging van een Mattheus-effect bij het opstellen en invullen van een classificatie, en zeker van een ranking: het risico dat de bestaande regionale diversificatie in sterk en zwak verder wordt vergroot. Alleen worden die regio's niet genoemd, terwijl de voorbeelden in  2.6. wel alle uit het rijke, ontwikkelde NW-Europa komen.  Ook de permanente spanning tussen enerzijds het honorabele streven naar meer diversiteit en anderzijds de telkens weer waarneembare tendensen naar homogenisering, juist ook gestimuleerd door het averechtse effect van -tegenvallende- classificaties en/of rankings : proberen om meer op de hoger geplaatste(n) te gaan lijken (vergelijk: academic drift).                                                                                                    

    Hoofdstuk 3, van de hand van Dirk Van Damme, geeft een bijzonder helder inzicht in deze spanning. Hij geeft aan hoe deze gehanteerd kan worden : vooral door een verduidelijking  van het belangrijke onderscheid tussen systeemconvergentie, beoogd door het Bologna-proces, en de noodzakelijke institutionele diversiteit.  Hierbij is Van Damme verfrissend 'outspoken'. Hij geeft een duidelijk èn nuttig overzicht van voor- en nadelen, van risico's en gunstige effecten, van de zoektocht naar en het aanbrengen van meer transparantie, waarbij hij in het bijzonder die spanning tussen streven naar diversiteit en de tendensen van homogenisering inzichtelijk behandelt.

    Inmiddels wacht de lezer vol spanning op het ontwerp  van het beoogde instrument. Hij wordt op zijn wenken bediend: in hoofdstuk 4 schetsen Jeroen Bartelse en Frans van Vught een model. Zij onderbouwen dit vrij overtuigend met  een weergave van doelstellingen en van diverse mogelijke concepten, waaruit ze een beredeneerde keuze maken. De Amerikaanse Carnegie Classificatie is niet zonder reden het belangrijkste voorbeeld. Het voorgestelde model bestaat uit 14 dimensies (3). Iedere dimensie heeft weer een aantal indicatoren                                                                                                         

    Uiteraard roept juist de keuze van deze dimensies en van de indicatoren vragen op. Een belangrijke vraag is waarom gegevens als de in het onderwijs zo belangrijke data inzake in- en output, d.w.z.  aard en kwaliteit van de tot de instelling toegelaten studenten en van de aangestelde docenten, en de kwaliteit van de afgestudeerden, b.v. gemeten aan het succes op de arbeidsmarkt, niet tot "the appropriate set of dimensions and indicators" behoren.  Zijn dergelijke gegevens niet wezenlijk voor een beter inzicht in de diversiteit van de instellingen van hoger onderwijs, en daardoor bevorderlijk voor  "transparant and trustworthy information " voor studenten, ouders en arbeidsmarkt? Voor een classificatie van een instelling zijn toch niet alleen de 14 genoemde dimensies van belang? Toelatingseisen voor en methoden van selectie van studenten alsmede kwalificatie-  en honoreringniveaus van docenten bepalen toch in belangrijke mate het karakter en…..de status van een institutie?

    Het Amerikaanse stelsel van hoger onderwijs is zonder kennis hiervan niet te begrijpen. Boekhandels en bibliotheken barsten uit hun voegen door de vele gidsen met vergelijkende informatie hierover. In 1.4. rept Van Vught zelf over een zevental factoren, die de diversiteit bevorderen, waaronder "student needs",  "social mobilty"(zowel up- als downward), de "needs of the labour market" èn "poltical needs of interest groups".

    Deze hebben alle een onverbrekelijke relatie met de genoemde in- en outputfactoren. Men behoeft Jerome Karabel's "The Chosen. The hidden history of admission and exclusion at Harvard, Yale and Princeton" (4) maar te lezen om te weten hoe wezenlijk de toelatingssystematiek en relatie met de arbeidsmarkt voor de positionering van een instelling zijn. En ze zijn intrinsiek verbonden met de sociale stratificatie (social mobilty…) in de USA. Voor andere landen, zoals Engeland en Frankrijk, geldt iets soortgelijks. Vele auteurs hebben hier over geschreven. Voor Engeland is Will Hutton (5) en voor Frankrijk Pierre Bourdieu nog steeds actueel (6).                                                                                                                                   Zijn Zijn dergelijke in- en output- gegevens te (politiek) gevoelig? Of houden ze teveel het risico in, dat onvermijdelijk een ranking naar 'kwaliteit' gaat volgen? Wellicht hebben de ontwerpers goede redenen om deze gegevens niet op te nemen, maar dan is een uitleg hiervan niet overbodig voor een goed begrip van de opzet.

    Na dit cruciale hoofdstuk volgt terecht een hoofdstuk over 'Rankings and Classifications' van de hand van Marijk van der Wende en Don Westerheijden. Eveneens een realistisch betoog, ook al is een tikkeltje 'idealisme' de schrijvers niet vreemd. Ze maken helder, waarom het nuttig en nodig is duidelijk aandacht aan het onderscheid tussen beide begrippen te besteden.

    In het boek als geheel waart bij sommige auteurs 'ranking' te veel als een gevreesd spook rond: zij geven blijk van angst voor of zelfs weerzin tegen ranking. Dit geldt niet voor Van der Wende en Westerheijden. Zij beschrijven realistisch de vele methodologische problemen en feitelijke gebreken van de huidige rankings. Dat deze niettemin grote invloed op het beleid van instellingsbesturen en op overheidsbeleid hebben onderkennen ze ook nuchter.

    Ze vervallen dan ook niet in een ranking-fobie, maar gebruiken de huidige -gebrekkige- situatie als een argument om zo snel mogelijk tot een reële classificatie van diverse soorten instellingen te komen. Binnen elk van de soorten kan dan gerankt worden. Hiervoor bevelen ze de huns inziens 'best practice'  in Europa aan : de multidimensionele systematiek van het Centre for Higher Education Development, CHE, in Duitsland. Ze beseffen, dat ranking een niet meer weg te denken instrument is geworden, zoals ook de OECD-deskundige, de Ierse Ellen Hazelkorn (onlangs door minister Plasterk benoemd tot lid van de Commissie Veerman) betoogt (7).

    Dit dient dan wel te gebeuren op basis van een classificatie, die onafhankelijk van rankings  tot stand is gekomen. De wens van de beide auteurs, dat deze classificatie horizontale diversiteit weergeeft, is echter illusoir : tussen de diverse groepen zal onvermijdelijk een verticale hiërarchie bestaan dan wel worden verondersteld. Research universiteiten zullen steeds bovenaan in de waardering staan, zoals ook in diverse andere hoofdstukken van het boek wordt onderkend.

    Hierna volgen nog vijf hoofdstukken, die van minder belang zijn voor het inzicht in het voorgestelde classificatie-instrument, maar wel de rationaliteit ervan ondersteunen. In hoofdstuk 6 beschrijven Frans Kaiser en Frans van Vught het proces van het ontwerpen van het classificatie-instrument, en in hoofdstuk 7 geeft  Sybille Reichert aan, hoe het instrument in de praktijk werkt of kan werken, zowel in de 'European Higher Education Area', EHEA, als in onderscheiden landen van deze EHEA. Christiane Gaetgens en Rolf Peter doen hetzelfde voor de 'European Research Area', ERA.

    Sterk overtuigen doet de inhoud van deze hoofdstukken nog niet. Dit geldt evenzeer voor de twee laatste hoofdstukken, waarin eerst Astrid Laegreid en Julie Feilberg het gebruik van de voorgestelde classificatie gebruikt voor de profilering van de Noorse University of Science and Technology, en vervolgens in het laatste hoofdstuk Peter West en Saskia Hansen hetzelfde doen voor de University of Strathclyde. Deze 'empirische testen' zijn nog niet stevig genoeg. Ook onduidelijk is waarom deze universiteiten, beide weer in NW Europa gelegen, zijn gekozen.

    Dit alles doet weinig af aan het grote belang van het project en de potentiële kracht van het instrument. De planning voorziet er ook in, dat het huidige ontwerp in het verdere verloop van het proces nog stevig kan worden bijgesteld.

    Het inzicht in de noodzaak en het belang  van het ontwerpen van een classificatie kan nog worden vergroot indien in volgende rapportages :

    - een 'echte' inleiding en een bondige samenvatting staan;

    - een inleiding of een bijlage wordt opgenomen, die basale kerncijfers bevat over de ontwikkelingen in het Europese hoger onderwijs èn onderzoek sinds b.v. 1950, zoals de groei van het aantal studenten en van het aantal instellingen;

    - in het begin heldere definities worden gegeven van centrale begrippen als diversity/diversification, convergence en transparency, en vooral onderscheidend : mapping en classification, classification en ranking;

    - steeds duidelijk is of het over (nationale) onderwijsstelsels of over onderscheiden onderwijsinstellingen gaat; niet alleen de achterkant van het hier besproken boek, maar ook diverse schrijvers, b.v. op pag. 7 en 27, kunnen verwarring veroorzaken.

    Op diverse plaatsen wordt ook het Nederlandse HO-stelsel vermeld of kort beschreven. Op sommige punten kan dit wat evenwichtiger:

    - de verklaring op pag. 13 waarom  autonomievergroting niet tot diversificatie, maar tot meer homogenisering heeft geleid: dat ligt toch niet aan de combinatie van de macht van de 'academic professionals', en 'governmental regulations'? Tenzij onder dit laatste de strakke toepassing van het wettelijk vastgelegde beginsel van 'gelijke financiële bedeling' wordt verstaan; dat dient dan geëxpliciteerd te worden;

    - in paragraaf 2.6.3., die specifiek enkele ontwikkelingen en het huidige beleid in Nederland behandelt: meer neutraliteit t.a.v. het binaire stelsel; meer aandacht voor de universiteiten, en dan ook cijfers over de  omvang van de onderzoeksfinanciering; ontwikkelingen in de richting van meer differentiatie binnen het binaire stelsel: aan de hogescholen de experimentele 2-jarige hbo-opleidingen en bepaalde master-opleidingen, en aan de universiteiten de university colleges, law en liberal arts colleges, en de diverse soorten master-opleidingen.

    Korotm, dit is een uiterst lezenswaardig boek, dat helder rapporteert over de eerste twee fasen van een belangwekkend project, en bijzonder nieuwsgierig maakt naar het verdere verloop van het project en naar de rapportages hierover.                                                                                                                          

    Deze rapportage maakt sterker dan eerder gebeurde aannemelijk, dat er 1) een classificatie-systeem in Europa moet komen, en ook zo spoedig mogelijk het huidige project tot een aanvaardbaar en werkbaar model kan leiden.                                         

    Voorschoten, oktober 2009

    Jan G.F.Veldhuis, oud-voorzitter College van Bestuur Universiteit Utrecht, en voorzitter bestuur van Quality Assurance Netherlands Universities (QANU)

    Noten

    (1) Oprichter van het Center for Higher Education Policy Studies aan de Universiteit Twente, oud-rector en oud-collegevoorzitter van deze universiteit, en momenteel leidinggevend in Nederlandse, Europese en wereldwijde organisaties en een belangrijke beleidsadviseur van de voorzitter van de Europese Commissie op het gebied van hoger onderwijsbeleid.

    (2) Frans van Vught (ed) : Mapping the Higher Education Landscape. Towards a European Classification of Higher Education. Higher Education Dynamics, vol. 28. Springer Science + Business Media B.V. 2009. ISBN 978-90-481-2248-6.

    (3) De 14 dimensies zijn :

    1. Degree level
    2. Subject mix
    3. Orientation of programmes
    4. Involvement in lifelong learning
    5. Research intensiveness
    6. Innovation intensiveness
    7. International orientation : teaching
    8. International orientation : research
    9. Size

    10. Mode of delivery

    11. Public/private character

    12. Legal status

    13. Cultural engagement

    14. Regional engement.

    (4) Jerome Karabel : The Chosen. The hidden history of admission and exclusion at Harvard, Yale and Princeton (New York 2005). ISBN-13 978-0-618-77335-8.

    (5) Will Hutton :  The State We're in : Why Britain Is in Crisis and How to Overcome It (Cape 1995). ISBN 3-224-03688-2. En : The World We're In (London 2002). ISBN 0-316-85871-4.    

    (6) Pierre Bourdieu : La Nobless d'Etat. Grandes écoles et esprit de corps (Paris 1989). ISBN-13 : 978-270731785.

    (7) Ellen Hazelkorn is director en dean  van het Dublin Institute of Technology en een van de invloedrijkste adviseurs van de OECD.  Zie voor haar opvatting over rankings  : The Impact of League Tables and Ranking Systems on Higher Education Decision Making; in : Higher Education Management and Policy, vol. 19, issue 2. (Parijs 2007). ISBN 9264035664