Wouter Pols filosofeerde met kinderen van de bovenbouw van de
Bloemhofschool, samen met studenten filosofie van de Erasmus
Universiteit. "Dat filosoferen in de Bloemhofschool was een
leerzame ervaringvoor me", zo schrijft hij. "Ik heb geleerd dat om
met kinderen te kunnen filosoferen opstelling en afstemming
cruciaal zijn. Zonder een goede opstelling kunnen kinderen niet tot
afstemming komen. En zonder afstemming kom je in een filosofisch
gesprek niet verder. De motor van het filosofisch gesprek is het
toetsen van de eigen denkbeelden over een bepaalde zaak aan die van
anderen. Daarvoor moet je afstemmen."
Hieronder volgt een verslag van een filosofisch gesprek. De
kinderen zitten in de kring; ze kunnen elkaar aankijken
(opstelling). Het onderwerp is de dood. Daar hebben de kinderen van
huis uit verschillende opvattingen over, afhankelijk van hun
godsdienstige achtergrond. Hun denkbeelden verschillen. Uit het
gesprek zal blijken dat het voor de kinderen niet eenvoudig is hun
denkbeelden op elkaar af te stemmen. Dat is met zo'n zwaar beladen
(godsdienstig) onderwerp wellicht ook te veel gevraagd. Waar het
echter - allereerst - om gaat is dat de kinderen erkennen dat er
verschillen zijn. Jouw denkbeelden over de dood hoeven niet die van
de ander te zijn. In het erkennen van het verschil ligt het begin
van denken over…
Wouter leest een verhaal voor over een jongen waarvan de moeder
zwanger is. De jongen vindt het leuk dat hij een broertje of
misschien wel zusje krijgt, maar hij maakt zich ook zorgen. Hij
heeft gehoord dat sommige baby's dood geboren worden. Als dat maar
niet met zijn nieuwe broertje of zusje gebeurt.
Wouter: 'Wie kan er een filosofische vraag bij het verhaal
bedenken?'
A.: 'Waarom gaan mensen dood?'
(…)
B.: 'Sommige mensen verdienen het om dood te gaan, want die
leven slecht. Mensen die dood gaan, gaan naar het vuur of naar de
hemel.'
Wouter: 'Hoezo?'
B.: God, kijkt of je goed of slecht geleefd hebt. Heb je goed
geleefd dan leef je lang en ga je naar je naar de hemel, heb je
slecht geleefd dan leef je kort en ga je naar het vuur.'
Wouter: 'Weet jij wat God over jou denkt?'
De kinderen in koor: 'Nee.'
Wouter herhaalt wat B. heeft gezegd. 'Is iedereen het daarmee
eens?'
M.: 'Nee. God beslist gewoon wanneer mensen dood gaan.'
Wouter laat J. M.'s standpunt herhalen. Daarna geeft ze haar
mening: 'Als je goed leeft, kun je ook gewoon dood gaan en als je
slecht leeft lang leven.' J. heeft een kindje zien overlijden; dat
heeft haar aangegrepen. 'Zo'n kindje heeft toch niet slecht
geleefd?'
Wouter herhaalt de beide standpunten. 'Hoe zit het nou?'
R. zegt tegen B.: 'We weten niet waar we naar toe gaan. We weten
ook niet of God bestaat en of er een hel is. We weten dus ook niet
waarom iemand sterft en waar iemand als hij dood is naar toe
gaat.'
B. reageert hier fel op, maar daar wordt niet veel aandacht aan
besteed. Hij praat voor zijn beurt. Wouter vat R.'s standpunt
samen en geeft Salima de beurt. R.'s standpunt heeft haar geschokt.
Dat is duidelijk aan haar te zien. Maar S. wil er niet over
praten.
H.: 'Als je niet weet of God bestaat, wie laat jou dan
leven?'
R.: 'God is toch ook dood gegaan?'
De klas reageert fel en verbijsterd. De idee dat God ooit is
dood gegaan, gaat er bij hen niet in.
R.: 'Jezus is dood gegaan, maar we weten niet of hij heeft
bestaan.'
S. durft nu wel: 'God heeft geen vrouw en geen kinderen, je weet
niet hoe hij er uit ziet; dat weet je pas als je dood bent.'
Wouter vat samen en trekt een conclusie: 'S. en R. denken
verschillend, maar over een ding zijn ze het wel eens: we weten
niet precies hoe het zal zijn als we dood gaan.'
A. legt het verschil uit tussen Jezus en Isa. 'Isa is ook een
profeet, maar niet de zoon van God. Ik begrijp R. wel; bij ons is
het gewoon anders.'
H. reageert op R.: 'Als God dood is, hoe bestaat de wereld
dan?'
G.: 'God gaat niet dood, wij kunnen hier geen antwoord op
geven.'
(…)
De tijd is nu bijna om, maar de klas wil heel graag over het
onderwerp verder praten. Wouter geeft de kinderen een opdracht die
ze in hun filosofieschrift kunnen maken.'Geef een antwoord op de
vraag: "Waarom gaan mensen dood?"' De klas gaat aan het werk.
Ondertussen praten ze met elkaar door over het onderwerp. R. wordt
veel aangevallen, vooral door B. Hij kan het zich niet voorstellen
dat iemand kan zeggen dat God dood is of misschien niet eens
bestaat. Het is of hij daar nooit aan gedacht heeft of over
gehoord.
Wouter Pols
Hogeschool Rotterdam
Voor meer informatie: zie Wouter Pols. Filosoferen met kinderen.
Samen zoeken naar woorden. In Pedagogiek in Praktijk (50),
september 2009, pp. 26-29.