
Van oudsher, in zoverre daar bij negen jaar lectoraten van gesproken kan worden, hebben lectoren de volgende vier opdrachten: curriculumontwikkeling, professionalisering van docenten, uitvoeren van praktijkgericht onderzoek en kenniscirculatie. In de praktijk blijkt dat de invulling van deze vier kerntaken, en de prioritering daartussen, per lectoraat enorm verschilt. Bovendien is de samenhang niet altijd even helder. Dit is vooral afhankelijk van de voorkeur van de lector zelf, en - in mindere mate - van de keuze van de betreffende hogeschool. Een dergelijke variatie kan, vooral in een opstartfase, zeker zinvol zijn. Laat veel bloemen bloeien en pluk aan het eind de mooiste.
Inmiddels zijn we echter de opstartfase voorbij. Het is tijd voor een volgende stap en een duidelijkere profilering van lectoren op deze kerntaken. Dat is niet alleen van belang voor een meer effectieve inzet van lectoren, maar betekent ook een volgende, noodzakelijke stap naar verdere professionalisering van lectoren.
Eén kerntaak
In mijn ogen wordt het centrale doel - kwaliteitsverbetering van het onderwijs door integratie van onderzoek en onderwijs - het best bereikt door te focussen op één kerntaak: het uitvoeren van praktijkgericht onderzoek. Praktijkgericht onderzoek dat per definitie samen met het veld wordt geprogrammeerd en uitgevoerd. De overige drie kerntaken zijn zeker belangrijk, maar dienen vooral in de slipstream van praktijkgericht onderzoek te worden opgepakt.
Een primaire gerichtheid op een van deze andere drie taken, zonder een directe koppeling met onderzoek, kan mogelijk positief uitwerken, maar kan beter door anderen worden geïnitieerd en uitgevoerd. Lectoren kunnen daar wel een rol bij spelen, maar bedacht moet worden dat zij in eerste instantie geen docenten zijn die verantwoordelijkheid dragen voor het curriculum van opleidingen van de hogeschool. Ook zijn zij in eerste instantie geen docenten die andere docenten moeten leren wat onderzoek is.
Naast het uitvoeren van praktijkgericht onderzoek kunnen vervolgens de overige drie (afgeleide) kerntaken hun plaats krijgen: de resultaten vinden hun plaats in het curriculum, studenten en docenten participeren in dit onderzoek en de opgedane kennis wordt zowel in- als extern actief gecirculeerd. Door deze prioritering krijgen de vier taken van lectoren een logische samenhang en wordt ook meer recht gedaan aan de aard van het lectorschap.

Financiering
Dit alles moet natuurlijk ook bekostigd worden. Vanuit alleen de eerste geldstroom kan dit helaas niet gerealiseerd worden, dus moet actief worden gezocht naar andere mogelijkheden. In de gevoerde discussies en in het beleid van veel hogescholen is het opvallend dat er - als het gaat over de inzet van lectoren - vaak wordt aangestuurd op een versterking van vooral de derde geldstromen.
Dat lijkt in deze, financieel gezien moeilijke tijden, een voor de hand liggende keuze. Immers, hiermee kunnen lectoren niet alleen (een deel van) hun salaris terugverdienen, maar ontstaan er ook extra financieringsstromen die hogescholen in tijden van teruglopende eerste geldstromen goed kunnen gebruiken. Deze keuze is zeker interessant als we hiermee ook nog kans zien om studenten en docenten te laten participeren in onderzoek.
Desondanks is het de vraag of deze primaire keuze voor derde geldstromen in dit kader de juiste is: lectoren zijn in het hbo geïntroduceerd vanuit kwaliteitsoverwegingen en niet vanuit financiële belangen. Het gaat erom dat onderzoek naast onderwijs een primaire kerntaak is.
Niet vanwege het onderzoek op zich. Bij integratie van beide wordt enerzijds de onderzoekende houding van studenten (maar ook docenten) bevorderd, anderzijds wordt geborgd dat docenten (maar ook studenten) leren hun eigen vakgebied kritisch bij te houden en de laatste wetenschappelijke inzichten in hun handelen te integreren. Een primaire gerichtheid op financieel belang kan tegenstrijdig zijn met de oorspronkelijke doelstelling: de kwaliteitsimpuls.
Tweede geldstromen
Van belang bij tweede geldstromen is dat deze altijd een deel eigen financiering vereisen, dat gemiddeld rond de 20% ligt en voortkomt uit de eerste geldstroom. Gezien het primaire doel van kwaliteitswinst is dat overigens niet onterecht. Het vraagt echter wel om een duidelijke keuze om hiervoor te gaan en de inhoud goed af te stemmen op de huidige en toekomstige behoeftes vanuit het veld. Het vraagt ook om een stevige infrastructuur die lectoren ondersteunt bij het scannen naar mogelijkheden, het efficiënt indienen van voorstellen en, last but not least, bij het projectmanagement.
Met name als het gaat om het verantwoorden van de noodzakelijke vermenging van geldstromen, en om het adequaat plannen en begroten. Hier moeten hogescholen nog een behoorlijke professionaliseringsslag maken, waarbij veel geleerd kan worden van organisaties buiten het onderwijs die een groot deel van hun omzet genereren uit deze tweede geldstroom.
Zoiets betekent niet dat de keuze voor derde geldstroomactiviteiten niet terecht is. Integendeel. Dit kan uitstekend werken, mits de argumentatie ervoor maar helder is. Tevens moet er volop ruimte zijn voor het uitvoeren van praktijkgericht onderzoek vanuit het perspectief van kwaliteitsverbetering waarbij de andere drie kerntaken expliciet een rol krijgen.
Willen hogescholen de benodigde kwaliteitsimpuls echt realiseren, dan vraag dat om expliciete keuzes en een expliciet beleid om dit mogelijk te maken. Maar ook voor lectoren is er werk aan de winkel. Willen zij zichzelf verder professionaliseren, dan zullen ook zij keuzes moeten maken. Te beginnen bij het prioriteren en verder uitbouwen van hun kerntaak: uitvoeren van praktijkgericht onderzoek.
Henk Rosendal is lector Mensen met chronische ziekten aan de Hogeschool Leiden