
De Europese vrije onderzoeksruimte houdt volgens Deketelaere in, dat naast het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal zou dit de 'vijfde vrijheid' moeten worden: het vrij verkeer van kennis.
Kurt Deketelaere: "Het MoU gaat terug op de discussie of er nu
een Europese Richtlijn zou moeten komen om dit te realiseren, of
dat dat via afspraken met Europese lidstaten en stakeholders kan.
Vanuit LERU zijn wij nooit bang geweest voor een richtlijn. Bottom
line blijf ik ervan overtuigd dat je vrij verkeer van kennis niet
kunt realiseren zonder wetgeving. De andere Europese vrijheden zijn
ook alleen gerealiseerd dankzij wetgeving."
Maar dan neemt niet weg dat Deketelaere toch van harte meedoet in
de vrijwillige afspraken met de Europese Commissie, onder meer op
het vlak van open acces, ontwikkeling van carrièrepaden voor
onderzoekers en intensievere samenwerking tussen universiteiten bij
researchprojecten. Sterker nog: de eerste draft van het recent
ondertekende MoU-document was van zijn hand.
Hoe ver willen universiteiten gaan?
"Voor de Europese Commissie was het aanvankelijk moeilijk om in te
schatten tot hoe ver de stakeholders bereid waren te gaan", stelt
Deketelaere, "Maar na een eerste draft vanwege LERU heeft de
Commissie er onmiddellijk op ingepikt. Eigenlijk is het allemaal
heel vlot gegaan, vooral wanneer je je realiseert dat de
samenwerking met de stakeholders pas op de laatste dag van januari
was aangekondigd. Binnen vijf maanden hebben we iedereen
gemobiliseerd."
Alleen ScienceEurope, de organisatie van National Research
Councils heeft de Europese Commissie niet aan boord kunnen
krijgen voor een MoU, iets wat voor ieder teleurstellend was.
"Hoewel we ScienceEurope nadrukkelijk wél gevraagd hebben om mee te
doen, is de organisatie met een eigen unilateraal statement
gekomen."
"Natuurlijk is het voor ScienceEurope moeilijker dan voor de vier
organisaties die zich middels het MoU wel verbonden hebben. Op
punten als 'harmonisatie van peer review procedures' en 'joint
funding' werden behoorlijk verregaande engagementen gevraagd.
Niettemin is het een gemiste kans: het zijn juist de National
Research Councils die hun geld zouden moeten samenleggen om tot een
betere focus in het Europese onderzoek te komen."
Twinning met Centraal- en Oost-Europese
universiteiten
Liggen de onderzoeksuniversiteiten op koers? Zoals te
verwachten, in elk geval zijn de bij LERU aangesloten
onderzoeksuniversiteiten vergevorderd. "Plus: er zijn nog nieuwe
engagementen aangegaan", voegt Deketelaere toe. "Voornamelijk het
engagement van twinning. In feite wil dat zeggen dat we ons willen
committeren aan samenwerking met Centraal en Oost-Europese landen,
mits een aantal randvoorwaarden vervuld is."
Een hele stap is dit voor de universiteiten van West-Europa waar zelfs onderlinge samenwerking nog niet altijd makkelijk gaat. Dat het echt kan werken, weet Kurt Deketelaere uit eigen hand: "Ik ben nu zelf als hoogleraar aan de rechtenfaculteit van de KU Leuven betrokken bij het opzetten van een Centre of Excellence rond het thema 'aanpassing aan klimaatsverandering', samen met de universiteit van Malta."
"Als eiland heeft Malta natuurlijk direct te maken met de
gevolgen van klimaatverandering en het was ook Malta die als eerste
het thema bij de VN op de agenda zette." Deketelaere hoopt nu dat
de Maltese overheid het project als voorbeeld van 'smart
specialisation' aanmerkt, en dat het Centre of Excellence daarna
geld uit de Europese Structuurfondsen kan ontvangen.
Volgens Deketelaere wordt dit laatste ook hét knelpunt bij de
onderhandelingen over Horizon 2020, de opvolger van de Europese
kaderprogramma's voor onderzoek. "De jongste EU-lidstaten zullen
voor hun ja-stem inzake Horizon 2020 boter bij de vis willen, geld
vanuit de Onderzoeksfondsen en de Structuurfondsen om hun
universiteiten op een hoger peil te brengen. Wij willen alvast
tonen dat we hen via twinning initiatieven willen helpen."