“Het doemscenario is dat je net een aapje wordt, dat maar een truukje beheerst”

Nieuws | de redactie
26 januari 2006 |

De filosoof dr Karim Benammar kreeg landelijke bekendheid door publicatie van zijn boek Overvloed. Benammar werkt als lector ‘Reflectie op het handelen’ aan de hogeschool van Amsterdam. Eerder doceerde hij aan een Japanse universiteit. ScienceGuide sprak met hem over zijn werkzaamheden als lector. Benammar geeft aan last te hebben van de stringente scheiding tussen hbo en wo waar de HvA en de UvA aan willen vasthouden, ondanks hun samenwerking. “Men wil absoluut niet dat studenten uit het WO en het HBO samen gaan studeren, want dan verwater je het binaire stelsel”.

Bevalt het om lector te zijn?
Sommige dingen bevallen heel goed. Het lectoraat heeft mij echt veranderd. Zo moet je als lector veel samenwerken. Dat vind ik heel leerzaam, want als filosoof ben je toch vaak een eenpitter. Ook vind ik het heel spannend om te zien wat filosofie in de praktijk kan betekenen. Op de hogeschool reflecteren we vaak aan de hand van eigen ervaringen. Als filosoof ben ik me daarom gaan afvragen: waarom zijn eigen ervaringen voor mij zo onbelangrijk? Ik ontdekte dat ik me zelfs bij het schrijven van mijn proefschrift nooit heb afgevraagd wat ik er zelf van vond. Mijn boek Overvloed heb ik daarom ook anders opgezet: ieder hoofdstuk begint vanuit een ervaring. Dat boek had ik niet kunnen schrijven als ik hier niet had gewerkt. En het mooie is: je merkt dat er ook behoefte aan is. Je komt ermee in de krant en op tv, en ik heb meer boeken verkocht dan ik ooit had durven dromen.

Wat ik wel mis is de academische filosofie en op de universiteit lesgeven. Binnen deze kenniskring ben ik de senior. Dat is leuk, maar ook wat te gemakkelijk als je 39 bent. Ik zou wel weer junior willen worden in een onderzoeksgroep op de universiteit, zodat ik kan leren van mensen die al 20 jaar verder zijn. Mijn eigen onderzoek kan ik hier ook niet doen, zoals naar de vraag wat de rol van mimetische begeerte in onze consumptiemaatschappij is.

Als lector ben ik mezelf ook erg tegengekomen. Ik werk hier voor 3 dagen in de week, met relatief weinig onderzoeksmiddelen. Op de universiteit duren onderzoeksprojecten vaak vijf jaar. Hier moet je na een half jaar al resultaat laten zien. Ook moet ik veel doen om docenten voor een dag per week vrij te krijgen. En docenten moeten hun onderzoek doen naast hun reguliere werk, terwijl er altijd zoveel te doen is. Als kenniskring hebben we ook onze beperkingen: we krijgen vragen vanuit andere hogescholen en uit het bedrijfsleven voor trainingen. Maar we doen het meestal niet, want we zijn er om reflectie bij de studenten te stimuleren. Dat is een kwestie van schaal. Ik vind ook dat het geen toko moet worden.

Je bent gepromoveerd in de USA, en hebt onder meer in Japan en Brazilië gewerkt. Waarom wordt iemand met zo’n internationale carrière lector? Een lectoraat is een interessante positie. Het is toch een professorpositie: je mag je baan zelf invullen. Een van de redenen dat men mij aangenomen heeft, is dat ik gewerkt heb in landen zonder binair systeem. In die zin ben ik minder bevooroordeeld. Zo kon je in Amerika op de universiteit ook verpleegkunde of bibliotheekwetenschappen studeren, en daarin promoveren.

Mijn netwerk is internationaal, en dat is wel een nadeel. De hogeschool wil veel minder internationaal zijn dan ik dacht. Zo is men heel terughoudend met lesgeven in het Engels. Omdat hier veel allochtone studenten rondlopen, wordt er gezegd: ze moeten eerst maar eens goed Nederlands leren. Nu vind ik op zich ook dat allochtone studenten goed Nederlands moeten leren, maar wat vergeten wordt, is dat ze al een andere taal kennen. Ze zijn al op zijn minst tweetalig. Arabisch of Turks wordt hier echter niet als een verrijking, maar als een handicap gezien. Docenten ergeren zich als studenten in de lift Turks of Arabisch praten, omdat ze die talen niet verstaan. Toch is er een verband tussen internationalisering en interculturaliteit dat je niet kunt negeren. Dat mis ik hier.

Hoe was dat in het buitenland? Staat men in andere landen opener voor andere culturen?
Ik heb onder meer in Japan gewerkt. Japanners spreken heel beroerd Engels. Maar ze zijn er wel van overtuigd dat het heel belangrijk is. In Nederland merk ik niet dat Engels echt belangrijk gevonden wordt. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat we wel in het Nederlands les moeten blijven geven, en dat titels zoveel mogelijk Nederlands moeten blijven. Ik snap dat niet: zo wordt het toch niets met internationalisering? Je ziet het ook met de invoering van het bachelor-masterstelsel. De bedoeling daarvan is dat je een brede bachelor hebt, en een toegespitste master. Maar in Nederland hebben veel opleidingen gewoon een knip gemaakt tussen de bachelor en de masteropleiding. Op papier hebben ze toegezegd het bachelor-masterstelsel in te voeren, maar in de praktijk handhaven ze gewoon het Nederlandse systeem. Bij sommige bacheloropleidingen is de vrije ruimte zelfs helemaal afgeschaft, omdat opleidingen anders niet hun ‘oude’ programma afkrijgen. Iets dergelijks geldt voor de minoren: de bedoeling daarvan is dat je een vak mag doen wat heel weinig met je eigen vakgebied te maken hoeft te hebben, bijvoorbeeld Informatica en Spaans. Maar bij ons kiezen studenten hun minor meestal binnen dezelfde opleiding. Vaak mogen ze niet eens een minor kiezen buiten de eigen opleiding. Het officiële geluid is: natuurlijk zijn wij voor internationalisering. Maar ik denk dan: wil je het wel of wil je het niet?

Hoe kijk je aan tegen het binaire systeem?
Ik zet grote vraagtekens bij het binaire systeem. Het is bijvoorbeeld niet zo dat hbo-studenten niet abstract kunnen denken. De Nederlandse tweedeling in theoretische begaafdheid en praktische begaafdheid klopt niet. Op grond van een hoge of lage score bij de CITO-toets kun je niet zeggen of een leerling theoretisch of praktisch begaafd is. Maar dat doen we wel. En het vervelende is: als je dat maar lang genoeg tegen leerlingen roept, gaan ze er nog zelf in geloven ook. Ik denk overigens wel dat sommige leerlingen sneller leren dan anderen. Daarom moet je het verschil tussen HAVO en VWO zien als een verschil in niveau, en niet in oriëntatie. Het VWO is hoger, niet abstracter.

Je werkt als lector reflectie op het HBO. En dat terwijl op universiteiten vaak wordt gedacht dat reflectie typisch hoort bij een universitaire opleiding, en dus kennelijk niet bij een HBO-opleiding. Dat is ook het moeilijke van mijn positie. De dingen die ik doe, zullen het gat verkleinen. Tegelijkertijd loop ik daarbij tegen muren op. Ik dacht dat ik ingehuurd was omdat ik niet in het binaire stelsel geloof. Maar ik merk dat de meeste mensen in Nederland het binaire stelsel juist willen handhaven. Zo hebben we een cursus scenariodenken gegeven met WO – en HBO-studenten in één klas. We hadden van te voren aparte beoordelingscriteria bedacht voor de studenten van de universiteit en van de hogeschool. De universitaire studenten moesten een paper schrijven, de HBO-studenten moesten opschrijven welke competenties ze wilden verwerven, en aan het einde van de cursus toetsen of ze die ook gehaald hadden. Het grappige was, dat de WO- studenten de vraag stelden, wat competenties zijn. En de HBO-studenten vroegen: wat is een paper. Dus hebben we de beoordelingscriteria omgekeerd: WO-studenten moesten opschrijven welke competenties ze wilden verwerven, HBO-studenten moesten een paper schrijven. Helaas mochten we niet doorgaan met het ontwikkelen van deze cursus. Men wil absoluut niet dat studenten uit het WO en het HBO samen gaan studeren, want dan verwater je het binaire stelsel. Er zijn natuurlijk wel veel samenwerkingsverbanden tussen UvA en HvA, vooral gericht op de doorstroom van HBO naar WO, en om de “juiste student op de juiste plek” te krijgen.

Volgens lector Daan Andriessen is een probleem met HBO-scripties dat eigen analyses van de studenten veelal ontbreken. Hoe kijk daar als lector Reflectie op het handelen tegenaan?
Daar ben ik het volledig mee eens. In het hbo werkt men met competentiegericht leren. Op zich vind ik dat wel goed, maar je ziet wel dat theorie en praktijk soms helemaal ontkoppeld zijn. De theorie wordt hoogstens nog als blok gegeven. De studenten herkennen het niet in de praktijk. Ik vind dat slecht. Het doemscenario is dat je net een aapje wordt, dat maar één trucje beheerst. Je leert gewoon: we doen het op deze manier. Maar waarom het zo gedaan wordt, dat leer je niet. Een groot probleem in het HBO is dan ook dat studenten denken dat alles wat in een boek staat, waar is. Dat je bij het lezen van een boek dus kritisch moet kijken naar de argumentatie en de keuzen van de auteur, dat weten ze vaak niet. Het is logisch dat studenten die zo zijn opgeleid, in hun scriptie niet kunnen analyseren. Ze hebben niet geleerd verbanden te leggen tussen theorie en praktijk, en deze kritisch aan elkaar te toetsen.

Overigens zie je ook wel op de universiteit dat studenten in papers vaktermen gebruiken die ze niet begrijpen. Daar prik je zo doorheen. Want als je vraagt wat ze met die termen bedoelen, dan kunnen ze het niet uitleggen. En dat leidt tot mystificatie.

Hoe kun je studenten leren te reflecteren?
Wij bieden reflectietools om te reflecteren op drie aandachtsgebieden: Mezelf, Methode en Maatschappij. Het reflecteren op Mezelf gebeurt al vrij veel, al gaat het vaak niet diep. Het kan nog scherper gemaakt worden. Reflecteren is namelijk iets anders dan met oplossingen komen. Het gaat erom dat je echt nadenkt, dat je iets toevoegt aan wat je al weet. Op Methoden wordt nog nauwelijks gereflecteerd. In onze kenniskring zijn wij bezig werkvormen te ontwikkelen om studenten hierop te laten reflecteren, door middel van falsificatie en verificatie, en door ze het verschil tussen inductief en deductief aan te leren. Ook op Maatschappij wordt nog te weinig gereflecteerd. Zo vind ik dat studenten Informatica niet alleen moeten weten wat de regels zijn ten aanzien van downloaden en filesharing, maar ook zelf moeten leren nadenken over de vraag hoe je met downloaden en filesharing moet omgaan. In een college ethiek zou ik dus niet beginnen met de vraag waarom filesharing niet mag, maar waarom het wel mag. Dat is veel spannender.

Studenten vinden de werkvormen vaak erg leuk. Een van de werkvormen die ze aanspreekt is die van het scenariodenken, waarbij je een matrix maakt met de acties die je kunt kiezen en de gevolgen ervan. Studenten gebruiken dit scenariodenken om eigen beslissingen te nemen. Ze stellen zichzelf de vraag: waar wil ik over tien jaar zijn? Dat is best een ingrijpende vraag als je 20 bent. Vervolgens bedenken ze wat dan het juiste pad is om te volgen als ze daar over tien jaar willen zijn.

In onze kenniskring trainen wij docenten, en die trainen dan weer studenten. Niet alleen studenten ontberen onderzoeksvaardigheden, maar ook docenten. Dat geldt natuurlijk voor lang niet alle docenten. Zo zijn de meeste docenten van boven de 50 doctorandus. Die weten wel wat verificatie en falsificatie is. De meeste docenten van beneden de 30 hebben niet meer dan HBO gehad. En vaak komen ze dan ook nog van de eigen opleiding, waar de nadruk op de theorie weggevallen is.

We merken dat veel docenten erg oplossingsgericht zijn. Dat heeft ook wel met tijdgebrek te maken. Het is makkelijker om gelijk te zeggen hoe het moet dan om studenten aan het denken te zetten. Maar we proberen het wel te veranderen. Een begeleider moet geen oplossingen brengen, maar onzekerheid brengen door studenten te vragen wat ze met hun handelen willen bereiken.

Waar richt je je in je lectoraat vooral op?
Wij richten ons op de professionalisering van de docenten. Het is al heel normaal dat studenten een POP maken, een portfolio hebben, en voorbereid worden op een leven lang leren. Maar dat vragen we nog niet van docenten als onderdeel van hun aanstelling. Bestuurders zijn hier wel voor, zolang ze er geen extra werktijd voor beschikbaar hoeven te stellen. Bij sommige opleidingen zijn er veel docenten maar voor een dag per week aangesteld, en die vinden het dan lastig dat ze voor die ene dag per week ook nog een POP zouden moeten maken. Ook komt het nog wel eens voor dat docenten worden ingezet voor vakken waar ze geen verstand van hebben. Het idee dat dat echt niet kan, is nog niet bij alle leidinggevenden doorgedrongen.

Wij willen dat docenten gewaardeerd worden voor het doen van onderzoek, ook in termen van hun loopbaan. Bij de Duitse Fachhochschulen moeten docenten gepromoveerd zijn en minstens drie jaar werkervaring hebben. Eigenlijk zouden veel meer docenten moeten promoveren, of op zijn minst een masteropleiding doen.

Je bent filosoof. Hoe staat het eigenlijk met het vak filosofie op het HBO?
Op het HBO hangt het helemaal af van de persoonlijkheid van de docent wat filosofie inhoudt. Soms is het zelf een les in meditatie, of bestaat het uit psychologische oefeningen. Nu is het geen schande om wat meditatie in een college Oosterse filosofie te stoppen, maar je moet studenten wel laten zien wat de geschiedenis van de filosofie inhoudt. Het is jammer dat je hier op de HvA geen bijvak filosofie meer kunt doen. Je moet dan gelijk een minor doen van 30 ECTS (als deze doorgaat), en dat is voor veel studenten misschien te veel van het goede. Bovendien zullen veel studenten geen minor buiten hun opleiding kiezen. Eigenlijk vind ik dat er op het HBO te weinig aandacht is voor filosofie. In het voortgezet onderwijs is filosofie een examenvak. Op sommige universiteiten is filosofie een verplicht vak. De vraag is dan ook: Hoe verankeren we filosofie in het HBO?


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK