Concurrentiestrijd hogescholen en universiteiten schaadt student èn promovendus

Nieuws | de redactie
15 februari 2006 |

Het Nederlandse hoger onderwijs is gebaseerd op een binair stelsel. Aan de ene kant houden de hbo-instellingen zich bezig met het opleiden tot de beroepspraktijk. Aan de andere kant richten de universiteiten zich op het opleiden van wetenschappers. Het hbo vervult hiermee de behoefte van het bedrijfsleven aan praktijkgerichte en praktijkgeschoolde werknemers. Naast universitair geschoolde medewerkers, zitten bedrijven immers ook verlegen om medewerkers die een meer toepassingsgerichte blik hebben.

Met de Bologna-verklaring in de hand schurken de hbo-instellingen de laatste jaren echter steeds meer tegen universiteiten aan. Zij zijn bezig met een opmars richting de traditioneel exclusieve domeinen van de universiteiten. Een zinloze concurrentie strijd die ten koste gaat van het product: de student en binnenkort ook van de promovendus Het recht om -na het verkrijgen van de MA of MSc graad – de doctorsgraad te verlenen ligt momenteel exclusief bij de hoogleraren van universiteiten. Daar is een goede reden voor: promoveren is primair een langdurige intellectuele en wetenschappelijke uitdaging en hbo-instellingen zijn nu eenmaal geen wetenschappelijke instellingen. Afgelopen vrijdag is dat in dit katern door de Tilburgse econoom Bouwens op een bijna pijnlijke wijze duidelijk gemaakt. Hbo-instellingen kunnen promovendi simpelweg niet hetgeen bieden dat nodig is voor een succesvolle afronding van de promotie. Het ‘ius promovendi’ is er dus niet voor niks. Het garandeert de kwaliteit van promoties aan Nederlandse universiteiten die internationaal inderdaad zeer hoog staan aangeschreven. Recentelijk is de discussie over dit promotierecht opgelaaid. Hogescholen stellen zichzelf tot doel een bijdrage te leveren aan de (regionale) kenniseconomie, mede door het verrichten van toegepast onderzoek. Zij zijn echter -volkomen terecht- tot de conclusie gekomen dat het opleidingsniveau van hun docentencorps hiervoor volstrekt tekort schiet. Zo’n drie procent van hun docenten is gepromoveerd of met een promotie bezig. Ter vergelijking: de Duitse Fachhochschule stellen -net als de Nederlandse universiteiten- een promotie als expliciete aanname-eis. Op de Vlaamse hogescholen heeft zo’n 30 procent van de docenten een promotie afgerond.

Hbo-instellingen hebben van dit lage opleidingsniveau in het verleden nooit een punt van gemaakt. Beroepsopleidingen behoeven immers geen gepromoveerde docenten. Echter, nu hbo-instellingen zich meer en meer als onderzoeksinstellingen profileren merken zij dat een goede, onderzoeksgerichte staf hiervoor onontbeerlijk is. Er zijn feitelijk drie manieren om dit probleem op te lossen en het aantal doctores in het hbo te vergroten. In de eerste plaats kan men op zoek gaan naar mensen die recentelijk op een universiteit gepromoveerd zijn of op het punt staan om hier hun promotie af te ronden. Hbo-instellingen kunnen trachten deze mensen als medewerker aan zich te binden. Op deze wijze zit men voor een dubbeltje op de eerste rij: wel de promovendus, niet de kosten die met zijn promotie gemoeid zijn. De hbo-instellingen zijn zich hier van bewust en hebben hiervoor inmiddels een uitgebreide campagne opgezet. Op deze wijze kan men het opleidingsniveau van de hbo-medewerkers op een vrij goedkope wijze laten stijgen.

Het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) juicht deze constructie overigens toe. Wij zijn van mening dat men op deze wijze meer promovendi de mogelijkheid biedt om verder te gaan in het onderwijs en onderzoek. Een tweede wijze waarop men het aantal gepromoveerde medewerkers kan doen groeien is door het aanstellen van zogenaamde reguliere buitenpromovendi. In dat geval treden de promovendi in dienst bij de hbo-instelling, maar worden zij bij hun promotie begeleid door een hoogleraar van een Nederlandse universiteit. Zo groeit het aantal gepromoveerde medewerkers op hbo-instellingen én worden de kwaliteitseisen voor promoties gewaarborgd. Ook van deze mogelijkheid zijn hbo-instellingen zich inmiddels bewust. De eerste vacatures zijn inmiddels al in de dagbladen verschenen. Op 31 vacatures kwamen ruim 600 reacties af.

Er is echter nog een derde mogelijkheid, de zogenaamde ‘u-bocht’ constructie. Deze constructie werd onlangs bepleit door Norbert Verbraak. Hij is scheidend (interim) voorzitter van de Hbo-raad en voorzitter van het College van Bestuur van één van de grootste hbo-instellingen van het land, Fontys Hogescholen. Deze hogeschool heeft een samenwerkingsverband met de Londense ‘Roehampton University’. Roehampton kan Fontys-medewerkers in deze constructie voorzien van het predikaat ‘professor’, waarmee zij ‘ius promovendi’ bemachtigen. Roehampton mag zich sinds augustus jongstleden universiteit noemen. In de vermaarde Top 100 van Engelse universiteiten van The Times neemt zij een 70e plaats in. Op criteria als onderzoek, onderwijs, toelatingseisen en slagingspercentage scoort zij (regelmatig ver) onder het gemiddelde. Op deze wijze omzeilt Fontys dan ook op slinkse wijze de kwaliteitseisen die aan een Nederlandse promotie worden gesteld. Het is een goede zaak dat hbo-instellingen het opleidingsniveau van hun medewerkers willen vergroten. Dit kan door meer doctores in de organisatie op te nemen en door medewerkers de mogelijkheid te bieden aan een Nederlandse universiteit een proefschrift te schrijven.

Het is echter een slechte zaak wanneer Nederlandse hogescholen zich via schimmige buitenlandse constructies het promotierecht toe-eigenen en op deze wijze de Nederlandse kwaliteitseisen en accreditatie-eisen buitenspel zetten. Een dergelijke ontwikkeling zal het Nederlandse onderzoeksklimaat ernstig schaden. De 12.000 Nederlandse promovendi voeren in dit land het gros van het wetenschappelijk onderzoek uit. Dit onderzoek staat internationaal zeer goed bekend. In het buitenland is men zich dan ook zeer goed bewust van de kwaliteit van de Nederlandse promoties. Naast het onderzoeksklimaat in zijn algemeenheid is vooral de jonge ‘Roehampton-doctor’ de grote verliezer van de zinloze concurrentiestrijd. Hij zal er naar verloop van tijd achter komen dat zijn nieuwe titel toch niet zoveel voorstelt als hem door de hbo-instelling verteld was.

Derek Jan Fikkers is promovendus aan de Universiteit Twente en is secretaris van het PNN.
Olof Wiegert is promovendus aan de Universiteit van Amsterdam en voorzitter van het PNN.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK