Dhimmitude in het hoger onderwijs

Nieuws | de redactie
28 juni 2006 | De Universiteit van Utrecht is de beste universiteit van het Europese vasteland. Althans volgens de ranglijst van de Academic Ranking of World Universities.van de Jiao Tong Universiteit. Wat zou voor de Chinezen het zwaarst gewogen hebben? De plakgraad van de rijst in de mensa of de herkenbare wijze waarop de universiteit in verband gebracht wordt met censuur?
Feit is dat de universiteit op gezette tijden in door vuilewasincidenten getroffen wordt. Zo is er nu naast de affaire-Van der Horst de berisping van directeur Jenneskens van het voormalige Debye-instituut voor zijn publicatie over de affaire rond de gelijknamige wetenschapper, die in de nazitijd meegewerkt zou hebben aan het zuiveren van zijn instituut. In 2003 was er de affaire rond Akko Kalma, de docent die terecht moest worden gewezen na een klacht van een student over zijn uitleg van de rassenleer van Rushton. En uit 1997 herinneren we ons de geheimzinnige "blafbrief" van het College van Bestuur aan

Bij de Radboud is laatst een student weggestuurd omwille van zijn pedofiele opvattingen. Ook herinneren we ons recente berichten op ScienceGuide over een poging om daar het kritische universiteitsblad Vox van het internet te halen, en een verhaal in NRC Handelsblad van 30 april 2005 over de verwijdering van een docent die een student onwenselijk laag had becijferd. Het academisch bedrijf verhoudt zich kennelijk niet altijd even soepel tot de public relations van een instelling.

Toch is er ook geen enkele reden om aan te nemen dat dergelijke ingrepen in het Hoger Onderwijs schering en inslag zijn. Het gaat hier hoogstens om bedrijfsongevallen, onhandigheden van bestuurders bij het tegen zichzelf beschermen van eigengereide professionals. In beginsel hebben de bestuurders daar andere instrumenten voor tot hun beschikking. De veelvuldige reorganisaties en herstructureringen bieden talrijke mogelijkheden om querulanten hoog op de lijst van boventalligen te plaatsen. En kwaliteitszorg, functioneringsgesprekken en de verdeling van schaarse onderzoeksfaciliteiten bieden ampele gelegenheid om stafleden in een harmonische dialoog duidelijk te maken hoe een academische boterham besmeerd wordt.

Het zijn, kortom, maar op zich zelf staande incidenten. Er komt straks een bestuurder die, al of niet gesteund door bevriende wetenschappers, uitlegt dat het gispen en berispen van de nestbevuilers niets met censuur en angst te maken heeft maar juist van moed en kwaliteitsbewustzijn getuigt, en daarmee is de kous af.

Dat is dan buiten de kamervragen < http://www.scienceguide.nl/article.asp? articleid=101003> gerekend die het lid Wilders over de affaire-Van der Horst heeft gesteld. Temidden van de vragen van een meer academisch karakter, waarvan hij de beantwoording waarschijnlijk aan de minister van integratie toevertrouwt (weet OCW al wat dhimmitude is?), informeert hij of in dit geval de academische vrijheid is aangetast.

Nu wordt het interessant. De academische vrijheid is in de wet op het hoger onderwijs vastgelegd, in Artikel 1.6, en de wetgever zou daar iets over te zeggen kunnen hebben.

Het bewuste artikel is pas in 1986 voor het eerst opgedoken, in de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs. Dat zegt veel over de betekenis ervan. Tot de jaren tachtig was de academische vrijheid een ongeschreven traditie die alleen in ondemocratische landen ter discussie stond. Maar zoals de afkalving van het Nederlands als voertaal in ons hoger onderwijs werd ingeluid door een wetsartikel dat het moest beschermen, en zoals leerrechten en emissierechten zijn ingevoerd toen het recht op leren en emitteren moest worden ingeperkt, zo markeert ook de wettelijke vastlegging van de academische vrijheid het begin van de inperking ervan. In de jaren tachtig werd immers een bescheiden begin gemaakt met de bedrijfsmatige inrichting van het hoger onderwijs, waarbij de inkomsten van een instelling sterker afhankelijk werden van studentenaantallen, onderzoekcontracten en aantallen uitgereikte diploma’s. Sindsdien moet er, op straffe van verkleining van marktaandeel, het daaruit voortvloeiende omzetverlies en de daar weer uit voortkomende personele problemen, sturing gezet worden op de reputatie van de instelling, en daarmee op de wijze waarop het academische bedrijf naar buiten toe wordt gepresenteerd.

Er waren in de jaren tachtig al mensen die zagen aankomen dat ook de academische vrijheid daarmee voorwerp zou worden van bedrijfsmatige afwegingen. Om hen te paaien heeft minister Deetman het desbetreffende wetsartikeltje toegevoegd.

“Aan de instellingen wordt de academische vrijheid in acht genomen”. Méér staat er niet. Wat die vrijheid inhoudt, wordt niet aangegeven; welke sancties er voor overtreding zijn evenmin. De vraag is wat dat artikel dan uitricht. Kunnen onderzoekers met een afwijkende wetenschapsopvatting er ontslagbescherming aan ontlenen? Kan een examinator er het recht aan ontlenen om zonder last of ruggespraak een tentamencijfer vast te stellen? Heeft een onderzoeker recht op het doen van uitspraken over onderwerpen die buiten de eigen leeropdracht vallen, dan wel zelf de grenzen van zijn vakgebied vast te stellen? Heeft een onderzoeker het recht om in een academisch kader het beleid van de instelling aan de orde te stellen?

“De academische vrijheid hangt ten nauwste samen met de vrijheid van meningsvorming en meningsuiting”, zo stelt de toelichting. Wat kan die samenhang inhouden, zo vraagt de naïeve lezer zich af. Iedere burger heeft als individu sowieso de vrijheid van meningsvorming en meningsuiting, die hoogstens kan worden ingeperkt voor zijn rol als werknemer of ambtenaar. Een onderzoeker of docent is werknemer. Artikel 1.6 is derhalve alleen zinvol als het niet duidt op een inperking van de vrijheid van de onderzoeker (docent, student) ten opzichte van die van de willekeurige burger, maar op een uitbreiding. Artikel 1.6 heeft bestaansrecht als het gebruikmaken van de vrijheid van meningsvorming en meningsuiting in het academische bedrijf niet aan de beperkingen onderhevig is die in een commercieel bedrijf of in een ambtelijke organisatie zouden gelden. De naïeve lezer denkt dus dat Artikel 1.6 de deelnemers aan het academisch bedrijf in de gelegenheid stelt om niet alleen als burger, maar óók in het kader van het academische bedrijf van die vrijheden gebruik te maken.

In de toelichting op het wetsartikel werd gesteld dat het bij de academische vrijheid om een rechtsbeginsel gaat dat nadere vormgeving behoeft. “Deze nadere vormgeving zal in het bijzonder kunnen plaatsvinden in het kader van de jurisprudentie die zal ontstaan indien individuele docenten, onderzoekers en studenten beroep instellen ingeval zij menen dat ten aanzien van hen op de academische vrijheid inbreuk wordt gepleegd.”

Die toelichting is dus verrassend eigentijds. De wet formuleert een algemeen beginsel en laat de vormgeving op de werkvloer over aan de stakeholders en de juristen. In feite heeft minister Deetman daarmee in de jaren tachtig avant la lettre voor het hoger onderwijs een zorgplicht opgelegd van het type dat in het nieuwe wetsontwerp van Staatssecretaris Rutte zo omarmd wordt als het panacee tegen overregulering.

Bij de invoering van de Wet op het Hoger Onderwijs (WHW), in 1992, is het artikel ongewijzigd gebleven. In de toelichting erop heeft Deetmans opvolger Ritzen wel een substantieel voorschot genomen op de nadere vormgeving. Het artikel blijkt geen vrijbrief voor didactisch onverantwoord lesgeven en het negeren van door vakgenoten erkende maatstaven. Ook wordt de academische vrijheid begrensd door de Onderwijs- en examenregeling (OER) en het Onderzoekprogramma. In de toelichting bij de Modernisering van de Universitaire Bestuursorganisatie (MUB) stelt Ritzen in 1995 nog dat met de versterking van de bevoegdheden van de faculteit inhoud gegeven wordt aan de academische vrijheid.

De inperkingen van Ritzen laten nog talrijke kartelranden over. Wat is didactisch verantwoord en wie mag dat bepalen? Wie mag er bepalen wie wie als vakgenoot dient te beschouwen? Mag de instelling met Onderwijs- en examenregelingen en Onderzoekprogramma’s om het even welke beperking opleggen?

De opvolgers van Ritzen hebben geen noemenswaardige veranderingen aangebracht. Het zorgplichtachtige karakter van Artikel 1.6 is dus overeind gebleven. De academische vrijheid wordt aan individuele personen toegekend, en die moeten er zelf werk van maken als zij vinden dat zij in hun academische vrijheid te kort worden gedaan.

Bij de beschouwing van de kamervragen over Van de Horst is het dus interessant te weten welk beroep er sinds de invoering eigenlijk op artikel 1.6 is gedaan, en of de uitkomst van toepassing is op zijn geval.

De oogst valt tegen. In de jaren negentig zetten universitaire juristen even een boom op over 1.6, toen de universiteiten dreigden de revenuen van hun wetenschappelijke publicaties af te romen. Het ging hier dus om het besmeren van échte boterhammen, geen academische. In dezelfde tijd maakte professor Köbben zich er druk over dat het departement van OCW contractonderzoek uitbesteedde bij onderzoekers die de wenselijkste onderzoekuitkomsten leverden – niet de juistste. Köbben wees erop dat het departement daarmee de wetenschappelijke integriteit van de onderzoekers onder druk zette. Maar ja, contractonderzoek was sowieso geen echte academische activiteit en viel dus niet onder de academische vrijheid.

In 1999 had de Amsterdamse jurist Verhulp < http://saraswati.ic.uva.nl:8020/upload/uvapub/75457/verhulp_1999 _vrijheidwetenschap.pdf> dan ook nog steeds geen geval gevonden waarin een beroep was gedaan op de academische vrijheid zoals vastgelegd in Artikel 1.6. Ook nu ligt het artikel er qua nadere vormgeving nog maagdelijk bij.

De grenzen van de academische vrijheid op de werkvloer zijn de afgelopen twintig jaar dus nooit echt verkend. Daar zijn verschillende mogelijke verklaringen voor.

Zo is het mogelijk dat het hier om een waarde of traditie gaat die ook bij de managers en bestuurders van het academisch bedrijf nog altijd stevig geïnternaliseerd is. Sterker nog, sinds minister Ritzen in de Wet op het Hoger Onderwijs de werking van artikel 1.6 naar het hoger beroepsonderwijs heeft uitgebreid, moeten ook de bestuurders, stafleden en studenten van al die hogescholen, tot en met pakweg de Toeristische Informatie Opleiding in Hengelo, zich de bijbehorende academische tradities moeiteloos eigen hebben gemaakt.

Maar er is ook een andere verklaring denkbaar. In een onderzoek van De Boer < http://www.utwente.nl/cheps/documenten/thesisdeboer.pdf> uit 2003 bleken twee van de drie onderzochte hoogleraren “de indruk te hebben” dat alleen al de Modernisering van het Universitaire Bestuur tot vermindering van de academische vrijheid heeft geleid. Toch maken ze er geen werk van. Het is niet uit te sluiten dat docenten, onderzoekers en studenten het in de afgelopen twintig jaar verstandiger gevonden hebben om het niet op een beroep op de academische vrijheid aan te laten komen. In het onderzoeksbeleid, het kwaliteitsbeleid en het personeelsbeleid van de instellingen staat er voor docenten het een en ander op het spel, zowel voor hun eigen toekomst als voor die van hun naaste collega’s. Wetenschappers zijn nooit geselecteerd op Zivilcourage; het zijn meestal ook maar professionals die graag hun werk doen en daarvoor zo goed mogelijk gefaciliteerd willen worden (zie ook: Debye). Waarom zou je van individuele wetenschappers verwachten dat zij voor een abstract principe op de bres gaan staan? Niemand staat graag te boek als querulant, behalve als men het is, en dan nog vaak alleen als de te betalen prijs niet al te buitensporig is.

Het zou dan niet toevallig zijn dat Van der Horst zijn gram heeft opgespaard voor zijn afscheidsrede en dat Kalma zijn verweer voerde vanaf zijn bij het Paaseiland aangemeerde pensioenzeiljacht, totdat hij er zelf geen zin meer in had en definitief het wijde sop koos. De rest gaat liever kijken wat er te redden is en onderhandelen. De dagen waarin Karel van het Reve in zijn “Joodse-Raad”-toespraak voor de universiteitsraad duidelijk maakte wat hij vond van leden van de universitaire gemeenschap die hun collega’s liever voor opheffing voordragen dan hun ideeën aanvechten liggen ver achter ons.

Welke verklaring voor het uitblijven van de nadere vormgeving van Artikel 1.6 de juiste is, weten we niet. De overheid heeft het effect ervan nooit geëvalueerd. Sinds de invoering heeft departement noch inspectie er meer naar omgekeken.

Maar zolang de tweede verklaring niet kan worden uitgesloten, kunnen we een vraagteken zetten bij de zorgplichtachtige inrichting van het artikel. Het is van tweeën één. Óf de academische vrijheid is een maatschappelijk belang, een voorwaarde voor de ontwikkeling van wetenschap en cultuur en het opstoten van onze samenleving in de vaart der volkeren. Óf de academische vrijheid is een voorrecht van de leden van de academische gemeenschap, waar zij op kunnen insisteren op grond van overwegingen van persoonlijke opportuniteit. Maar een overheid die de academische vrijheid als een maatschappelijk belang beschouwt doch de handhaving ervan overlaat aan het vrije spel der krachten, als één van de chips in onderhandelingen tussen belanghebbenden, biedt geen garantie dat dat maatschappelijk belang in die onderhandelingen overeind blijft. Wetenschappers zijn ook maar mensen. Juist als je de academische vrijheid een groot goed vindt, kun je de bres niet aan wetenschappers toevertrouwen.

Daarmee kunnen we terug naar de vraag van Wilders. Vanuit de zorgplichtopvatting die uit de toelichting spreekt is het voor de hand liggende antwoord: “de academische vrijheid is een individueel recht; alleen als Van der Horst beroep heeft aangetekend bij de veronderstelde aantasting van zijn academische vrijheid, én als hij daarbij in laatste instantie gelijk heeft gekregen, is de academische vrijheid aangetast”. De vraag is of de bewindslieden dat aandurven, want Wilders kan vervolgens met het maatschappelijk belang aan de haal: zwakke knieën voor het bedrijfsleven en de met de voeten stemmende consument is tot daar aan toe, maar dhimmitude is andere koek. Dan zullen zij in de beantwoording met eigen opvattingen over de grenzen van die vrijheid moeten komen en, als er dan daarbinnen nog iets overblijft, aan moeten geven hoe Artikel 1.6 wordt nageleefd en gehandhaafd.
En zo zullen we ook snel weten of de zorgplicht kleren aan heeft die de overheid in elk maatschappelijk klimaat droog houden.

dr. Andries van Helden


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK