Flexibel onderwijs: geen revoluties graag

Nieuws | de redactie
31 augustus 2006 |

Het onderwijs van de Hogeschool Utrecht moet ‘vraaggestuurd’ zijn. Maar hoe realiseer je de benodigde flexibilisering? Hanne Obbink van Trajectum ging hierover in gesprek met de Twentse hoogleraar onderwijskunde Jan van den Akker, die wijst op de cruciale rol van docenten in het vernieuwingsproces. ‘Niet het college van bestuur, maar docententeams moeten bepalen hoe dat flexibele onderwijs eruit moet zien.’

‘In een sterk veranderende omgeving is flexibiliteit een voorwaarde voor overleving.’ Dat schreef begin juni een hogeschoolbrede werkgroep die zich over de ins en outs van flexibilisering had gebogen. Die flexibiliteit is allereerst vereist om studenten te kunnen bieden waar ze behoefte aan hebben, stelt de werkgroep. Het gaat erom dat iedere student met zijn bagage, ambitie en motivatie een passende leerroute kan volgen; in die leerroute moet hij bovendien eigen keuzes kunnen maken. Flexibiliteit is daarnaast ook noodzakelijk om snel te kunnen inspelen op ontwikkelingen in het werkveld.

‘Het principe van flexibiliteit draagt een zekere mate van onvermijdelijkheid met zich mee’, zegt prof.dr. Jan van den Akker, hoogleraar curriculumontwerp aan de Universiteit Twente. ‘De instroom van studenten aan een hogeschool wordt steeds heterogener. Hun voorkennis en hun achtergrond lopen steeds meer uiteen, ze hebben verschillende onderwijsroutes achter de rug, en door de internationalisering komen er ook steeds meer buitenlandse studenten de hogeschool binnen. Wil je daarop op inspelen, dan móet je je onderwijs flexibel maken. Daar is geen ontkomen aan.’

Maar wat betekent dat precies? Hoe flexibel moet het onderwijs van de HU zijn? Idealiter zou elke student een individuele route moeten kunnen volgen, maatwerk geleverd moeten krijgen. Maar er zijn grenzen aan wat uitvoerbaar is en die grenzen zijn bij het inrichten van 29.000 leerroutes – voor elke student één – uiteraard ver overschreden. Daarom doet inmiddels het begrip ‘massamaatwerk’ opgeld aan de hogeschool: elke onderdeel van een leerroute zal tenminste toch een groep studenten moeten trekken. 


Stap terug

Van den Akker pleit ervoor een stap terug te zetten en eerst goed te overdenken wat er moet gebeuren. ‘Wat wil je flexibiliseren? Dat moet je eigenlijk eerst goed preciseren’, zegt hij. ‘Wil je de inhoud van een opleiding flexibel maken, bijvoorbeeld door studenten voor twintig procent ervan zelf vakken te laten kiezen? Of bedoel je met flexibiliteit dat studenten kunnen studeren op de tijden dat het hen uitkomt? Of doel je op de plek waar een student leert – moet hij ervoor naar een collegezaal komen of kan het ook thuis of op een werkplek? Al dat soort zaken kun je meer of minder flexibel maken. Om een goed curriculum te ontwerpen, moet je je dus voor al dat soort zaken afvragen hoe flexibel je erin wilt zijn.’

Leidraad bij het beantwoorden van die vragen is behalve de uitvoerbaarheid ook de relevantie van het curriculum, gaat Van den Akker door. ‘Docenten zijn er natuurlijk altijd sterk in geweest om die vragen vanuit hun eigen vak te bekijken: wat moet een student tenminste hebben gehad? Vaak ontaardt de discussie over een nieuw curriculum in een strijd om er zoveel mogelijk studiepunten voor het eigen vak in ondergebracht te krijgen. Maar daarnaast moet je ook kijken naar de relevantie voor de samenleving: wat verwacht de samenleving, wat verwacht een toekomstige werkgever van een afgestudeerde? En ten slotte is ook de relevantie voor de student een invalshoek: wat vindt die belangrijk?’

Tegelijkertijd laat Van den Akker ook relativerende geluiden horen. ‘Een hogeschool moet uitkijken om niet achter de waan van de dag in het beroepenveld aan te lopen’, waarschuwt hij. ‘Uiteindelijk zijn het toch ook de wat bredere competenties waar een afgestudeerde op den duur het meest aan heeft. Afgestudeerden zullen ook veel meer dan vroeger levenslang blijven leren, en dat maakt ook dat we niet al te krampachtig moeten doen over de kennis die we ze meegeven. Ik hoor wel eens zeggen dat de kennis die ze over tien jaar nodig hebben voor driekwart nog ontwikkeld moet worden. Dat is misschien wat overdreven, maar iets ervan is wel waar.’  


Schop

Maar wie bepaalt hoe flexibel het onderwijs van de hogeschool moet worden? Van den Akker pleit ervoor om dat vooral niét op centraal niveau, door het college van bestuur, te laten vaststellen. ‘Om veranderingen te bewerkstelligen is er altijd een combinatie nodig van een topdown- en een bottomup-benadering. Bijna iedereen heeft, om in beweging te komen en te blijven, af en toe een schopje onder z’n gat nodig’, zegt hij. ‘Maar als de top opeens gaat toeteren: we gaan het zus en zo doen en over een half jaar moet het ingevoerd zijn, dan weet je zeker dat het mislukt.’

Een gemeenschappelijke visie is nodig, een gemeenschappelijke mal juist niet, vervolgt Van den Akker. ‘Je moet het door de opleidingen zelf of liever nog door docententeams laten uitzoeken hoe ze hun onderwijs flexibel willen maken. Die moeten kijken wat de praktijk is, wat zich goed blijkt te ontwikkelen en hoe dat uitgebouwd kan worden. Doe je dat niet, dan roep je als bestuur alleen maar weerstand op. En ook inhoudelijk is het niet verstandig. De HU is een grote hogeschool, met veel wezenlijk verschillende opleidingen. Die moet je niet in één keurslijf persen.’

Natuurlijk, om flexibiliteit mogelijk te maken, zijn er wel een paar centrale afspraken nodig, bijvoorbeeld op het gebied van roostering, zegt Van den Akker. Als die roosters niet parallel lopen, kunnen studenten in de praktijk maar moeilijk keuzevakken buiten hun eigen faculteit volgen. ‘Maar je moet een flexibel curriculum niet op de tekentafel ontwerpen, je moet het laten ontstaan in een natuurlijk evolutieproces. Ik geloof niet in revoluties die de boel in korte tijd op z’n kop zetten. Áls die al succes hebben, is het bijna altijd een schijnsucces.’

De crux van het succes bij het invoeren van een nieuw, flexibel curriculum is echter: de deskundigheid van de docenten die het ontwikkelen en uitvoeren. ‘Dáár moet je dus in investeren’, zegt Van den Akker. ‘Het klinkt als een open deur, maar zijn maar al te veel onderwijsinnovaties die struikelen over de drempel.’

Hanne Obbink 



Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK