Nederland middenmoter die ingehaald wordt

Nieuws | de redactie
14 september 2006 | De vandaag verschenen Kenniseconomiemonitor geeft bepaald geen rooskleurig beeld van de Nederlandse kenniseconomie, zo merkte SER- voorzitter Alexander Rinnooy Kan gisteren al op: “Met de Kenniseconomiemonitor is het een beetje zoals een dokter die tegen een patiënt zegt: ik heb goed nieuws en slecht nieuws. Het goede nieuws is dat u nog een jaar te leven hebt. Het slechte nieuws is dat ik u al elf maanden probeer te bereiken”.

 De Monitor stelt vast dat ons land nog steeds een lage middenmoter is als kenniseconomie en dat het bovendien bij de voruitgang die geboekt is steeds vaker door anderen wordt ingehaald in de ontwikkeling van innovatie en kennis.

Kennisland legt bij de presentatie van de Kenniseconomiemonitor de nadruk op wat beter kan. Daartoe hebben ze 6 concrete voorstellen. Zo moeten we ophouden iedere regio en instituut ’top’ te noemen: “Clusters, Kernzones, Sleutelgebieden, Pieken. In nationaal, regionaal en lokaal beleid is in de afgelopen jaren heel wat energie gestoken in het letterlijk ‘vaststellen’ van topregio’s en topclusters binnen regio’s. Inmiddels zijn er nauwelijks gebieden en sectoren die niet hieronder vallen. Willen we de potentie van enkele Nederlandse topregio’s benutten, dan moeten we keuzes durven maken. En vooral de markt keuzes laten maken. Geef de regio’s die echt internationaal mee kunnen komen de ruimte en de mogelijkheden tot de top te behoren. Dat is wellicht jammer voor sommige andere regio’s, maar daar is uiteindelijk het hele land meer mee geholpen dan omwille van de lieve bestuurlijke vrede iedere regio een piek toe te kennen”.

Ook vindt Kennisland dat laatbloeiers weer de kans moeten krijgen alsnog de werkelijk bij hen passende opleiding te doen: “Het Nederlandse onderwijs kenmerkt zich nu door grote stappen en breuklijnen. Wie op de CITO-toets te laag scoort, wordt bijkans opgegeven. Wie blijft zitten of via een omweg wil doorleren, wordt afgestraft. Uit oogpunt van kostenbeheersing wellicht begrijpelijk, maar uiteindelijk leidt het tot veel meer welvaartsverlies”.

Het werk van het Innovatieplatform kan wel een boost gebruiken, zo onderstreepte Kennisland-voorzitter Joeri van den Steenhoven bij de presentatie: “Het belang van kennis en innovatie is inmiddels diep in de samenleving doorgedrongen. Het Innovatieplatform is hiervoor van doorslaggevend belang geweest. Waarvoor hulde en dank. Maar laten we eerlijk zijn, verder heeft het Innovatieplatform nog niet veel bereikt. Er zijn een paar redelijke rapporten verschenen en enkele goede experimenten opgezet. Hier en daar is een kleine investering gedaan, meestal in de vorm van tijdelijk geld. Maar dat betekent niet dat we nu tevreden achterover kunnen leunen. Het is slechts een begin geweest en in veel opzichten zelfs een aarzelend begin. Wellicht begrijpelijk, want ook in Finland duurde het vier jaar na de oprichting van hun innovatieplatform totdat ze echt begonnen met de structurele vernieuwing van hun economie. Maar daar is het nu dus wel tijd voor. Voor de volgende stap, voor het echte werk”.

Lees hier de samenvatting van de Kenniseconomiemonitor van Nederland Kennisland

 






 

Kenniseconomie Monitor 2006: Zes Doorbraken voor de polder

Het gaat beter met Nederland. Na een aantal moeilijke jaren zitten we weer in de lift. De economie groeit, consumenten besteden meer, bedrijven exporteren meer en de werkgelegenheid neemt toe. We kijken met meer vertrouwen naar de toekomst. Maar staan we er echt goed voor? Zijn we voorbereid op een nieuwe toekomst? Wij menen van niet.

In september 2003, kort na het aantreden van het tweede kabinet Balkenende, presenteerde Kennisland de eerste Kenniseconomie Monitor. Daarin werd getoond hoe de economische omgeving van Nederland aan het veranderen en werd beoordeeld in hoeverre Nederland in staat is daarop te reageren. Onze conclusie destijds was slecht. Niet dat dit land geen potentie heeft om zich in die veranderende wereld een goede plek te verwerven. Die hebben we zeker. Maar dat lukt alleen als je er werk van maakt. Een week later ging het Innovatieplatform van start. En het kabinet Balkenende II presenteerde zich nadrukkelijk als een hervormingskabinet.

Het debat over de kenniseconomie heeft sindsdien niet stil gestaan. Gelukkig maar. Bestuurders, bedrijven en belangenorganisaties onderschrijven inmiddels allemaal het belang van kennis en innovatie. Het zijn alom besproken en beschreven begrippen geworden. Maar hebben we ook echt vooruitgang geboekt? Om die vraag te beantwoorden,  vonden we het aan het eind van deze kabinetsperiode tijd voor een tweede editie. De afgelopen maanden hebben we tal van rapporten en statistieken bestudeerd en getracht samen te brengen. Vandaag presenteren we de Kenniseconomie Monitor 2006.

Wie alle analyses en statistieken leest, kan maar tot één conclusie komen: Nee, de mogelijkheden voor een slim land worden lang niet optimaal benut. Het ene na het andere onderzoeksrapport stelt dat Nederland nog steeds te weinig doet aan innovatie. De Europese Commissie bericht over Nederland dat “the measures to stimulate R&D and innovation are sensible but may be insufficient to achieve the target – top five in the EU by 2010”. De OECD constateert dat ‘innovation activity is only around the average.’ Op het European Innovation Scoreboard is Nederland inmiddels een middenmoter geworden. Nederland is zelfs één van de weinige landen waar in de periode 1995-2004 het percentage R&D-investeringen is gedaald van 1,99% naar 1,79% van het BBP. Dit geldt overigens niet voor het aandeel private investeringen. Dit ligt internationaal gezien laag, maar is in dezelfde periode wel iets gestegen.

Het belang van kennis en innovatie is inmiddels diep in de samenleving doorgedrongen. Het Innovatieplatform is hiervoor van doorslaggevend belang geweest. Waarvoor hulde en dank. Maar laten we eerlijk zijn, verder heeft het Innovatieplatform nog niet veel bereikt. Er zijn een paar redelijke rapporten verschenen en enkele goede experimenten opgezet. Hier en daar is een kleine investering gedaan, meestal in de vorm van tijdelijk geld. Maar dat betekent niet dat we nu tevreden achterover kunnen leunen. Het is slechts een begin geweest en in veel opzichten zelfs een aarzelend begin. Wellicht begrijpelijk, want ook in Finland duurde het vier jaar na de oprichting van hun innovatieplatform totdat ze echt begonnen met de structurele vernieuwing van hun economie. Maar daar is het nu dus wel tijd voor. Voor de volgende stap, voor het echte werk. Het is tijd voor nieuwe doorbraken in de polder. Wij tellen er zes.

Drie doorbraken liggen op het gebied van onderwijs. De belangrijkste uitdaging voor een volgend kabinet. Het debat over de kenniseconomie ging de afgelopen jaren over onderzoek en technologie. Zeker, dat is belangrijk maar betreft maar een deel van het verhaal. Iedereen op de arbeidsmarkt merkt de veranderingen in de economie. De vraag is hoe we zorgen dat zoveel mogelijk mensen met die verandering mee kunnen komen. Dat betekent op de eerste plaats investeren in onderwijs.

 

Doorbraak 1: Tekort aan Talent

Het aandeel hoogopgeleiden in de beroepsbevolking neemt jaar op jaar toe.  Laaggeschoold werk verdwijnt uit Nederland, of we dat nu willen of niet.  Hoewel het gemiddelde opleidingsniveau in Nederland stijgt, blijft de groei achter bij andere landen. Het aantal afgestudeerden in het hoger onderwijs ligt al jaren onder het EU–gemiddelde. Voor de groep 25-34 jarigen is Nederland inmiddels gezakt naar de 18e plaats van alle OECD landen. Veel landen, variërend van Korea tot Estland, hebben ons inmiddels ingehaald. Een kwart van alle leerlingen valt uit voor het behalen van een startkwalificatie. Nog eens bijna 30% behaalt geen diploma op de hoogste opleiding die ze begonnen zijn. In het voortgezet onderwijs is sprake van een zorgelijke ontwikkeling. Het percentage leerlingen die een havo/vwo/vmbo-t opleiding volgen is sinds 2001 gedaald. Deze leerlingen bereiden zich voor op het hoger onderwijs of een route daarnaar toe. Ook het potentieel aan hoger opgeleiden wordt dus kleiner. In een rapport van HBO-Raad en Raad voor Werk en Inkomen wordt het arbeidsmarkttekort aan hoger opgeleiden geschat op maar liefst 75.000 in 2010. De Onderwijsraad komt tot 100.000 in 2012. Het onvermogen om voldoende mensen goed op te leiden gaan bedrijven snel voelen: schaars talent en hogere lonen terwijl er nog steeds mensen aan de kant staan.

Dat moet en kan beter. Hiervoor bestaan twee manieren: ten eerste het verhogen van de doorstroom naar het hoger onderwijs, ten tweede het verhogen van het aantal leerlingen dat op ieder niveau het onderwijs met een diploma verlaat. Het Nederlandse onderwijs kenmerkt zich nu door grote stappen en breuklijnen. Wie op de CITO-toets te laag scoort, wordt bijkans opgegeven. Wie blijft zitten of via een omweg wil doorleren, wordt afgestraft. Uit oogpunt van kostenbeheersing wellicht begrijpelijk, maar uiteindelijk leidt het tot veel meer welvaartsverlies.

Doorbraak 2: Het vak van leraar

Goed onderwijs begint bij goede leraren. Zij speuren elke dag weer naar talent en proberen dat te ontwikkelen. De status van het vak is gedaald, de mogelijkheden om als leraar een leuk vak uit te oefenen worden minder en de carrièreperspectieven zijn gering. De gevolgen worden zichtbaar. Vanaf 2007 komen jaarlijks gemiddeld 2.000 voltijdbanen (fte) vrij door leraren die met pensioen gaan. Uitgaande van de huidige instroom kan in 2015 niet meer voldaan worden aan 10% van de vraag naar leraren. Bijna 150.000 leerlingen hebben in dat geval geen docent meer voor de klas. Net iets meer dan de helft van de Nederlanders kan nog waardering opbrengen voor het vak van leraar in basis- of voortgezet onderwijs. Voor degenen die er voor kiezen om voor de klas te gaan staan, is het leraarschap vaak tweede keus. Als het economisch minder gaat, leeft de belangstelling voor de lerarenopleidingen op. Dat doet voor de komende jaren het ergste vrezen. Nederland heeft in reactie op de dreigende lerarentekorten gekozen voor lagere eisen om een hogere instroom van nieuwe leraren te bereiken. Maar daarmee dealt de status alleen maar verder. Willen we het onderwijs verbeteren, dan moeten we juist investeren in het vak van leraar. Het helpt niet om de salarissen in algemene zin te verhogen. Een meer gerichte strategie is nodig. Drie elementen spelen daarbij een rol: de opleiding, de ontwikkeling en de ondersteuning van leraren.

Doorbraak 3: De prijs van kwaliteit

Steeds meer mensen maken zich zorgen over de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs. Vier op de tien Nederlanders vindt dat het met het onderwijs de verkeerde kant op gaat. Er wordt geklaagd over de erbarmelijke situaties in scholen en de middelmatigheid die op universiteiten heerst. Het is het effect van dodelijke combinatie: de gemiddelde verblijfsduur in het onderwijs stijgt, de kosten van het onderwijs stijgen en de inkomsten voor het onderwijs zijn gedaald. Sinds 1976 zijn de onderwijsuitgaven als percentage van het BBP vrijwel onophoudelijk gedaald. Gelukkig vertoont de trend de laatste jaren weer een opgaande lijn. In 2005 heeft Nederland 5,3% van het BBP aan onderwijs uitgegeven. Daarmee zijn de uitgaven terug op het niveau van 1992, maar liggen we net als voorgaande jaren nog steeds achter op de meeste andere landen. In de afgelopen vijftien jaar heeft Nederland, omgerekend naar het Nederlandse BBP, 112 miljard euro minder in onderwijs geïnvesteerd dan Zweden en 73 miljard euro minder dan Finland. Dat is te merken. Scholen hebben steeds meer moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Zo zijn de lasten voor inventaris, apparatuur en leermiddelen in de periode 1998-2003 verdubbeld en zijn de administratie- en beheerslasten met 88% gestegen. Hetzelfde geldt voor het hoger onderwijs.

Het onderwijs heeft twee antwoorden gevonden op de toenemende vraag onder afnemende middelen: schaalvergroting en extensivering van het onderwijs. Tussen 1990 en 2005 is het aantal basisscholen gedaald van 8450 naar 6989. Het aantal middelbare scholen is zelfs meer dan gehalveerd, van 1768 naar 668. In het mbo is met de komst van de ROC’s het aantal instellingen gedaald van 242 naar 70, terwijl het aantal hogescholen van 81 naar 54 ging. Op het aantal conctacturen tussen leerlingen en leraren is flink bezuinigd. Bovendien is er vaak lager gekwalificeerd personeel ingezet om kosten te besparen. Volgens het SCP heeft er een extensivering van het onderwijs plaatsgevonden. In het mbo wordt maar een beperkt deel van de 850 verplichte studie-uren besteed aan kennisoverdracht. In het hbo vindt nog maar een derde van de contacturen binnen de hogeschool plaats. Zelfs in het voortgezet onderwijs is deze ontwikkeling zichtbaar. Met de introductie van het studiehuis is er aanzienlijk meer ruimte voor zelfstudie en buitenschoolse activiteiten gekomen. Onder de noemer van competentiegericht en zelfstandig leren wordt deze ontwikkeling nog eens versterkt. Een op zich goede onderwijsvernieuwing dreigt zo een schaamlap voor bezuinigingen te worden. Het resultaat is middelmatigheid over de gehele linie. Op veel plekken binnen het Nederlandse onderwijs wordt geklaagd over de heersende ‘zesjescultuur’. Het zesje verwijst niet alleen naar de houding van de hedendaagse student, maar ook naar het onderwijs zelf. Iedereen krijgt een gemiddelde behandeling. Er is geen ruimte om uit te blinken of extra aandacht voor leerlingen met een achterstand.

Doorbraak 4: Het leven van een ondernemer

17% van de totale werkgelegenheid in de periode 1994 – 2003 is afkomstig van bedrijven die in diezelfde periode zijn opgericht. Nieuwe bedrijven zorgen jaarlijks voor tienduizenden nieuwe banen, 120.000 in 2004. Het is om die reden dat er geprobeerd wordt het ondernemerschap aantrekkelijker te maken. De praktijk is weerbarstiger dan alle politieke aandacht die het onderwerp kreeg doet vermoeden. Zaken doen in Nederland is in vergelijking met andere landen geen eenvoudige zaak. De administratieve lasten voor ondernemers zijn hoog. Nederland scoort gemiddeld op het punt van het inhuren en ontslaan van personeel, maar is het land waar vergunningen en het regelen van belastingen, met name sociale premies, de meeste tijd kosten. De praktijk is weliswaar iets verbeterd de laatste jaren, maar deze ontwikkeling gaat minder snel dan in andere landen. Het CBS schrijft dan ook: “In 2003 behoorde Nederland tot de landen met de meeste belemmeringen voor het ondernemerschap.” De kosten voor het starten van een onderneming zijn in Nederland zeer hoog, maar liefst 13% van het bruto binnenlands product (BBP) per hoofd van de bevolking. De VS, het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Frankrijk en Finland scoren allen onder de 2%.

Het starten van een eigen bedrijf is niet de enige vorm van ondernemen. In Nederland is ongeveer 11% van de werkzame bevolking een zelfstandige, waaronder veel freelancers. Ook werknemers krijgen steeds meer te maken met flexibele werkomstandigheden en contracten. Zo is het aantal werknemers met een flexibel arbeidscontract, de zogenaamde flexwerkers, tussen 1992 en 2005 gestegen van 10,4% naar 15,5% van alle werknemers. Ruim een half miljoen mensen hebben nu een flexibel dienstverband. Voor een innovatieve economie  is dat op zich een goed teken. Maar er kleven er ook nadelen aan deze bestaansvorm. Het gaat dan niet zozeer om de inkomensonzekerheid, maar over het krijgen van een hypotheek of verzekering. Een pensioenregeling treffen blijkt niet eenvoudig. Er lijkt meer en meer een tweedeling te ontstaan tussen gewone werknemers met normale rechten en wat Bert de Vries ’tweederangswerknemers’ noemt. Rond het kampvuur regelen overheid, werkgevers en werknemers de belangen van de eerste categorie werknemers. Bij bedreigingen worden de huifkarren in een kring opgesteld en wordt op alle indringers geschoten. Zij mogen niet bij het vuur en moeten in de kou blijven staan. De huidige sociale arrangementen sluiten grote groepen mensen buiten. Deze mensen betalen vaak letterlijk de rekening van de regelingen die getroffen worden tussen overheid, werkgevers en werknemers. Zij zitten niet aan tafel, hun belangen worden niet vertegenwoordigd. Het is hoog tijd dit soort verhoudingen aan te passen. We hebben nieuwe sociale arrangementen nodig die recht doen aan de verhoudingen van de 21ste eeuw.

Doorbraak 5: Het belang van de regio

Voor Nederland valt er veel eer te behalen bij een regionale kijk op de kenniseconomie. Een aantal Nederlandse regio’s presteert beduidend beter in de internationale arena dan de Nederlandse kenniseconomie als geheel. In de eerste plaats vormt de Randstad als grootstedelijk gebied in veel opzichten het centrum van de Nederlandse kenniseconomie. Van de 2000 grootste bedrijven ter wereld hebben er 28 hun hoofdkantoor in Nederland, waarvan 24 in de Randstad. In 2005 hebben deze bedrijven samen een marktwaarde van 750 miljard dollar gerealiseerd. De Randstad neemt daarmee de derde positie in de Europese Unie in, na Londen en Parijs. Wie kijkt naar het bruto regionaal product hoeft geen twijfel meer te hebben. De Randstad staat op de vijfde positie binnen Europa, na Londen, Parijs, het Ruhrgebied en Milaan. Kortom, de Randstad behoort als regio tot de Europese top. Alleen jammer dat het geen regio is. Het is een lappendeken van besturen: vier provincies, vier grootstedelijke regio’s, vier grote steden en ongeveer 140 andere steden en gemeenten. Departementen, stadsdelen, waterschappen en politieregio’s zijn zelfs nog buiten beschouwing gelaten. Waar economische diversiteit de kracht van de regio uitmaakt, is bestuurlijke diversiteit haar zwakte. Wil de Randstad zijn Europese toppositie waarmaken, dan wordt het tijd dat we ons daar bestuurlijk naar gaan gedragen. Ten tweede heeft Nederland een aantal gespecialiseerde regio’s die tot de wereldtop behoren. De regio Eindhoven als brainport op het gebied van technologie en het agrocluster rond Wageningen zijn hier sprekende voorbeelden van. De uitgaven aan Research & Development in de regio Eindhoven behoren met € 790 per inwoner tot de hoogste in Europa. Alleen München, Stuttgart en Helsinki scoren hoger. Het overgrote deel van de investeringen komt voor rekening van het bedrijfsleven. Slechts 2% komt direct van de overheid. Uit geen enkele andere Europese regio komen jaarlijks zo veel patentaanvragen als uit de regio Eindhoven. Het is niet verwonderlijk dat deze regio op de vierde plek staat in de European Innovation Score Board.

In het beleid lijken er veel meer te zijn: Clusters, Kernzones, Sleutelgebieden, Pieken. In nationaal, regionaal en lokaal beleid is in de afgelopen jaren heel wat energie gestoken in het letterlijk ‘vaststellen’ van topregio’s en topclusters binnen regio’s. Inmiddels zijn er nauwelijks gebieden en sectoren die niet hieronder vallen. Willen we de potentie van enkele Nederlandse topregio’s benutten, dan moeten we keuzes durven maken. En vooral de markt keuzes laten maken. Geef de regio’s die echt internationaal mee kunnen komen de ruimte en de mogelijkheden tot de top te behoren. Dat is wellicht jammer voor sommige andere regio’s, maar daar is uiteindelijk het hele land meer mee geholpen dan omwille van de lieve bestuurlijke vrede iedere regio een piek toe te kennen.

Doorbraak 6: Op weg naar een slimme overheid

In een snel veranderende wereld brengt het ontbreken van vertrouwen hoge transactiekosten en lage economische groei met zich mee, liet Fukuyama in 1995 al zien. Zeker in een economie die in toenemende mate via netwerken is georganiseerd. De overheid kan op tal van manieren zorgen voor vertrouwen. Uit onderzoek van De Nederlandsche Bank en het Sociaal Cultureel Planbureau blijkt het vertrouwen in de overheid echter laag te zijn. (DNB, 2005; SCP, 2005) Mensen hebben meer vertrouwen in het bedrijfsleven en in elkaar, dan in de overheid of onderdelen daarvan. Dit wantrouwen staat ook een slimmere organisatie van de overheid in de weg. Dat is zonde, want er is op dit gebied veel te winnen. Voor een sterke kenniseconomie hebben we een slimme overheid zelfs hard nodig. Door efficiënter en effectiever te werken kan de overheid geld vrijmaken voor nieuwe investeringen in bijvoorbeeld onderwijs en innovatie. Daarnaast zijn de transactiekosten voor burgers en bedrijven lager als de publieke dienstverlening beter is. Tot slot is een meer innovatieve collectieve sector aantrekkelijker als werkgever. Hoe beter de overheid in staat is om adequate antwoorden te vinden, des te sneller het vertrouwen terug zal keren en het functioneren van overheid en samenleving verbetert.

De verbetering van de publieke dienstverlening gaat meestal gepaard met de invoering van ict: het herontwerp en digitalisering van processen. In eerste instantie is de aandacht daarbij vooral uitgegaan naar het online aanbieden van overheidsinformatie. Inmiddels heeft bijna elke overheidsinstantie (97%) een eigen website waarop informatie te vinden is. Met de digitale communicatie wil het minder vlotten. Maar liefst 32% van de e-mails met lastige vragen wordt niet beantwoord. De komende jaren ligt de focus van de overheid op het verbeteren van de dienstverlening. Het streven is om zoveel mogelijk transacties elektronisch af te handelen. Nederland loopt in deze ontwikkeling achter. 12% van alle communicatie vindt hier elektronisch plaats, terwijl het EU- gemiddelde op 16% ligt en Finland op 25%. Wil Nederland de kwaliteit van publieke diensten als zorg, onderwijs en veiligheid verbeteren en de kosten in de hand houden, dan is innovatie de enige optie. Dan is het noodzakelijk om de huidige ontwikkeling van digitalisering van de dienstverlening en herontwerp van processen in een stroomversnelling te brengen. Het gaat dan niet zozeer om minder regels, als wel om slimmere regels.

Zes doorbraken voor de polder

De wereld om ons heen verandert. Sneller dan we denken en in andere richtingen dan we verwachten. Nu het economische tij lijkt te keren ontstaat wellicht de neiging om met een zucht van verlichting over te gaan tot de orde van de dag. Dat is precies de verkeerde keuze. Juist door het opleven van de wereldconjunctuur ontstaat de mogelijkheid te werken aan een aantal doorbraken die Nederland voor de lange termijn weerbaar maken. Dat is hard nodig. Uit deze Kenniseconomie Monitor komt naar voor dat Nederland er nog lang niet is. Nederland is op de meeste Lissabon- indicatoren ver verwijderd van de top 5 van Europa, zoals destijds als ambitie werd verwoord. We zijn een middenmoter geworden die de aansluiting bij de top dreigt te verliezen. Nu is  de Lissabon-strategie niet langer het meest essentiële ijkpunt. Veel belangrijker het besef dat het streven naar een sterke kenniseconomie noodzakelijk is voor het behoud van onze welvaart en ons welzijn.  Vooral om te zorgen dat  toekomstige generaties het beter kunnen krijgen dan de huidige generatie. Daar liggen voldoende kansen voor. Nederland moet ze alleen wel pakken.

In deze Kenniseconomie Monitor is niet gekeken naar het hoe en waarom van het vaak geconstateerde Nederlandse onvermogen om van papier naar uitvoering te komen. We zijn nagegaan naar wat echt anders moet. Uit de talloze belangrijke onderwerpen zijn zes thema’s gedestilleerd die om een doorbraak vragen. Deze zes doorbraken zijn de agenda van een succesvolle strategie voor het versterken van de Nederlandse kenniseconomie. Zonder goede en overtuigende antwoorden op deze zes uitdagingen lukt het niet.

De afgelopen jaren ging het debat teveel over onderzoek en technologie. De kenniseconomie draagt vaak een zweem van elitarisme rond zich. Het gevaar is dat velen zich niet betrokken voelen bij het belang van een krachtige kenniseconomie. Maar de kenniseconomie gaat iedereen aan. Geen top zonder een brede basis. Geen succesvolle ondernemer zonder slimme medewerkers. De basis van een gezonde kenniseconomie is een goed opgeleide bevolking. Juist die basis is in Nederland aan verbetering toe. Wij zien binnen het onderwijs drie thema’s die om een doorbraak vragen:

Het tekort aan talent: het gemiddelde opleidingsniveau is te laag en de uitval is te hoog. Wij halen niet uit mensen wat erin zit.

Het vak van leraar: de waardering voor het vak is laag en de motivatie van docenten neemt af. De kwaliteitseisen zijn uitgehold met als gevolg erosie van het vak en een toenemend tekort aan leraren.

De prijs van kwaliteit: jarenlang sturen op efficiëntie heeft een cultuur van middelmatigheid opgeleverd. Dat kan niet langer geaccepteerd worden.

Met deze drie punten investeren we in het echte kapitaal van de kenniseconomie: de mensen. Naast de drie onderwijsthema’s zien wij drie andere thema’s voor verbetering:

Het leven van een ondernemer: ondernemerschap is in praktijk niet eenvoudig. Veel onnodige hindernissen voor ondernemers bestaan nog steeds, Daarnaast dreigt een tweedeling tussen eersterangs en tweederangs werknemers..

Het belang van de regio: Nederland kan niet op alle gebieden bij de wereldtop horen. Denk, anders dan Nederland gewend is, op de schaal van de internationale kenniseconomie en kies voor de Randstad en een paar gespecialiseerde clusters, zoals Eindhoven en Wageningen.

De weg naar een slimme overheid: geen slim land zonder een slimme overheid. Om het vertrouwen van burgers terug te winnen zullen ook ingewikkelde overheidsprocessen klantvriendelijker moeten worden.

Op deze zes thema’s doen we de volgende voorstellen voor doorbraken:

Doorbraak 1: Tekort aan talent

We moeten meer mensen beter opleiden. Dat begint met het vervroegen van de leerplicht naar 4 jaar en het extra investeren in voor- en vroegschoolse educatie.  Begeleidingsprogramma’s zoals weekend- en zomerscholen of mentorentrajecten, met name rond de overgang tussen opleidingen, moeten de doorstroom naar een zo hoog mogelijk onderwijsniveau bevorderen. Hiervoor worden aan scholen en derden extra middelen beschikbaar gesteld. Het stapelen van opleidingen of het doubleren wordt niet langer beperkt. De instroom via mbo naar hoger onderwijs wordt versterkt. Extra aandacht wordt besteed aan het bestrijden van schooluitval, onder meer door het invoeren van financiële prikkels voor leerlingen, docenten en scholen.

Doorbraak 2: Het vak van leraar

Docenten horen trots te zijn op hun vak. Er wordt extra geïnvesteerd in de opleiding en training van docenten. De opleidingseisen worden aangescherpt. Goed presteren wordt beloond. Beloningsprikkels worden meer gedifferentieerd en er komen landelijke ondersteunigssystemen voor leraren. Schoolgebouwen worden opgeknapt met een investeringsprogramma, vooral om de school als werkplek aantrekkelijker te maken.

Doorbraak 3: De prijs van kwaliteit

Scholen hebben meer ruimte nodig om hun werk goed te doen. Dat betekent geen stelselherzieningen, maar intensivering van het onderwijs. Er komt geld beschikbaar voor meer contacturen en maatwerk op alle niveaus. Scholen krijgen mogelijkheden om  zelf invulling te geven aan lesinhoud en –doelen. Het centraal examen blijft bestaan als landelijke norm, maar scholen kunnen zelf bepalen hoe leerlingen daarheen geleid worden. Verschillen zijn toegestaan en uitblinken wordt beloond.   In het hoger onderwijs komen excellente programma’s voor 10% van de best presterende studenten.

Doorbraak 4: Het leven van een ondernemer

Ondernemers zijn de basis van het economische leven. De lastenverlichting wordt radicaal doorgezet, waarbij het kabinet erop inzet dat Nederland zich binnen deze kabinetsperiode bij de top-3 van Europa voegt. De startersfaciliteit binnen de WBSO wordt uitgebreid. De ongelijkheid tussen werknemers in dienstverband en zogenaamde flexwerkers wordt aangepakt. Het kabinet ontfermt zich over de vormgeving van nieuwe sociale arrangementen die recht doen aan de arbeidsverhoudingen van de 21ste eeuw. Verder wordt gekeken hoe de overheid de innovatieve bijdragen van werknemers binnen bedrijven kan stimuleren.

Doorbraak 5: Het belang van de regio

Het kabinet zet in op de echte pieken in de delta: de Randstad en een beperkt aantal toptechnologie regio’s, te weten Eindhoven en Wageningen. Voor de Randstad, de derde economische regio in Europa, komt een Randstadbestuur zonder toevoeging van een extra bestuurslaag. Daarbinnen worden enkele grote projecten benoemd die versneld worden uitgevoerd, zoals de ontwikkeling van de Zuidas.

Doorbraak 6: De weg naar een slimme overheid

Investeren in de kenniseconomie kost geld. Een slimme overheid kan dat geld vrijmaken door efficiënter te werken. Hierdoor wordt ook het vertrouwen van de burgers hersteld. Het kabinet stelt een projectminister voor administratieve vereenvoudiging aan, die rechtstreeks onder de minister- president valt. Deze kan op basis van uitgewerkte plannen financiering krijgen voor verbeteroperaties. Voor de begroting van 2007 dienen er plannen voor minimaal vijf grote operaties te zijn ontwikkeld. Daarnaast wordt de wet eenmalige verstrekking persoonsgegevens ingevoerd en krijgen burgers de beschikking over de gegevens die de overheid en publieke organisaties van hen hebben.

Agenda, geld en mensen

Dit is een mooie kenniseconomie-agenda voor een nieuw kabinet. Maar een agenda alleen is niet voldoende. Voor kans op succes moet aan twee andere voorwaarden worden voldaan.   Ten eerste, voldoende middelen om deze doorbraken te realiseren. Mooie woorden zijn prachtig, maar als ze niet worden gevolgd door actie kunnen ze meer schade dan goed doen. Anderen hebben al gepleit voor forse bedragen. Het Innovatieplatform komt bijvoorbeeld tot een bedrag van circa 6 miljard. In de monitor worden geen bedragen genoemd, omdat dit te zeer een slag in de lucht is. Maar de meeste voorstellen kosten wel geld. Bij elkaar gaat het om een omvangrijke investering. Desalniettemin denken we dat een aantal voorstellen met beperkte middelen al effect kunnen sorteren. Met deze acties kan direct begonnen worden.  Ten tweede, de praktijk bewijst het steeds weer: zonder de juiste mensen lukt het niet. Besteed daarom voldoende aandacht aan het selecteren van de goede mensen op cruciale posities, zowel binnen het kabinet als daarbuiten. Dat is beter dan een poging in drie cijfers achter de komma alles op schrift vast te leggen.

Wat gaat Kennisland hiermee doen?

Kennisland heeft deze monitor niet geschreven als een verlengstuk van ons dagelijkse werk. De analyse van deze monitor volgt niet per se het werk dat we nu doen. Het is eerder andersom. Ons werk wordt bepaald door de analyse die hier is gemaakt. Het geeft ons een agenda voor de komende jaren, met nieuwe richtingen en accenten. Daar zullen we ons met volle overtuiging en al onze energie voor inzetten. We hopen dat de monitor voor de lezer hetzelfde effect heeft. Want Kennisland kan deze zes doorbraken nooit alleen realiseren. Daar hebben we de rest van de polder echt bij nodig.




«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK