Frits van Oostrom over leiderschap in Nederland

Nieuws | de redactie
10 oktober 2006 | Er wordt een kabinet geformeerd. Er is een fel en vaak zuur debat over managers in het HO en hun vermeende wandaden. Europa worstelt nog met een eigen lijn en kracht. Alom klinkt de roep om 'passie' en leiderschap. Frits van Oostrom, de nummmer 1 van de ScienceGuide Top 10 van het voorbije jaar, schreef een behartigenswaardig essay over het schamperen, verlangen en waarmaken van leiderschap. De Gouden Eeuw -die van de VOC mentaliteit- en het Nederland van vandaag spiegelt hij daarin virtuoos aan elkaar.


Frits van Oostrom - Mozes en de doortocht door de polder

Een van de wonderlijkste fenomenen rondom leiderschap in Nederland is de ritmiek der presidenten bij Philips. Zodra daar een nieuwe CEO op het schild wordt geheven, wordt hij (ooit nog eens: zij?) geprofileerd als een geweldenaar, en weldra daarna als wonderdokter. Binnen de kortste keren is er een nieuwe strategie, steevast onder een pakkende slogan, de hele company er achteraan voor een pa



Maar het model van Philips is bepaald on-Nederlands. Zo’n schetterig “follow the leader” is veel meer iets Amerikaans, waarvan ons land heus wel een tik heeft meegekregen – en in de laatste decennia in toenemende mate – maar in wezen blijven wij het land van leiders zoals Drees en Zijlstra, regeerders in een rijtjeshuis, aartsvaders van consensuele evolutie. Het is heden ten dage mode – niet in de laatste plaats onder jonge mensen – om over dergelijk leiderschap te schamperen, waarmee vaak in dezelfde moeite door het hele poldermodel verketterd wordt. Maar het is wel onze diepste traditie, heeft ons gebracht waar we nu staan – en is misschien ook wel een heel erg goed concept.

En aangezien een Nederlander zoiets nooit van een landgenoot zal aannemen, ben ik zo vrij als kroongetuige hier twee gezaghebbende Amerikaanse stemmen op te voeren. In haar essay Mankind’s better moments (1980) behandelt Pulitzer Prize-winnares Barbara Tuchman drie fenomenen in de wereldgeschiedenis waarin de mensheid zich waarachtig groots betoonde. Tuchmans derde voorbeeld is de stichting van Amerika – hoe zou het ook anders kunnen, in een verhaal dat oorspronkelijk diende als Jefferson Lecture in Washington D.C.. Het tweede voorbeeld is: middeleeuwse kathedralen – en wie zich ooit rekenschap heeft gegeven van wat daar met beperkte technische middelen voor groots verricht werd, kan Barbara Tuchman alleen maar gelijk geven. En haar eerste voorbeeld uit de wereldgeschiedenis van de mensheid op haar best?
“Consider how the Dutch accomplished the miracle of making land out of sea. […] The will to do the impossible, the spirit of can-do that overtakes our species now and then, was never more manifest than in this earth-altering act by the smallest of the major European nations. A low-lying, windswept, waterlogged land, partly below sea level pitted with marshes, rivers, lakes, and inlets, sliding all along its outer edge into the stormy North Sea with only fragile sand dunes as nature’s barrier against the waves, Holland, in spite of physical disadvantages, has made itself into one of the most densely populated, orderly, prosperous, and, at one stage of its history, dominant nations of the West. [volgt een verhaal over de inpoldering der Zuiderzee] Today the Afsluitdijk or Zuider Zee road, is a normal thoroughfare. To drive across it between the sullen ocean on one side and new land on the other is for that moment to feel optimism for the human race.”

Na zijn met de Pulitzer Prize bekroonde Guns, germs and steel (over de opgang van het Westen) bestudeerde Jared Diamond de keerzijde van de medaille: de ondergang van samenlevingen. Volgens hem bezwijken die doorgaans aan dezelfde ziekte, waarvan de symptomen in het licht van hedendaagse ontwikkelingen iets onheilspellends krijgen: zelfoverschatting – demonisering van vermeende tegenstanders – afbrokkelende interne eendracht – uitputting van middelen – verstoring van het milieu. Is er ook nog hoop? Jawel, sommige landen vinden wel degelijk de juiste uitweg temidden van alle conflicterende factoren:
“A good example of a society minimizing such clashes of interest is the Netherlands [volgt omstandige lofzang op het poldermodel] That acknowledged interdependence of all segments of Dutch society contrasts with current trends in the United States, where wealthy people increasingly seek to insulate themselves from the rest of society […] Underlying such privatisation is the misguided belief that the elite can remain unaffected by the problems of society around them.”

Let wel: Tuchman en Diamond spreken van “the Dutch” en “the Netherlands” als collectief exempel. Niet één held wordt er speciaal voor aangezien, er valt geen naam zoals van Washington of Lincoln, Lech Walesa, Churchill of Mandela. Zo Nederland al dergelijke messiaanse leiders heeft gekend, staan ze inmiddels bij madame Tussaud. Natuurlijk: wij hebben een vader des vaderlands in Willem van Oranje, een paar beroemde vlootvoogden en enkele hoofdarchitecten van het poldermodel; maar het eigenlijke leiderschap van Nederland schuilt in het collectief. Dat gold al helemaal in onze echte glorietijd, de Gouden Eeuw.[1] De Republiek kende geen staatshoofd, zelfs geen regering, geen eenheid van bestuur, en evenmin een nationaal systeem van wetgeving en rechtsbedeling. Belastingen waren hooguit gewestelijk en voor het overgrote deel lokaal.

Besturen was destijds laveren tussen hogere en lagere overheden en zelfs particuliere privileges. De macht verkeerde in precair evenwicht tussen adel en steden, en werd bij voorkeur sterk gespreid en gerouleerd, al was het maar om misbruik ervan te voorkomen. In Zwolle had men elke vier weken twee nieuwe burgemeesters, die voor alle belangrijke beslissingen de instemming moesten verwerven van de meente: 48 aanzienlijke burgers gekozen uit de wijken van de stad. In andere steden speelden de gilden een vergelijkbare rol, of was er op zijn minst een vroedschap van tientallen voor het leven gekozen leden. Als stadsbestuurderen genoten zij vanzelfsprekend aanzien, maar in het algemeen onderscheidde de magistratuur zich door gewoonheid. Men ging bijvoorbeeld niet aan ambtskledij herkenbaar over straat, laat staan met een speciale tred, zoals de podestà in het toenmalige Venetië. Een Franse reiziger ten tijde van Frederik Hendrik achtte eenvoud het voornaamste kenmerk van de Hollandse elite, en in 1587 trof een bezoeker de Leidse magistraat Schot aan terwijl deze tot zijn verbazing “opte stoup voor zyn deur was zittende”.

Dit kenmerkt het profiel van leiderschap in onze Gouden Eeuw tot aan de hoogste regionen toe. De Staten Generaal hadden een per week roulerend voorzitterschap; alle gewesten, ongeacht hun grootte, hadden één stem; bij belangrijke kwesties was unanimiteit vereist. Aan het stadhouderschap knaagde allerlei particularisme, en dan was het ook nog eens geen nationale maar een regionale functie, ondergeschikt aan de gewestelijke staten. Stadhouders benoemden namens de staten de stedelijke magistraten, die op hun beurt via de statenvergadering lastgevers waren van dezelfde stadhouder. De Oranjes waren hooguit informeel het staatshoofd, en enkel opperbevelhebber van het leger bij de gratie van de staten..

Volstrekt diffuus was dan ook waar de uiteindelijke zeggenschap over de Republiek berustte. De machtigste man was in de praktijk misschien wel de raadpensionaris (landsadvocaat), terwijl die officieel slechts adviseur was van de staten van Holland, en voor vijf jaar werd benoemd. Stadhouder noch raadpensionaris stonden officieel aan het roer, eerder wijdbeens in een sloep op open zee. Voorzover hun gezag al niet op voorhand was beperkt, werd het ook nog eens aangevochten, en de hoge heren schipperden van compromis naar compromis. Er heerste een immense vergadercultuur, met een breed en zeer stemhebbend midden. Volgens Huizinga was de cultuur van onze Gouden Eeuw “wezenlijk onheroïsch”.

Dat waren dus de echte jongens van Jan de Witt. Aartsonderhandelaars, gladstrijkers en samenwerkingsvirtuozen, coalitiesmeders, evenwichts- en draagvlakkunstenaars. Het zijn suspecte eigenschappen voor de ferme jongens van vandaag, die soms allemaal van mening lijken dat natuurlijk leiderschap zoal niet Rambo dan toch op zijn minst John Wayne vereist, en slechts langs assertief aangezette lijnen van conflict gedijt. Waarbij wij nogal eens vergeten dat ook die natuur niet slechts survival of the fittest kent, maar alle mogelijke vormen van samenwerking.[2]

En behalve de natuur, houdt ook de cultuur leiders een spiegel voor. In de Gouden Eeuw kenmerken de leiders zich dikwijls door hun erudiete inslag. Prins Maurits was een uitgesproken studax, niet alleen door zijn verbondenheid met ir. Simon Stevin die hij als stedendwinger kon gebruiken, maar ook met een passie voor wiskunde als zuivere wetenschap. De grote schrijvers Hooft en Huygens waren in het dagelijks leven regenten, en Jacob Cats was raadpensionaris en de meest gelezen dichter tegelijk. De Republiek onderscheidde zich binnen Europa in het algemeen door een hoge graad van algemene ontwikkeling.

Schuilt in mijn sympathie voor dit soort cultureel gefundeerd leiderschap de utopische projectie van een nostalgische softie? Waarschijnlijk is het toch wel meer dan dat. Het scheppen van een draagvlak vereist een brede blik, inlevingsvermogen en empathie, plus uitgesproken vindingrijkheid, die als creativiteit tevens de hoeksteen is van alle innovatie. De bijdrage die culturele vorming voor zulk leiderschap kan leveren wordt denk ik onderschat, sterker nog: de twee lijken compleet gescheiden werelden. Wie op de middelbare school vandaag de dag kiest voor het profiel “Cultuur en maatschappij” lijkt zich bij voorbaat af te melden voor leidinggevende functies. Zo is ons hele onderwijssysteem gedetailleerd verkaveld – dat is de slechte zijde van de polder, en al helemaal als wij die ook nog eens afrasteren met schrikdraad. Na VWO helemaal alsof scheiding der geesten over ons neerdaalt, waarbij studenten steeds sneller moeten worden klaargestoomd via zwaar geprofessionaliseerde vakopleidingen. Het leidt tot doelgerichte, kundige maar dikwijls ook wat smalle mensen, en tot universiteiten en hbo-opleidingen die in hun gelederen heel wat talenten ongebruikt laten.

Laten we ons dan ook op dit gebied eens spiegelen aan de USA. De universiteiten daar funderen hun bacheloropleidingen in een klassiek (van origine Europees!) model van liberal arts, waarbij studenten eerst een vrij brede basis krijgen alvorens zich te specialiseren. Aan veel universiteiten krijgt die basis gestalte via een zogenaamd core curriculum, dat in de studiegids van Harvard University als volgt wordt toegelicht:
“The philosophy of the Core Curriculum rests on the conviction that every Harvard graduate should be broadly educated, as well as trained in a particular academic specialty or concentration. It assumes that students need some guidance in achieving this goal, and that the faculty has an obligation to direct them toward the knowledge, intellectual skills, and habits of thought that are the hallmarks of educated men and women.”
Dan volgen een ruime honderd  cursussen, waaruit elke student een bepaald kwantum moeten kiezen, verspreid over de domeinen Foreign cultures, Historical study, Literature and arts, Moral reasoning, Science, Social analysis en General education.    

De Amerikaanse economie geldt als de meest innovatieve ter wereld. Innovatie vereist denken en doen langs ongebruikelijke lijnen, en heel veel vrije associatie. Zou de Amerikaanse vaardigheid in dezen iets te maken kunnen hebben met het feit dat alumni als van Harvard, voorafgaand aan de business school, op hoog niveau hoor- en werkcolleges doorlopen over zulke ogenschijnlijk onzakelijke onderwerpen als – een kleine greep uit Harvard’s Core – “Jewish life in eastern Europe”, “The Darwinian revolution”, “The Bible and its interpretations”, “Equality and difference”, “The nature of light and matter” en “The politics of Greek tragedy”?
Leiders van nu en straks – denk er eens over. En wilt U echt een leider zijn: doe er wat aan.

Frits van Oostrom
President van de KNAW

(Dit essay verscheen tevens in ZOUT, het huisorgaan van KPMG




[1] Het navolgende is een compilatie uit een aantal wetenschappelijke standaardwerken: M. Prak, Gouden eeuw. Het raadsel van de Republiek (Nijmegen, 2002); A.Th. van Deursen, Mensen van klein vermogen. Het “kopergeld” van de Gouden Eeuw (Amsterdam, 1991); J.I. Israel, The Dutch Republic. Its rise, greatness and fall 1477-1806 (Oxford, 1995);  W. Frijhoff en M. Spies, 1650. Bevochten eendracht (Den Haag, 1999). Inspirerend blijft natuurlijk J. Huizinga, Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw. Een schets (geïll.ed. Amsterdam, 1998).

[2] Informatie van bioloog prof. M. Sabelis, KNAW-hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.










Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide maakt gebruik van cookies

Klik op OK om hiermee akkoord te gaan

OK