Het wezenlijk verschil tussen Da Vinci en Watt

Nieuws | de redactie
4 oktober 2006 | Historicus Joel Mokyr ging na de feestelijkheden rond zijn Heinekenprijs exclusief het debat aan met topmensen van Haagse departementen en de R&D-sector, op uitnodiging van de AWT. Kern van het gesprek was ‘hoe komt in historisch perspectief een samenleving tot een innovatieve cultuur en een leidende rol als kenniscentrum?’ ScienceGuide was erbij en u leest de kernpunten ervan hier.


Mokyr zette uiteen, dat in de achttiende eeuw een fundamentele verschuiving plaats had in de kijk op wetenschap en kennis zélf. “Economische historici hebben weinig aandacht besteed aan de intellectuele, zo u wilt culturele factoren achter de grote economische veranderingen, zoals de industriële revolutie. Daar ben ook ik schuldig aan geweest.”

Hij wees erop, dat 18-eeuwers grote nadruk gingen leggen op ‘nuttige kennis’ en een veel meer geordende, analytische en toepasbare disseminatie daarvan. Veel minder op de speculatieve systeembouw van theoretische, metafysische aard. ”Het symbool van die omslag naar ‘nuttige kennis’ is natuurlijk de ‘Encyclopedie’. Daar waren in de tijd overigens vele variaties en versies van, ook op alle mogelijke deelgebieden van nuttige kennis. Deze publicaties waren in feite de eerste zoeksystemen, de pogingen om de nuttige kennis rationeel, logisch opgebouwd te ontsluiten voor wijdverspreide toepassing.”

In Akademie Nieuws van de KNAW heeft Mokyr de historische achtergronden van deze kennistransformatie nader uiteengezet. Hij zegt daarover onder meer:

“Het oude Griekse ideaal waarin kennis an sich werd nagestreefd, maakte plaats voor een ideaal waarin kennis ook toepasbaar was. Francis Bacon was niet voor niets het grote voorbeeld van de Franse Encyclopedisten – Diderot schreef altijd vol bewondering over “Lord Bacon”. In zekere zin was het Verlichtingsdenken de vervulling van Bacons grote droom: het beheersen van de natuur door kennis, een samensmelting van natural philosophy – dus wetenschap – met de useful arts – de technologie.

En dat is de drijvende kracht geweest achter de industriële revolutie. Natuurlijk waren er daarvoor ook al, in de zeventiende en achttiende eeuw, pogingen gedaan om bijvoorbeeld de opbrengst van de landbouw te verhogen of om staal te harden. Maar die liepen vaak stuk, omdat men gewoon niet begreep wat men deed. Doordat de Verlichting de nadruk had gelegd op systematisch onderzoek van technische problemen, kon men nu wel vooruitgang boeken – al kon dat soms lang duren. Men ging uitzoeken wat een plant precies nodig had om te groeien, wat precies het verschil was tussen ijzer en staal, hoe het kon dat katoen werd gebleekt door zon en karnemelk, of koeienpis.’

Een mooi voorbeeld is dat bleken van katoen. In 1785 publiceerde Berthollet zijn fameuze artikel waarin hij liet zien dat katoen kon worden gebleekt met behulp van chloor. Daarvan hoorden de Schotse katoenboeren, die voor het bleken nog steeds waren aangewezen op zonlicht en koeienpis – twee schaarse bronnen in Schotland. Dus ging er een delegatie naar Frankrijk om Berthollet uit te horen over zijn nieuwe procedé. James Watt zat trouwens ook in die delegatie. Berthollet vond het eigenlijk geen enkel probleem om zijn ontdekking uit de doeken te doen. Tien jaar later was heel Schotland op de methode van Berthollet overgegaan – en iedereen kon zien dat er veel geld mee verdiend werd.

Dat was op zich wel heel Brits toen: de vaardigheid om een nieuwe vinding snel toe te passen en eraan te verdienen. Maar veel belangrijke vindingen kwamen toch van het vasteland. De Britse industriëlen waren er erg goed in ze toe te passen, en aan te passen aan hun behoeften.’

‘Een belangrijke reden waarom die industriële revolutie in Engeland begon, was eigenlijk dat de rest van Europa tussen 1789 en 1815 wel wat anders aan het hoofd had, met de Franse Revolutie en Napoleon. Nederland, bijvoorbeeld, verkeerde in een diepe depressie, het was bezet door de Fransen, tallozen moesten onder de wapenen.

Het waren dus vooral de strubbelingen op het vasteland die Engeland een voorsprong van zeker dertig jaar gaven. Maar toen ontstond ook de grote tweedeling die we nu nog steeds zien: de tweedeling tussen het rijke Westen en de rest van de wereld. In de negentiende eeuw ontstond er een soort club van Verlichtingslanden, waarin zich steeds dezelfde processen afspeelden – urbanisatie, industrialisatie, verbetering van de scholing, enzovoort. De rest van de wereld nam daar eigenlijk geen deel aan. De hamvraag, zo zou je kunnen zeggen, is nu hoe dat kwam. Ik denk dat het unieke inderdaad zit in die verandering van ideologie die de Verlichting gebracht heeft. Zoiets is amper met cijfers te staven, maar het blijkt uit talloze citaten en anekdotes en biografieën uit die tijd. De Verlichting heeft mensen – tenminste de elite van zakenlieden, ingenieurs, en wetenschappers – langzamerhand geleerd anders te gaan denken over de wereld waarin zij leefden. Meer en meer raakte men doordrongen van de gedachten die wij nu, in het Westen, zo normaal vinden, namelijk dat de formele kennis van de natuur de productie kan dienen en ondersteunen. In geen enkele andere samenleving heeft dat idee zodanig getriomfeerd.

Zoals de industriële revolutie mensen dwong naar de fabriek te komen om daar hun arbeid te verrichten, zal ICT de manufactuur, het thuiswerk terugbrengen. Er is geen goede reden meer om met z’n allen op kantoor achter de computer te zitten – het meeste werk, in ieder geval in de dienstensector, kan net zo goed thuis (of ergens anders) gedaan worden.

Als man en vrouw allebei thuis werken, zullen ze hun relatie en hun rechten en plichten ook anders gaan invullen. Je kunt je zelfs voorstellen dat er demografische verschuivingen optreden: misschien dat gezinnen die nu aarzelen om kinderen te krijgen omdat de vrouw er alleen voor moet zorgen, over dat bezwaar heen stappen als man en vrouw allebei thuis werken en de taken anders kunnen verdelen.

De veranderingen in de dienstensector zullen het grootst zijn. Nu al gaat het contact met mijn dokter, mijn advocaat en mijn bankier vooral via e-mail, en zie ik ze eigenlijk maar zelden. Als ik een webcam had, zou ik er nog minder op bezoek hoeven. Het forensenverkeer, de auto en de trein, zal volkomen van karakter veranderen – en denk eens aan al het kapitaal dat nu nog in kantoorpanden

wordt gestoken. De fabriek en het kantoor waar mensen van 9 tot 5 aanwezig moesten zijn, waren een creatie van de industriële revolutie, en het is heel goed mogelijk dat ze over enkele tientallen jaren grotendeels verdwenen zullen zijn. De rol van de vakbonden, ook zo’n typisch product van de industriële revolutie, is nu al zeer sterk aan het veranderen. Niet dat beroepsverenigingen zullen verdwijnen, maar de organisatie wordt volkomen anders.”

‘Nuttige kennis’ definieerde Mokyr bij zijn introductie tot de discussie vanuit deze historische ontwikkeling als opgebouwd uit drie elementen:
1) technieken die de receptuur van kennis vormen
2) de kennis waarom en hoe zo’n ‘techniek’ werkt
3) de competentie en de daarmee verbonden vaardigheden zulke ‘techniek’ concreet te laten werken.

“Samenlevingen kunnen namelijk heel inventief zijn en tegelijk weinig vaardig, niet zo skillful. Zie op dit punt bijvoorbeeld het verschil tussen Leonardo Da Vinci en James Watt. Alle twee geweldig vindingrijk, maar Da Vinci vond nooit een vaardige toepassingsomgeving. Zoiets heeft grote consequenties voor de ontwikkeling van een samenleving als kenniseconomie. Hier zit ook het grote punt van het Britse succes als bron van de industriële revolutie als gevolg van de verlichtingsidealen.”

Mokyr schetste in zijn analyse, dat een belangrijke herleving aan de orde is van de waarde van instituties in de kring van economisch historici. “Het gaat daarbij om de rollen die gespeeld worden door afspraken over the rules of the game, minder over organisaties als zodanig. Verlichtingsidealisten richtten zich bijvoorbeeld tegen de economische ancien régime structuren die technologie en handel belemmeren. Het Mercantilisme moest bijvoorbeeld weinig hebben van het idee dat je via de opening naar anderen als partners in de economie tot groei en vooruitgang zou komen. Zij gingen op allerlei manieren in verzet tegen deze benadering, zoals tegen binnenlandse handelsprivileges.”

Mokyr stelde derhalve, dat innovatieve transformaties zowel een andere blik op ‘kennis’, als op ‘instituties’ omvatten. De samenhang daartussen maakt het verschil. In de discussie hierover stelde professor Luc Soete de pregnante vraag of de Lissabon-agenda aan deze analyse beantwoordt. Heeft Europa zo’n samenhangende transformatie in gang weten te zetten? “De componenten van die agenda zijn er wel in te vinden, maar ze zijn niet complementair gemaakt. De gewenste economische en technologische veranderingen en de institutionele veranderingen heeft Europa los van elkaar gelaten.” Soete wees erop, dat de benadering van het Innovatieplatform met zijn kennisinvesteringsagenda een betere opzet bood, omdat daarin die beperking niet voorkomt.

In de discussie hierop onderstreepte Mokyr dat een goed kennisbeleid complementair is aan de ontwikkeling van adequate instituties. Om die reden liet hij desgevraagd grote scepsis merken over de ontwikkeling van China. Een diepgaande kloof tussen juist de economische en institutionele aspecten van de snelle ontplooiing van dit land, kan volgens Mokyr niet zonder gevolgen blijven. De zorgwekkende ecologische toestand van China is in zijn ogen daar een belangrijk signaal van.