Hoe kun je leergedrag veranderen?

Nieuws | de redactie
22 november 2006 | Lange tijd is in het Hoger Onderwijs gedacht dat één homogene aanpak geschikt was voor alle studenten. Uit het onderzoek blijkt echter dat slechts een deel van de studentenpopulatie gevoelig is voor veranderingen in de onderwijsbenadering terwijl andere studenten ongevoelig zijn voor welke aanpak (of leeromgeving) dan ook. Dat wil niet zeggen dat leerveranderingen geen zin hebben. Maar je moet je daar wel goed over communiceren, doorzettingsvermogen hebben, en je bewust zijn van beperkingen van nieuwe onderwijsmethoden.

Tot deze conclusies komt promovendus Jan Nijhuis (Universiteit Maastricht) nadat hij het leergedrag van ongeveer 120 studenten in drie opeenvolgende cursussen – over een periode van driekwart jaar – heeft gemeten. Docenten zouden het liefste alle studenten zover krijgen dat ze een zogenaamde diepgaande leerstrategie toepassen. Deze strategie wordt gekenmerkt door studeren op onderliggend begrip, combineren van verschillende bronnen, integreren van diverse denkwijzen en het gericht toepassen van kennis in de praktijk. De zogenaamde oppervlakkige leerstrategie (gericht op het reproduceren van kennis) staat daar lijnrecht tegenover, maar wordt in het onderwijs wel vaak – ongewild – uitgelokt. Door aanpassingen in het onderwijs kunnen weliswaar studenten gestimuleerd worden tot diepgaand leren, echter niet alle inspanningen hebben hetzelfde effect op studenten. Uit de dissertatie van Nijhuis blijkt dat die beïnvloeding zijn grenzen heeft.

Persoonlijkheidskenmerken, zoals het openstaan voor nieuwe ervaringen en nauwgezet werken, zijn ook relevant voor het leergedrag van studenten. Een belangrijke voorwaarde voor verandering in leergedrag is dat docenten ruimte en tijd bieden aan de studenten om aan de leeromgeving te wennen. Noodzakelijke vaardigheden kunnen door aanvullende training en ondersteuning ontwikkeld worden, zodat studenten die aanvankelijk moeite hadden met studeren in een innovatieve leeromgeving uiteindelijk goed kunnen studeren in die nieuwe leeromgeving. Belangrijk daarbij is dat geld en energie wordt geïnvesteerd in begeleiding van het docentenkorps, zodat de docenten goed voorbereid zijn op hun rol van begeleider in dit ontwikkelingsproces. Beleidsmakers moeten zich daarom realiseren dat een proces van training en begeleiding noodzakelijk is voor succesvolle veranderingen in leeromgevingen.

De tweede conclusie is dat je leeromgevingen alleen maar met succes kunt innoveren als je daar gedegen en effectief over communiceert. Geef uitleg aan alle betrokkenen, studenten of leerlingen, docenten, ouders, etc., over de gedachtegang achter de nieuwe leeromgeving. Laat zien welke nieuwe vaardigheden worden aangeleerd en toon aan dat sommige vaardigheden misschien minder worden geleerd, maar dat daar extra of andere vaardigheden voor in de plaats komen. En heel belangrijk: geef niet te snel op. Vaak hebben nieuwe studenten in het eerste jaar problemen met de nieuwe leeromgeving, maar in het tweede jaar weten ze al niet meer beter.

Deze conclusie zou kunnen worden uitgebreid naar het Studiehuis in het middelbaar onderwijs. Beleidsmakers zouden met effectieve communicatie en meer ondersteuning van de leerlingen, en vooral het docentenkorps, het Studiehuis meer tijd kunnen gunnen en niet meteen hoeven opgeven. Een daarmee samenhangende conclusie is dat het waarschijnlijk zinvol is leerlingen al op jonge leeftijd, bijv. basisschoolniveau, te laten wennen aan innovatieve leeromgevingen. Ook dat zou een waardevol advies voor beleidsmakers op het gebied van onderwijs kunnen zijn.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK