Koester de verbanden

Nieuws | de redactie
31 januari 2007 | Nederland wil voorop lopen in de kenniseconomie. Maar kennis waaraan kwaliteit ontbreekt, helpt niet de kenniseconomie dichterbij te brengen. Nederland wil een samenleving zijn waarin mensen meedoen en naar elkaar omzien. Maar als de kwalitatieve voorwaarden daartoe ontbreken is er onvoldoende participatie en onvoldoende onderlinge zorg. Wie niet in kwaliteit investeert, moet niet verwachten dat er grote sprongen voorwaarts worden gemaakt.

Zowel de kwaliteit van het onderwijs als de kwaliteit van de lokale samenleving hebben erg te lijden gehad van de eenzijdig financieel-economische benadering waarvoor de kabinetten-Balkenende hebben gekozen. Nederland is in de afgelopen jaren niet dichter gekomen bij de zelfgestelde idealen, aangeduid met de termen ‘kenniseconomie’en ‘participatiemaatschappij’. Over beide terreinen wil ik in deze bijdrage iets zeggen. De kern van mijn betoog is dat kwaliteit hét thema is voor de komende jaren en dat dit thema investeringen vraagt, in termen van beleidsaandacht en samenhangend beleid, en ook in geld. Maar dat laatste moet een afgeleide zijn van het eerste.

Kwaliteit in het hoger onderwijs
Ik ben werkzaam in het hoger beroepsonderwijs als lector en aan de universiteit als bijzonder hoogleraar. De universiteit kende ik beter dan het HBO, toen ik daar kwam te werken. Lectoren zijn bedoeld om een impuls te geven aan het HBO. Het HBO zou niet alleen maar een opleidingsinstituut voor beroepsprofessionals moeten zijn, maar ook een kennisinstituut. Bologna- en Lissabon-akkoorden wezen op het belang van verdere verdieping en kwalitatieve verbetering van het HBO. Deze inzet was goed. Het is goed dat er gekozen is voor onderzoeks- en ontwikkelfuncties in het HBO, al hebben lectoren zich met hun nieuwe kennisfunctie een plek moeten verwerven en soms bevechten. Het HBO is niet erg veranderingsgericht. Het integreren van nieuwe functies gaat langzaam. Innovatie staat niet op ieders prioriteitenlijst even hoog. Niettemin zien we die functieverbreding wel langzaam gestalte krijgen.

Wordt het HBO kwalitatief beter? Daarvoor moeten we niet alleen naar de werkzaamheden van lectoren kijken, maar naar de mate van integratie tussen onderzoek en onderwijs en vooral ook naar de kennistransfer naar studenten toe. Op beide vlakken (integratie onderzoek en onderwijs, kennistransfer) zijn duidelijk wensen te formuleren, willen we van het HBO een nieuwe ontwikkeling verwachten. Het eerste vlak is afhankelijk van investeringen in het HBO als kennisinstituut. Meer waardering is nodig voor het specifieke onderzoeksmatige werk dat op het HBO gebeurt. Dat is praktijkonderzoek, gericht op werkzaamheden en situaties in beroepspraktijken, waarbij onderzoeksresultaten ook weer worden teruggelegd in die professionele praktijken.

Het onderwijs op het HBO kan verder verbeteren als de relatie met dit onderzoek sterker wordt. Dit onderzoek moet dan natuurlijk wel meer gewicht en volume krijgen dan nu het geval is. Een sprong voorwaarts op het andere vlak – de kennistransfer naar de student toe – vereist een gedegen onderwijsvisie. Zeker als Nederland ambities heeft om leidend te worden in kennis, moet het onderwijs robuust zijn. Nodig is stevige kennisoverdracht, veel persoonlijke begeleiding, overzichtelijke en kleinschalige lessituaties. Uit ervaringen, zoals bij het University College in Utrecht, weten we dat dit de aanpak is die werkt en tot kwalitatief hoogwaardige resultaten leidt. Een dergelijke aanpak stelt ook hoge eisen aan docenten, die gedwongen worden zelf meesterschap te tonen over de stof en de praktijk waarover die stof gaat. Zo worden docenten geprikkeld te blijven innoveren.

In een volgende kabinetsperiode zou op deze manier naar het hoger onderwijs in Nederland gekeken moeten worden. We weten waarom dat maar steeds niet gebeurt: vanwege de kosten. Maar juist deze eenzijdige calculerende houding leidt tot een gestage uitholling van het hoger onderwijs. Greetje van der Werf, hoogleraar Onderwijzen en Leren in Maastricht, stelde onlangs: ‘Onderwijsinstellingen krijgen geld op grond van het aantal leerlingen dat bij hen ingeschreven staat en het diploma haalt. Dus wat doen scholen? Ze verlagen het niveau, dat is toch logisch?’. Deze druk is er ook in het HBO en ook daar moet gewaakt worden voor de daling van het onderwijsniveau.

Dan is er nog een ander punt met betrekking tot het HBO. We hebben in de afgelopen decennia enorme fusiebewegingen gehad met grote hogeschoolconglomeraten als gevolg. Het HBO is megagroot geworden. Maar iedereen weet dat grootschalig wel efficiënt is, maar niet per se goed voor de student. Het is geen wonder dat kleine hogescholen – zoals die waar ik aan werk – beter scoren als het gaat om kwaliteit en studenttevredenheid. Dergelijke hogescholen hebben het karakter van een schoolgemeenschap behouden. Docenten en studenten kennen elkaar, zijn aanspreekbaar voor elkaar en ook het management kan de lijnen kort houden. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling heeft in een studie laten zien dat kleinschaligheid beslist een aantal voordelen met zich meebrengt voor het
onderwijsproces zelf. Waarom voeren we deze discussie niet in Nederland, als het ons om kwaliteit te doen is? Studenten vragen er nota bene zelf om.

Kwaliteit in de lokale samenleving
Ik ben lector op het gebied van samenlevingsvraagstukken. Daarbij concentreren we ons op de lokale samenleving. De Wet Maatschappelijke Ondersteuning heeft de aandacht gevestigd op de kwaliteit van die lokale samenleving. Het lijkt er een beetje op dat de samenlevingsidealen die we koesteren lokaal waargemaakt moeten gaan worden. Wijk en buurt zijn belangrijk geworden als de schaal waarop we politieke idealen menen te kunnen verwezenlijken. Of het nu gaat om de veiligheid van burgers, de mate van integratie van burgers, de participatie van mensen met een beperking of de vraag naar solidariteit en onderlinge zorg – telkens duiken buurt en wijk op als de eenheden die in het belang van allen goed moeten functioneren. Voor dat goede functioneren wordt veel gedaan. Er wordt van alles bedacht om buurtbewoners met elkaar in contact te brengen, opzettelijk of juist onopzettelijk. Er wordt van alles bedacht om wensen en vragen van burgers met elkaar te laten
‘matchen’ en zo onderlinge hulpsystemen op gang te brengen.

Het verder faciliteren van burgers in buurten en wijken is een trend die door zal gaan. Er is veel energie in de lokale samenleving. Maar de vraag die ik daarbij stel is: wat is de betekenis en kwaliteit van de lokale samenleving? Hoe kunnen deze duurzaam gewaarborgd worden? Duurzame kwaliteit van de lokale samenleving vraagt om duurzame relaties die mensen niet uit utilistische motieven, maar omwille van die relaties zelf met elkaar aangaan. De kwaliteit van het sociale weefsel in een lokale gemeenschap kan nooit kunstmatig tot stand komen, maar vergt groei en dus tijd. Vooral vraagt het vertrouwen van mensen in elkaar. De kwaliteit van het sociale weefsel kan gemakkelijker kapot gemaakt worden dan hersteld.

De marktwerking die gepaard gaat met de invoering van de WMO trekt het sociale weefsel dat er al is voor een deel kapot. Het meest schrijnende voorbeeld daarvan levert de thuiszorg. Mensen die van thuiszorg afhankelijk zijn vragen heus niet zomaar een schoonmaker, maar willen iemand die met hen praat en hun huiselijke situatie ziet en voor hen optreedt. Voor dat alles is bij de aanbesteding van dit werk geen oog geweest. Schoonmaakbedrijven leken het werk van de thuiszorg te kunnen overnemen. Voor wie alleen naar kostenplaatjes kijkt is dat ook zo. Maar intussen zijn bestaande – vaak lokaal ingeweven – verhoudingen overhoop gehaald en heeft efficiency de plaats ingenomen van sociale aandacht.

Kijken we naar de komende jaren dan zal de invoering van de WMO nog veel van dergelijke ongewenste effecten laten zien. Gemeenten zouden veel beter moeten worden toegerust om hiermee om te gaan. Ook vrijwilligers, mantelzorgers en gezinnen zouden sterker moeten worden toegerust. De kwaliteit van een lokale samenleving hangt samen met de stevigheid en zorgcapaciteit van de verbanden die er al zijn en ontworpen zijn om sociale duurzaamheid in stand te houden. Hierbij nemen gezinnen een cruciale plaats in. Hopelijk zijn we voorbij aan het tijdperk waarin het gezin slechts smalend een hoeksteen van de samenleving werd genoemd. In de lokale samenleving is het gezin steeds meer de hoeksteen van de samenleving. In gezinnen vindt zorg voor kinderen en pleegzorg plaats, via gezinnen
wordt gesignaleerd wat er in de omgeving speelt en is er aandacht voor niet-gezinsleden, gezinnen zijn een graadmeter voor sociale veiligheid. Gezinnen kunnen, mits ze stabiel zijn, zorgen voor duurzaamheid en daarmee de kwaliteit van het lokale sociale weefsel.

De WMO heeft als risico dat het alle relaties in een lokale samenleving opneemt in een calculerende benadering. Het gezin is eigenlijk het enige verband – met de kerk – die aan zo’n calculerende benadering ontsnapt. Hier worden relaties onderhouden omwille van die relaties zelf. De kwaliteit van de lokale samenleving is afhankelijk van investeringen in gezinnen. Dit hoeven niet direct nieuwe kostenposten te zijn, het gaat vooral om een nieuw arrangement van regelingen die het gezinnen gemakkelijker maken eigen keuzes te maken. Er is blijkbaar genoeg geld om de kinderbijslag
te verhogen, maar het gezinsbeleid in Nederland moet veel breder worden. Steven van Eijck heeft als speciale commissaris voor het jeugdbeleid goed werk geleverd in de afgelopen jaren. Zijn hoofdboodschap was: stel het kind weer centraal. Dat kan alleen en dat begint alleen als er aandacht en zorg is voor kinderen in hun primaire leefomgeving. Maar dan moet die primaire leefomgeving tijd en aandacht kunnen opbrengen voor kinderen en voor anderen die ondersteuning en begeleiding nodig hebben.

Een nieuwe minister
Er moet in het nieuwe kabinet een minister komen die integraal beleid ontwikkelt op het gebied van gezin, jeugdzorg en maatschappelijke participatie. Uit het voorgaande is gebleken hoezeer
deze drie gebieden met elkaar verweven zijn. De zorg voor jongeren en de zorg voor de kwaliteit van de lokale omgeving begint bij een beleid dat gezinnen in staat stelt zijn vitale functies goed uit te oefenen. Zien we in gezinnen slechts arbeidsreservoirs voor de economie, dan zal ook het laatste stukje sociaal weefsel dat voor stabiliteit en duurzaamheid in mensenlevens kan zorgen opgeofferd worden aan onze drang welvaart te stellen boven al het andere in onze samenleving. Een minister van Jeugd, Gezin en Maatschappelijke participatie maakt, in nauwe samenwerking met de minister van Onderwijs, in de komende periode zichtbaar dat het Nederland ernst is met de kwaliteit van de samenleving.

Prof. dr. Roel Kuiper is lector Samenlevingsvraagstukken aan de Gereformeerde Hogeschool in Zwolle en bijzonder hoogleraar Reformatorische Wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.
In het afgelopen jaar maakte hij deel uit van de Nationale Conventie.




Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK