Lokaal bestuur stil vermogend

Nieuws | de redactie
22 februari 2007 | Gemeenten bezitten samen 6,5 miljard € stille reserves en provincies 6,4 miljard. Een deel van deze middelen komt vrij wanneer gemeenten en provincies hun aandelen in de energiebedrijven mogen verkopen. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Eduard Gerritsen aan de RUG.

Gemeenten en provincies moeten hun aandelenbezit volgens de voorschriften tegen de aankoopwaarde op de balans zetten. De actuele waarde ligt vaak aanmerkelijk hoger. Het verschil wordt stille reserve genoemd. Het grootste deel van de stille reserves zit in het bezit van aandelen in energiebedrijven. Gemeenten hadden eind 2000 stille reserves ter waarde van 6,5 miljard euro, waarvan 3,9 miljard euro in energiebedrijven. De 12 provincies bezitten in 2004 zelfs 5,8 miljard euro aan stille reserves in deelnemingen in energiebedrijven. De komende jaren kan een deel van deze miljarden vrij beschikbaar komen, zodra de aandelen mogen worden verkocht.

De verschillen tussen de individuele gemeenten en provincies zijn aanzienlijk. De stille reserves per inwoner van gemeenten lopen uiteen van -100 euro in Best tot 2193 euro te Diepenheim, dat is opgegaan in Hof van Twente. De nieuwe staatsecretaris Bijleveld van BZK is als ex- burgemeester van zo’n rijke plaats ervaringsdeskundige). Gemiddeld hadden gemeenten in 2000 405 euro aan stille reserves per inwoner, ofwel 16 procent van hun begrote uitgaven.

De waarde van de stille reserves van provincies loopt uiteen van 11 euro per inwoner (Zuid-Holland) tot meer dan 1604 euro (Zeeland). Per inwoner hebben provincies net iets minder stille reserves dan gemeenten (393 euro in 2004), maar als percentage van hun uitgaven hebben provincies bijna 10 keer zoveel eigen vermogen (144 procent van de jaarlijkse uitgaven). Sommige provincies hebben nauwelijks stille reserves omdat ze de aandelen al hebben verkocht (Utrecht en Zuid-Holland) of nooit veel aandelen hebben gehad (Flevoland). Zeven provincies hebben stille reserves die hoger zijn dan hun jaarlijkse uitgaven. Gelderland en Zeeland hebben zelfs stille reserves in aandelen die 3,5 keer hun jaarlijkse budget bedragen. De nieuwe Zeeuwse commissaris Karla Peijs zit er dus warmpjes bij. Geen cent te veel, ons ben zuunig!

Balkenende IV heeft in zijn regeerakkoord afgesproken 800 miljoen euro van de provinciale vermogens af te romen. De grote omvang van de reserves van de provincies en de ongelijke verdeling ervan kan ingrijpen van de rijksoverheid rechtvaardigen. Volgens Gerritsen is het dit toch geen goed idee. Rijksbemoeienis doet afbreuk aan de autonomie van gemeenten en provincies en kan bovendien leiden tot het straffen van zuinige overheden en het belonen van gemeenten en provincies die hun eigen vermogen “over de balk” hebben gegooid. Daarnaast kunnen normen en angst voor herverdelen of afromen tot ongewenste en schadelijke gedragsreacties leiden. Praktische bezwaren zijn echter doorslaggevend. Het ontbreekt op dit moment simpelweg aan de benodigde informatie. Het is op dit moment niet goed mogelijk de gewenste vermogensomvang van gemeenten en provincies te bepalen. Hoeveel eigen vermogen zij nodig hebben hangt af van veel verschillende factoren (zoals risico’s), die vaak moeilijk zijn te kwantificeren.

Een overheid zou, ongeacht waar de middelen vandaan komen, elke (potentiële) uitgave moeten afwegen tegen het belastingoffer van de burger. In de praktijk wordt een dergelijke afweging bij besteding van meevallers en overtollige reserves vaak niet gemaakt. Zelden leiden deze tot belastingverlaging. Bestuurders zijn geneigd om de middelen te herbestemmen aan voorzieningen waarvoor men aanvankelijk niet bereid was de belastingen te verhogen. Zo worden de overheidsuitgaven eigenlijk te hoog. Gemeenten en provincies moeten bij de besteding van vrijgevallen reserves niet alleen kijken naar mogelijke bestedingsdoelen, maar ook naar de mogelijkheid de reserves terug te geven aan de burger.