Slim onderhoud voor kennisinfrastructuur

Nieuws | de redactie
2 februari 2007 | Frans Nauta

Een van de dingen die het kabinet de afgelopen wel heeft aangeraakt maar niet aangepakt is de kennisinfrastructuur. Terwijl het echt tijd is voor groot onderhoud, na vele decennia van verwaarlozing.

Dat kost geld, zoals het Innovatieplatform en een groot aantalmaatschappelijke organisaties al hebben duidelijk gemaakt in deKennisinvesteringsagenda. Veel geld zelfs: 6 miljard tot 2016. Maarhet laatste dat het nieuwe kabinet moet doen is dat geld zondervoorwaarden overmaken aan de Nederlandse kennisinstellingen. Zoveelgeld in het bestaande systeem pompen leidt tot meer van dezelfdemiddelmaat. Voordat er ook maar één cent wordt overgemaakt dienende spelregels voor de verdeling van het geld op de helling te gaan.Door slimme spelregels te introduceren in de Nederlandsekennisinfrastructuur kan er echt aan vernieuwing gewerkt worden.Het belonen van excellente onderzoekers dient daarbij centraal testaan.

Wat schort er aan de manier waarop in Nederland de financiering vanhet Nederlandse onderzoek georganiseerd is? We lopen zeven puntenna die er allemaal op duiden dat er sprake is van achterstallingonderhoud van de infrastructuur.

Het eerste punt waaruit die verwaarlozing blijkt is de financieringvan het onderzoek aan de universiteiten. Ongeveer tweederde van hetNederlandse onderzoeksgeld wordt door het rijk rechtstreeksovergemaakt aan de universiteiten. Het merendeel van dezezogenaamde eerste geldstroom zijn de Strategische OnderzoeksComponent-gelden, in het Haagse jargon afgekort als SOC. DeNederlandse universiteiten hebben in 1983 afspraken gemaakt met hetministerie van Onderwijs over de verdeling van dat geld over deuniversiteiten. Die verdelingsvoet was gunstig voor oudeuniversiteiten: de TU Delft, de Universiteit van Amsterdam en deUniversiteit Utrecht. Relatieve nieuwkomers zoals Tilburg, Twenteen Maastricht kregen weinig. Er is geen principieel bezwaar tegenzo’n verdelingsvoet, maar wel tegen het feit dat die verdelingsvoetsinds 1983 niet meer is gewijzigd. Er is geen enkele beloning vooruniversiteiten die het beter doen dan andere universiteiten. Eentweede vreemde constructie is de manier waarop die andere eenderdevan het Nederlandse onderzoeksgeld wordt verdeeld, de zogenaamdetweede geldstroom. Dat is de taak van de Nederlandse Organisatievoor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). NWO hanteert eeninternationaal zeer gebruikelijke methode om haar fondsen teverdelen: wetenschappers beoordelen anoniem elkaars aanvragen enselecteren op die manier de beste onderzoeksvoorstellen. Hetprobleem is alleen dat NWO vervolgens maar de helft van hetbenodigde budget beschikbaar stelt. De andere helft van het geldmoet de universiteit bijpassen, het zogenaamde ‘matchen’. Hetgevolg hiervan is dat als een onderzoeker erg succesvol is (en veelNWO-aanvragen gehonoreerd krijgt) een probleem wordt binnen zijneigen organisatie. Veel NWO-geld betekent veel matching, veelmatching betekent dat er weinig geld overblijft voor andereonderzoekers, wat weer tot geklaag en organisatorische stressleidt. Allemaal zaken die remmend werken op de succesvolleonderzoeker. Een derde punt van aandacht is dat NWO niet alleengeld verdeeld maar er ook eigen onderzoeksinstituten op na houdt.NWO is een organisatie waar nette mensen werken, maar toch is hetvanuit algemene governance-spelregels ongezond om zowelscheidsrechter als speler te zijn. Een vierde voorbeeld van vreemdespelregels is de overhead van universiteiten die op onderzoekersdrukt. De meeste universiteiten incasseren standaard een deel vanhet geld dat een onderzoeker weet te verwerven via NWO of anderekanalen. Het kan gaan om meer dan dertig procent. De legitimeringvoor deze ‘overheadclaim’ is dat de onderzoeker immer gebruik maaktvan universitaire faciliteiten. Op zich is er niets mis met zo’nvergoeding, maar wel met het feit dat de onderzoeker niet kankiezen waar hij het onderzoek onder wil brengen. Het is voor deuniversiteit in feite een blanco cheque, waardoor allerleioneigenlijke kosten die volstrekt niet transparant zijn bij deonderzoeker worden neergelegd. Naast het onderzoek aanuniversiteiten vindt er in Nederland ook onderzoek plaats aan eengroot aantal publieke onderzoeksinstellingen. Een paar daarvan zijnbekend, zoals TNO en het RIVM. Maar zoals het rapport-Speelman(‘Vernieuwing van de publieke kennisinfrastructuur van Nederland)heeft laten zien zijn er Nederland ruim honderd publiekeonderzoeksinstellingen met ruim vijftig verschillendeorganisatievormen aan het werk. Deze instellingen hebben deelsoverlappende onderzoeksvelden, een ratjetoe aanfinancieringsregelingen en een hoge mate van versnippering waarniemand in Nederland overzicht over heeft. Dat stelsel is in meerdan honderd jaar zo gegroeid en het is dus wel begrijpelijk dat heteen rommeltje is. Maar dat er is veel meer rendement te halen uitde schaarse onderzoekseuro’s staat vast.

Een vijfde onderhoudspunt is de exploitatie van grootschalige (enkostbare) onderzoeksapparatuur. Zoals zo vaak in de publieke sectorwordt er teveel gedacht vanuit aanschaf en te weinig vanuit deexploitatie. Met als gevolg dat er veel dure apparaten wordengekocht, waarvoor te weinig exploitatiebudget is. Wetenschappersroepen ook standaard dat er meer budget nodig is. Zo schrijvenNijkamp en Chang in een rapport van het Innovatieplatform dat erminstens 125 miljoen extra nodig is voor grootschaligeonderzoeksfaciliteiten (Innovatieplatform, 2005). Wat ze nietschrijven is wat iedere onderzoeker weet: dat Nederland kleingenoeg is om hier een aantal grote efficiencyslagen te maken.Universiteiten en onderzoeksinstellingen kunnen daarbij kiezen: ofvoor eigen rekening verder op de oude voet, of tegen lagere kostende aanschaf en het beheer van faciliteiten uitbesteden en delen metcollega’s. Een zesde punt op de onderhoudslijst is de grotehoeveelheid geld die door de Haagse departementen aan onderzoekbesteed wordt. Er wordt enorm veel kennis geproduceerd voor en doorde departementen. Het merendeel van die kennis blijft ongelezen enongebruikt, simpelweg omdat het teveel is. Het gaat om ten minste800 miljoen, waarvan eigenlijk niemand in Nederland uit kan leggenhoe dat onderzoek vertaald wordt naar nieuw beleid en bijdraagt aande kwaliteit van de uitvoering. Het zevende onderhoudspunt is demanier waarop de kennis van universiteiten en anderekennisinstellingen terecht komt in het bedrijfsleven (zie Grosfelden Nauta, 2004). Dat verloopt moeizaam in Nederland, onder anderedoordat de beloning voor onderzoekers daarvoor te gering is. Het isvoor hen onvoldoende aantrekkelijk om de tijd vrij te maken dienodig is om hun kennis te vertalen in een nieuw product of dienst.Daar komt bij dat de overheidsorganisatie die daarbij een handjezouden moeten helpen, SenterNovem en Syntens, hun werk aanmerkelijkeffectiever kunnen doen.

Deze zeven punten zijn een selectie van de meest urgente zaken, detotale lijst met onderhoudspunten is nog veel langer. Dat het zoverheeft kunnen komen is omdat het ontbreekt aan regulier ‘Bouw enWoon Toezicht’ voor de kennisinfrastructuur. Er vindt in Nederland,in tegenstelling tot het buitenland, geen periodieke evaluatieplaats van de stand van het Nederlandse onderzoekssysteem doorbuitenlandse experts.

Dat het Nederlandse onderzoek nog redelijk functioneert mag gegevende krakkemikkige staat van het kennisbouwwerk een klein wondertjeheten. Ondanks dat het gebouw verouderd is en dringend toe is aaneen opknapbeurt gaan de onderzoekers zo goed en zo kwaad als hetkan door met hun werk. Tegelijkertijd stellen we vast dat deNederlandse universiteiten zich internationaal niet met de topkunnen meten. De oratie van Prof. Hans Clevers (‘Hoemaken we de Nederlandse wetenschap beter?’) is daar glashelder in.Welke benchmark we er ook op naslaan, zelden is er een Nederlandseuniversiteit te vinden in de mondiale top-50. We denken dat er nogveel meer potentie zit in het Nederlandse onderzoek en dat het nietondenkbaar is dat een paar universiteiten er in slagen om door tedringen tot de echte top.

Dat gaat niet zonder een optimaal ingerichte infrastructuur. Er isveel te winnen met een aantal relatief eenvoudige ingrepen, dieoverigens niet pijnloos zijn. Onder het motto ‘zachte heelmeestersmaken stinkende wonden’ doen we daarom zeven suggesties om deinfrastructuur voor onderzoek in Nederland weer bij de tijd tebrengen.

Het eerste voorstel is om de SOC in zijn huidige vorm op te heffen.Er komt een financieringsmethodiek waarin universiteiten beloondworden voor hun onderzoeksprestaties. Er zijn grofweg twee modellenvoor: financiering op basis van de kwaliteit van het voorstel (hetVerenigde Staten- model) en financiering op basis van prestatiesuit het verleden (het Verenigd Koninkrijk-model). Het volgendekabinet kan de Nederlandse universiteiten een half jaar de tijdgeven om een keus te maken uit deze twee modellen. Als deuniversiteiten daar onderling niet uit komen voert het kabinet haareigen voorkeur uit. Het tweede voorstel is om deonderzoeksbudgetten van de departementen te halveren. Op die manierkomt er circa 400 miljoen vrij. Het derde voorstel is om die 400miljoen door te sluizen naar NWO en daarmee het matching-principete beëindigen. Een onderzoeker die erin slaagt om eenonderzoeksvoorstel geaccepteerd te krijgen door NWO krijgt dan 100%van het benodigde bedrag. In het verlengde hiervan worden deNWO-instituten verzelfstandigd of als de onderzoekers daar prijs opstellen onderdeel van een bestaande kennisinstelling. NWO wordtvoor 100% een financieringsorganisatie. Het vierde voorstel is omhet primaat van de NWO-procedure volledig bij de onderzoeker teleggen. De onderzoeker wordt de eigenaar van het onderzoeksbudgeten kan dat budget naar eigen inzicht besteden. De onderzoeker kanook zelf de universiteit kiezen waar hij of zij het onderzoek uitwil voeren en gedurende het onderzoek van universiteit wisselen metbehoud van het budget. Op die manier ontstaat er druk opuniversiteiten om hun kosten omlaag te brengen en het onderzoekerszoveel mogelijk naar het zin te maken. Ook onderzoekers die nietaan een universiteit verbonden zijn moeten kunnen inschrijven op deNWO-procedure. Het vijfde voorstel is om voor het beheer vangrootschalige onderzoeksapparatuur een aparte beheersorganisatie inhet leven te roepen die investeringen en exploitatie van deinfrastructuur verbetert. Het zesde voorstel is om, voortbouwend ophet rapport- Speelman, de publieke onderzoeksinstellingen testroomlijnen, overlap en versnippering te verminderen, definancieringssystematiek te harmoniseren en te belonen op basis vankwaliteit en succesvolle markttoepassing van kennis. Het zevendevoorstel is om de opbrengsten uit onderzoekspatenten vanuniversiteiten en andere kennisinstellingen via een wet te regelen.Het model dat Stanford University daar al sinds de jaren zeventigvoor hanteert is dat eenderde van de opbrengsten voor deuniversiteit is, eenderde voor de faculteit en eenderde voor deonderzoeker. Deze eenvoudige spelregel zorgt ervoor dat de belangenvan de betrokkenen gelijk zijn.

Dat is slim onderhoud aan de kennisinfrastructuur:onderzoeksprestaties meer belonen, historisch begrijpelijke maaronwenselijke governance structuren moderniseren, overmatigeonderzoekskosten van departementen inperken en de vertaling vankennis naar de samenleving belonen. Met elkaar gaan de maatregelenveel ruimte opleveren voor de mensen waar het allemaal om te doenis: de onderzoekers. Ruimte die vrijkomt om te doen wat iedereonderzoeker het liefste doet: de grenzen van kennis verleggen. Datis de beste garantie dat het onderzoek Nederland nog beter wordtdan het al is.

Deze voorstellen zijn een stevige opgave voor een volgende kabinet.Om te voorkomen dat we de kennisinfrastructuur in de toekomst weerzo lang verwaarlozen, is het van belang om die eens in de vijf jaarte evalueren. Dat dient te gebeuren door een panel van buitenlandseexperts die geen enkel persoonlijk belang hebben in de Nederlandsekennisinfrastructuur.

Drs. Frans Nauta is lector Innovatie Hogeschool ArnhemNijmegen

Literatuur

Clevers, H., 2005, Hoe maken we de Nederlandse wetenschap beter?,Universiteit Utrecht.

Grosfeld, T. en F. Nauta, 2004, ‘Kennis in versnelling’, in’Reflectie op het Nederlandse innovatiesysteem; verslagontwerpatelier van internationale experts’, Innovatieplatform, DenHaag.

Innovatieplatform, 2005, Kennisambitie &researchinfrastructuur; Investeren in grootschaligekennisinfrastructuur.

Innovatieplatform, 2006, Kennisinvesteringsagenda 2006- 2016.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK