Vergroting zelfredzaamheid kost tijd

Nieuws | de redactie
13 maart 2007 | Sociaal-juridische dienstverleners hebben tot taak de zelfredzaamheid van mensen te vergroten. Uit onderzoek van Afke Theunissen (InHolland) blijkt dat zij echter nauwelijks tijd hebben in mensen te investeren. Daardoor blijft hun rol vaak beperkt tot die van wetsuitvoerder, en komen zij niet toe aan het vergroten van de participatie van mensen met een complexe problematiek.



Theunissen schrijft in haar onderzoek: “Wil je zelfredzaamheid vergroten van cliënten dan kost dit tijd. Net zoals je in het onderwijs moet investeren in het vergroten van competenties van leerlingen en studenten zul je dit ook moeten doen binnen de sociaal-juridische Dienstverlening. Namelijk investeren in de competenties van de burger om op die manier hun zelfredzaamheid te vergroten. Echter uit dit onderzoek is gebleken dat Sociaal-Juridische dienstverleners werkzaam bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam nauwelijks tijd hebben om te investeren in hun cliënten. Zij proberen de cliënten te benaderen vanuit een samenhangende sociale context maar de SJD-er is niet of nauwelijks in staat om zich te richten zich op de ontwikkeling van mensen door hen bij te staan in het verwerven van kennis en vaardigheden.

Dit zou tot twee conclusies kunnen leiden:

1. De visie en de daarvan afgeleide competenties van de Sociaal-Juridische Dienstverlening zijn achterhaald en dienen aangepast te worden. Binnen het beroep komt dan veel meer de nadruk te liggen op de wetsuitvoering. Een wetsuitvoerder die veel meer staat aan de kant van de organisatie en de wet dan aan de kant van de cliënt. De vraag is of er dan nog sprake is van een functie op HBO-niveau.

2. Meer faciliteiten geven aan de Sociaal-Juridisch Dienstverleners. Het gaat dan met name om het verkleinen van de case-load zodat er substantieel meer tijd beschikbaar is om daadwerkelijk bij te kunnen dragen aan het vergroten van de competenties van burgers en daardoor aan het vergroten van de zelfredzaamheid en het probleemoplossend vermogen van cliënten. Het resultaat hiervan is dat hierdoor de maatschappelijke participatie bevorderd zal worden.

Er zijn diverse argumenten die pleiten voor deze laatste conclusie. Hieronder wordt aangeven waarom.

Doel van de wetgever

Ten eerste het doel van de wetgever. Wat heeft de wetgever voor ogen gehad? Wat is het doel van bepaalde wet- en regelgeving? Het doel van de Wet Werk en bijstand is helder.

“Het doel van de nieuwe bijstandswet is zoveel mogelijk mensen uit de bijstand aan het werk te krijgen. Volgens het kabinet zijn de gemeenten het best in staat om het maatwerk te leveren dat nodig is om mensen weer aan de slag te krijgen. Staatssecretaris Van Hoof (SZW): ‘De tijd is voorbij dat mensen jarenlang een bijstandsuitkering ontvingen zonder te worden “lastig gevallen” door de Sociale Dienst. Werk is de beste manier om deel te nemen aan de samenleving. Dat neemt niet weg dat wie het écht niet lukt om aan de slag te komen, recht heeft op een fatsoenlijke uitkering.”

De doelgroep

Uit de evaluatie van de Wet Werk en Bijstand 2004-2007 blijkt dat sinds de invoering van de WWB het aantal burgers met een WWB-uitkering is gedaald. Deze daling in 2004 en 2005 blijkt volledig voor rekening te komen van de groep die minder dan één jaar in de uitkering zit. Hieruit zou je kunnen concluderen dat dit de cliënten zijn die het minst problematisch zijn. Ze hebben nog relatief recente werkervaring en zijn het makkelijkst bemiddelbaar. Door hun kortere uitkeringsduur hebben zij wellicht minder fatalistische gevoelens en minder bijkomende problemen.

Uit het praktijkonderzoek kwam naar voren dat de geïnterviewde dienstverleners een caseload hebben die voor een groot deel bestaat uit mensen die structureel kampen met materiele en immateriële problemen. Het gaat om cliënten die vaak nog geleerd moet worden hoe ze verantwoordelijkheid moeten dragen voor hun gedrag. In eerste instantie kan dit gezien worden als niet-willen, maar dit is vaak bij nadere analyse toch meer een geval van niet-kunnen. Hiervoor zijn zoals al eerder gezegd zeer competente dienstverleners nodig. Deze dienstverleners hebben discretionaire ruimte nodig. Tijdsdruk (te weinig tijd,
gebrek aan menskracht, ziekte van collega’s) beïnvloedt dit feitelijk handelen van de dienstverleners. Onder constante tijdsdruk moeten werken, heeft invloed op de betrokkenheid van de dienstverleners op hun werk en op hun cliënten. Komt de uitvoering dan vervolgens nog wel overeen met de doelstellingen van het geformuleerde beleid? Met andere woorden; meer tijd geven aan dienstverleners, doet meer recht aan de discretionaire handelingsruimte van dienstverleners waardoor zij meer in staat zij hun beslissing af te stemmen op de individuele omstandigheden van de cliënt. Indien dienstverleners hiertoe meer in staat zijn, biedt dit een betere basis om uiteindelijk het doel van de overheid te kunnen realiseren. Dit vergt een investering, maar doet op langere termijn meer recht aan
de bedoeling van de wetgever en daardoor aan de participatie van burgers.

Lees hier het onderzoek Invloed op meedoen. Betekenis van Sociaal-Juridische Dienstverlening binnen de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam op de maatschappelijke participatie van burgers van Afke Theunissen

Afke Theunissen, Kenniskring Dynamiek van de stad, hogeschool InHolland


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK