Gaan we iets hebben aan Plasterk?

Nieuws | de redactie
3 april 2007 | ‘s Lands bekendste geneticus is nu al een paar weken minister van OCW. Moet Nederland daar blij mee zijn? Misschien wel. Ronald Plasterk zal de komende vier jaar de ruif vullen, waaruit hij als top-onderzoeker gegeten heeft.

Als minister draagt hij echter verantwoordelijkheid voor de totale kenniseconomie, niet slechts voor een groep onderzoekers en zijn beleid zal medebepalend zijn voor het welslagen van de Nederlandse kenniseconomie. Zoals in de regeringsverklaring staat: “De toekomst van Nederland is afhankelijk van kwaliteit, kennis en kunde.”Ook stelt de regering in haar verklaring dat er nu al een tekort is aan goed en hoog opgeleide mensen en mensen die een vak kunnen uitoefenen. Deze tekorten zullen nog veel groter worden, wanneer straks de vergrijzing doorzet. Er zijn grote inspanningen in middelen en gelden nodig om deze tekorten weg te werken en hierbij de Nederlandse kenniseconomie in stand te houden. Nu gaat slechts 5% van het bruto binnenlands product naar onderwijs, en daarbij vormt Nederland, samen met landen als Turkije, Griekenland en Slowakije de achterhoede van de OESO landen. De Verenigde Staten spendeert 1,5 maal zoveel aan onderwijs vergeleken met Nederland.1)

Om dit op te lossen heeft het kabinet Balkenende met de definitieve versie van het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan (HOOP) in 2004 een aantal concrete doelstellingen geformuleerd. In 2010 of 2011 dient de deelname aan het hoger onderwijs gestegen te zijn tot maar liefst 50%. Om te voorzien in de ontwikkeling van de kenniseconomie, heeft het kabinet de ambitie dat in het jaar 2020 ook 50% van de beroepsbevolking hoger opgeleid is.2) Nu is 31% van de Nederlandse beroepsbevolking hoger opgeleid, waarvan 19% met een hbo of wo bachelor en 12% met een wo master.3) Zeer belangrijk voor de kennisinnovatie en – economie in Nederland zijn ook de mensen die zijn opgeleid tot het niveau van doctor. Niet alleen voor onderzoek aan universiteiten, maar ook voor behoud van innovatiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven. Het aantal promoties in Nederland is echter bijzonder laag. Per 1000 van de Nederlandse beroepsbevolking zijn slechts 2,4 gepromoveerd waarvan 0,9 in beta/techniek.4) Dit is zeer slecht voor de kenniseconomie.

Alleen een Europese landen als Spanje en Italie scoren hetzelfde of lager. Ter vergelijk: economisch sterke en kennis intensieve landen als het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Duitsland hebben 2 tot 4 keer zoveel gepromoveerden. In Nederland vindt nu slechts 5% van de gepromoveerde academici een vaste baan in het onderzoek of aan de universiteit. De overige 95% vindt, na één of meerdere post-doc posities, weliswaar uiteindelijk een baan in het bedrijfsleven of onderwijs, maar dan vaak onder zijn/haar opleidingsniveau. Bij een dergelijke kapitaalvernietiging (het opleiden van een academicus kost veel geld) is de Nederlandse economie niet gebaat.

Plasterk is als voormalig toponderzoeker op de hoogte van deze problematiek. Het oplossen hiervan vraagt niet alleen om een kapitaalinjectie, maar ook om een cultuuromslag op de universiteiten en in de samenleving. Handhaving van Nederland aan de top van het (medisch) wetenschappelijk onderzoek kan alleen door te investeren in onderzoek én wetenschappers. Zij moeten niet aan hun lot overgelaten worden wanneer zij niet bij de top-5% behoren. Onderzoekers moeten tijdens hun opleiding, promotie en postdoc banen ook voorbereid worden op een sleutelrol buiten de universiteit, waar 95% van hun uiteindelijk zijn of haar broodwinning zal vinden.

Het is onverstandig om alleen te investeren in een opleiding als topwetenschapper, als dit voor slechts 5% is weggelegd. Bredere scholing van wetenschappers, helpt ook de maatschappij en het bedrijfsleven de meerwaarde van een academische promotie in te zien en te belonen in functie inhoud en salaris. Wij hopen dat de “ex- wetenschapper” Plasterk slaagt om een brug te slaan tussen wetenschap en samenleving. Dan kunnen gepromoveerde academici worden ingezet in passende banen in het bedrijfsleven en in maatschappelijk- bestuurlijke functies. Zodoende kunnen de mensen waarin Nederland flink heeft geïnvesteerd een belangrijke bijdrage leveren aan het verwezenlijken van de doelstelling van het kabinet: een florerende kenniseconomie. Over vier jaar weten we of minister Plasterk daaraan een bijdrage heeft kunnen leveren.

Mathijs Bergman en Diederik van Deursen, bestuurslid Vereniging voor Medisch- Wetenschappelijke Onderzoekers (VMWO)

1 Jaarboek Onderwijs in cijfers 2007, Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen, 2007.

2 Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2004, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Den Haag, augustus 2004.

3 Kerncijfer CBS: onderwijsniveau beroepsbevolking 2005, http://www.cbs.nl

4 Onderzoekstalent op waarde geschat, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Den Haag, 2004, oktober 2005.





Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK