Hypes en rouwcurves

Nieuws | de redactie
27 juni 2007 | Mensen houden van hypes. Zij houden van spiegeltjes en kraaltjes, sprankelende ideeën, gou­den ingevingen en luchtkastelen. Zeker in sectoren waar met hardnekkige problemen gewor­steld wordt, hebben mensen telkens weer de optimistische neiging om in mooie woorden en quick fixes te geloven. Dat verklaart het voortdurend oplaaien en teloorgaan van briljante in­gevingen in de onderwijs- en managementliteratuur. In een bibliotheek waar de boeken op chronologische volgorde staan, zie je de hypes aan je voorbijtrekken als golven op zee: eerst kaizen en total quality management, dan competentiegericht onderwijs en het Nieuwe Leren. Paul Bezembinder, de secretaris van BON, ziet dan ook een analogie.


In de sociologie zijn dergelijke hypes, met name door Abrahamson, nauwkeurig onderzocht. Zij blijken een eigen dynamiek en levensloop te hebben die onafhankelijk is van inhoud en werkveld waarin de hype zich ontwikkelt. Deze levensloop werd recentelijk ook specifiek in de Amerikaanse hoger- onderwijssector door Birnbaum aangetoond. Het is daarom interessant om de Nederlandse onderwijsvernieuwingen van de afgelopen twintig jaar ook eens te ijken aan de levensloop van de klassieke managementhype.

Hypes beginnen alle met een op zichzelf niet onverstandige wens, en met een voorzichtige formulering van een concept om deze wens te realiseren. Het is niet onredelijk om leerlingen in alle sectoren van het onderwijs op hun intrinsieke motivatie aan te spreken, en te wensen dat kennis en vaardigheden aansluiten bij de eisen die het leven stelt. Deze wens wordt in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw gecombineerd met een toenmalig levend verlan­gen naar ontzuiling en autonomie van burgers en resulteert in een aantal prille gedachten over een andere inrichting van het Nederlandse onderwijsbestel. Veel van de woorden waarmee wij nu over onderwijs spreken (portfolio’s, competenties, burgerschap, studentsturing, community of learners,…), zijn sporen van de idealen uit de jaren zestig en zeventig.

De eerste experimenten met de nieuwe concepten zijn een succes. Een kleine groep early adopters weet met de nieuwe werkwijze resultaten te boeken die hoopvol stemmen. Dat is de aanleiding om de theorie en het jargon achter het initiële idee te consolideren. In de beleving van de kopgroep hebben zich wezenlijke veranderingen in de wereld of in het denken vol­trokken, en is het hoog tijd dat wij onze werkwijze aan deze paradigmashifts aanpassen: een nieuwe praxis en een nieuw taalspel zijn vanwege de dramatische gewijzigde omstandigheden een absolute noodzaak. Als je gelooft, in de moderne formulering, dat de generatie Einstein zich nog geen tien minuten kan concentreren, moet je welhaast tot die conclusie komen. Enige ideologische verkettering van ongelovigen is in deze ronkende fase van het debat overigens niet ongebruikelijk.

Op het moment dat een stroom aan juichende artikelen haar hoogtepunt bereikt en de vernieu­wingen breed dreigen te worden ingevoerd, worden de eerste echte resultaten van de nieuwe werkwijze zichtbaar. Dat is steevast een moment van ontgoocheling. De met veel bombarie gepresenteerde oplossingen blijken in de praktijk niet of maar zeer ten dele te werken. In de pers verschijnen berichten over competentiegericht opgeleide mbo’ers die ‘nog steeds’ geen hamer kunnen vasthouden, over universiteiten die studenten moeten bijscholen in het rekenen met breuken en over leerlinggestuurd onderwijs waarin deelnemers hun eigen stuur niet aan­toonbaar hebben weten te vinden. De blingbling van de onderwijsvernieuwing blijkt klater­goud te zijn. In deze fase van verwarring is het verstandig om pas op de plaats te maken, en het is om die reden zonder meer toe te juichen dat de verplichte invoering van het competen­ ­­tiegerichte onderwijs in het mbo recentelijk is uitgesteld.

Als er meer en meer belastend feitenmateriaal boven water komt, volgt een periode van rouw, met alle klassieke stadia van de rouwcurve: ontkenning, woede, berusting, acceptatie. Een roep om waarheidscommissies, parlementaire enquêtes en evidence-based onderwijspraktij­ken is in dit stadium een begrijpelijk maar voorspelbaar geluid. De verschillende partijen in het debat putten elkaar nog onvoldoende uit om te beseffen dat zij op basis van rationaliteit niet tot een vergelijk zullen komen. Het is in mijn beleving het verhitte stadium waarin het debat over het onderwijs in Nederland zich op dit moment voornamelijk bevindt. De vraag dringt zich vervolgens op hoe we verder moeten, hoe het slotakkoord moet klinken.

De vijfde en laatste fase in de levensloop van een klassieke managementhype blijkt dan ge­lukkig een periode van verzoening en harmonie. In deze fase wordt gezocht naar een manier om de gelovigen zonder gezichtsverlies uit het debat te laten ontsnappen, zodat er met her­stelwerk­zaamheden begonnen kan worden. Dat gezichtsverlies wordt voorkomen door de schuldvraag bij externe factoren te leggen – de vernieuwingen konden door externe factoren eenvoudigweg niet lukken. In het onderwijsdebat beginnen deze verhalen nu mondjesmaat te circuleren. “Natuurlijk zijn de onderwijsvernieuwingen mislukt, dat kon ook niet anders, dat komt door het inconsistente overheidsbeleid, door de continue bezuinigingen of doordat uit modern hersenonderzoek nu pas blijkt dat pubers niet kunnen plannen.” Niet iedereen in het debat is echter al ver genoeg door zijn individuele rouwcurve heen om dit soort verhalen aan te kunnen horen.

Misschien moeten we wel, op een hoger niveau, gezamenlijk proberen in te zien dat onder­­wijsdebatten klassieke koningsdrama’s van vaders en zonen zijn, waarin nu toevallig punk- en dancetypes de verworvenheden van de bloemenkinderen aan het herwaarderen zijn. Elke generatie heeft tenslotte recht op zijn eigen spiegeltjes en kraaltjes. Misschien moeten we ook alvast onze rol proberen te relativeren en ons afvragen hoe de generatie Einstein over twintig jaar de herstelwerkzaamheden van de huidige generatie zal waarderen. Die relativering kan ons mogelijk behoeden voor snelle oplossingen. Niet elke ingreep laat zich immers zomaar ongedaan maken. Vraag dat maar aan de studenten die niet met breuken kunnen werken.

Paul Bezembinder,  secretaris van de vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON).

Bronnen:
Abrahamson, Management Fashions, Academy of Management Review 21, 254-285 (1996)
Birnbaum, Management fads in higher education: where they come from, what they do, why they fail, Jossey-Bass, San Francisco (2000)


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK