Wat zou Plasterk willen?

Nieuws | de redactie
20 juli 2007 | Plasterks interview in Vrij Nederland kan op weinig sympathie rekenen van onderwijsjournalist Wilma Cornelisse. "Waar staat Plasterk voor? Waarin gelooft hij? Wat wil hij?" Ik verwachtte dat een vijf pagina's lang interview hieromtrent enige duidelijkheid zou scheppen. Dat doet 't niet, integendeel. Zodra het over onderwijs gaat, passeert het interview moeiteloos de grens tussen journalistiek en pamflettisme".



‘In gelul kan je niet wonen’. Jan Schaefer had gelijk, op vergaderingen bouw je geen huizen en ook lippendienst bezorgt niemand onderdak. Management by speech kan vast in een bedrijf tot verandering leiden, als minister verander je met praten niets. Regeren vraagt andere competenties dan het vermogen scherpe, kritische of mooie uitspraken te doen. Regeren is doen, actie ondernemen, een goed gefundeerd plan maken, dit door de Kamer loodsen en dan systematisch tot uitvoering brengen.

Vooralsnog ligt er voor het onderwijs na meer dan honderd dagen Plasterk geen enkele aanwijzing voor een plan, de richting waarin de nieuwe bewindsman denkt is al even onbekend als de doelen die hij zou willen bereiken. Of wil Plasterk dat ik het weghakken van de leemlaag in het onderwijsmanagement en het herstel van de controle op kwaliteit als eerste aanzetten van zijn nieuwe onderwijsbeleid beschouw? Voor gemeenplaatsen en open deuren koop je weinig, meepraten met mopperende docenten is even vrijblijvend als meedrijven op de negativiteit over onderwijs die de afgelopen paar jaar de media domineert. 

Het interview met ‘zo te zien de populairste minister van het kabinet’ dat Vrij Nederland op 30 juni publiceerde, is een merkwaardig verhaal. Al in de tweede kolom spreekt de geïnterviewde zijn afkeer uit van “de aanhoudende competentiestrijd in de Haagse politiek” om een pagina verderop alle vermeende fouten in het onderwijsbeleid van de afgelopen decennia in de schoenen te schuiven van collega’s met een andere politieke kleur. Niet partijgenoot Jo Ritzen is verantwoordelijk voor de ‘kaalslag in het hoger onderwijs’ maar CDA’er Wim Deetman terwijl VVD’er Loek Hermans ervoor zorgde dat ‘marktwerking en schaalvergroting’ veel schade konden aanrichten in het hbo. Met dit soort bombastische beschuldigingen komt de man, die zich in zijn columns en artikelen als een glashelder en scherpzinnig analist profileerde, nog weg ook.

Thuis kreeg hij met zijn pap naar binnen gelepeld dat hij niet moest denken meer te zijn dan de andere kinderen in zijn klas omdat hij goed leren kon, maar zodra zijn interviewers opmerken dat ‘de PvdA- ideologen met hun goede bedoelingen’ in het onderwijs ‘een hoop kapot hebben gemaakt’ bevestigt de minister dit met de opmerking zijn partijvoorgangers ten onrechte propageerden dat ‘het plakken van een band niet minder was dan kennis van wiskunde’. Dit rijmt al even slecht met de boodschap van zijn ouders dat goed kunnen leren niet betekent dat je meer bent als zijn kritiek op de hoge salarissen van de onderwijsmanagers rijmt met zijn weinig positieve gemompel over ‘nivellering, de middenschool, dat soort dingen.’ 

Waar staat Plasterk voor? Waarin gelooft hij? Wat wil hij? Ik verwachtte dat een vijf pagina’s lang interview hieromtrent enige duidelijkheid zou scheppen. Dat doet ’t niet, integendeel. Zodra het over onderwijs gaat, passeert het interview moeiteloos de grens tussen journalistiek en pamflettisme. De halve meter architectuurboeken die Plasterk aanschafte om zich in zijn eerste kamerdebat over architectuurbeleid geen nitwit te voelen, wordt breeduit meegenomen, terwijl niemand vraagt hoeveel hij over onderwijs- en onderwijsbeleid heeft gelezen om op zijn belangrijkste beleidsterrein in  interviews, tv-optredens en kamerdebatten geen modderfiguur te slaan. Waarom vragen de interviewers niet wát de kleilaag in het onderwijsmanagement verkeerd doet? Waarom accepteren ze een onzinuitspraak als “dertig jaar geleden waren de leraren de baas op school, terwijl ze tegenwoordig door het management als pionnen heen en weer worden geschoven?”

Bij Vrij Nederland waren veel minder dan dertig jaar geleden de redacteuren nog de baas. Voelen zij zich nu ook als pionnen heen en weer geschoven door hun management, dat sans doute meer verdient dan zij? Waarom accepteren zij de kleilaag van bladmanagers, productie- en marketingbegeleiders, die het afgelopen decennium in hun colofon verscheen, als een vanzelfsprekend (tijds)-verschijnsel, terwijl ze een vergelijkbare ontwikkeling in het onderwijs zonder te vragen naar het waarom als overbodig te kijk zetten? 

De VN-redacteuren die Plasterk interviewen, gaan er – met de meeste journalisten en commentatoren die zich op onderwijsterrein begeven – vanuit dat onderwijs een onderwerp is waarbij kennis van zaken niet telt. Het onderwijs is ondermaats, niet omdat er feiten en onderzoeksresultaten bestaan die dit bewijzen, maar gewoon, omdat ‘iedereen’ het zegt. De controle op de kwaliteit van het onderwijs deugt niet en “dat ga ik herstellen,” zegt Plasterk alsof de inspectie jaar in jaar uit het Onderwijsverslag uit zijn duim zuigt. “We gaan met de scholen weer duidelijk afspreken wat kinderen moeten leren,” zegt Plasterk, alsof er geen kerndoelen en examenprogramma’s bestaan.

Tegelijkertijd etaleert de onderwijsminister met deze uitspraak een volgende tegenstrijdigheid in zijn betoog. De schooldirecteur mag de docenten niet aansturen, want dan voelen ze zich de stukken die over het schaakbord worden geschoven. Maar hoe wil Plasterk diezelfde docenten -zonder ze tot pionnen te degraderen- afspraken laten uitvoeren over wat kinderen moeten leren ? Met een overheidsdictaat over de onderwijsinhoud krijgt de leraar zijn zeggenschap niet terug, ook niet als die leraar samen met minister Plasterk mag beslissen wat de regels inhouden. Uiteindelijk zal die afspraak ook het parlement moeten passeren en zodra de onderwijsinhoud in de Kamer ter sprake komt, blijken onderwijsprogramma’s over het boeiende talent te beschikken oeverloos uit te dijen. Kijk naar de Kamerdebatten over de basisvorming en de Tweede Fase havo/vwo. De Kamer bleek gevoelig voor de meest uiteenlopende lobby’s, van feministen die wilden dat jongens het vak Verzorging leerden tot de universiteiten die ervoor zorgden dat de nieuwe Tweede Fase overvol werd gepropt omdat ze geen jota aan hun eerstejaarsprogramma’s wilden veranderen.

Niet alleen onderwijs is een vak, politiek ook. Een minister die meent dat “ook in individuele gevallen” het kabinet “het laatste woord moet hebben” over de salarissen van managers in de (semi-)publieke sector en die persoonlijk wenst te sanctioneren of onderwijsinstellingen mogen fuseren, meet zichzelf macht aan over verkeerde zaken. Niet de minister hoort mee te beslissen over de voorgenomen fusies van scholen, maar de leraren. Niet het kabinet dient de honoraria van de publieke managers goed te keuren, maar de OR of de medezeggenschapsraad.

De minister lijkt in de voetsporen van de door hem verfoeide partij-ideologen te willen treden, die allemaal – Van Kemenade voorop – met overheidsvoorschriften probeerden het onderwijs hun kant op te dwingen. Maar de sociaal-democratische onderwijsministers die de leraren een inhoudelijk dictaat wilden opleggen, bereikten net zo weinig als hun politiek andersgezinde collega’s die hetzelfde probeerden.

De basisvorming heeft het onderwijs net zo min naar de bliksem geholpen als de middenschool. Van Kemenade’s middenschool bracht het niet verder dan een achttal experimenten die allemaal een zachte dood stierven. De basisvorming bestaat vooral op papier. Beleidsarm, zo omschrijft het gros van de schoolmanagers de invoering van de kerndoelen en de vijftien vakken die allemaal een jaar lang op het rooster moesten. Niet omdat de ontwerpers van de basisvorming of de toenmalige minister dit zo wilden, de Kamer schreef dit voor. De oorspronkelijke wet maakte vakkenintegratie mogelijk en liet door geen lessentabel voor te schrijven, zelfs de mogelijkheid open het vak Verzorging in één projectweek af te handelen. 

Het wijd verbreid misverstand dat de basisvorming en het vmbo hun voorlopers ambachtsschool en huishoudschool vertheoretiseerd hebben, bestaat bij de gratie van gebrek aan kennis van wat het lager beroepsonderwijs ooit was. In 1972 kwam ik naar Amsterdam om te studeren, voor mijn levensonderhoud nam ik een deeltijdbaan aan een huishoudschool in Oud- West. Klas 1c had ik veertien (14!) uur per week; met mijn hoofdacte was ik bevoegd voor alle algemeen vormende vakken behalve Engels, tekenen, handenarbeid en gymnastiek.

Naast de 14 uur algemeen onderwijs van mij (Nederlands, rekenen, geschiedenis, aardrijkskunde en studieles) kregen mijn eersteklassers die Engels, biologie, handvaardigheid en gymnastiek van collega’s. In de tweede klas kwam daar natuur- en scheikunde bij, in het derde jaar maatschappijleer. Circa tweederde van het huishoudschoolprogramma bestond in 1972 uit algemeen vormende vakken waarin de leerlingen ook examen deden. Voor mijn verhuizing naar Amsterdam zat ik namens de huishoudschool, waar ik toen werkte, in de commissie die het examenprogramma aardrijkskunde voor het destijds net tot vier jaar verlengde lbo opstelde.

Dat klas 1c net als alle andere huishoudschoolklassen zoveel uur taal en rekenen kreeg, was noodzakelijk. Het lager onderwijs was slecht, in elk geval voor wie later naar ambachts- of huishoudschool ging. Van mijn eersteklassers had niemand het metriek stelsel of de breuken geleerd, en – erger nog – ook de punt en de hoofdletter kenden ze niet. Ze schreven alles achter elkaar waardoor hun teksten voor iedere lezer ontoegankelijk waren.

Koken, wassen, strijken en naaien vulden eenderde van het onderwijsprogramma. De keuze voor meer beroepsgericht huishoudonderwijs dateert uit de jaren tachtig en betekende allerminst, dat de hoeveelheid algemeen vormend onderwijs omlaag ging. De ontwikkeling van de ambachtsschool is vergelijkbaar en even voor de hand liggend, want om een hamer te leren vasthouden heb je niet vier jaar lang een volledige schoolweek nodig. Zelfs lassen kan je in een paar dagen leren. En vier jaar lang dag in dag uit voor loodgieter leren is ook overbodig.

Plasterk en zijn interviewers verwijten de PvdA uit de jaren zeventig het onderwijs te willen misbruiken als ‘instrument voor maatschappijhervorming’. Een raar en ook misplaatst verwijt. Onderwijs draagt als het goed is continu bij aan de hervorming van de maatschappij. Mijn zussen en ik zijn niet de enige die – met veel dank aan de politici die het mogelijk maakten – als eerste generatie de alma mater bereikten. Weliswaar niet meteen na de hbs, maar dat kwam vaker voor in gezinnen die behalve de dokter en de dominee geen academicus kenden.

De Mammoetwet had als voornaamste doel meer mensen van goed en vooral algemeen voortgezet onderwijs te voorzien; opstromen en doorstromen, van mavo naar havo naar vwo dat minder examenvakken kreeg en met een jaar verlengd werd om meer diploma’s mogelijk te maken. De brede emanciperende basis voor iedereen was in de vorm van het mavo een ongeëvenaard succes, waarop toen de arbeidsmarkt voor schoolverlaters eind jaren zeventig inzakte soepel en succesvol het mbo groeide: beroepsonderwijs dat aansloot bij de behoefte van de arbeidsmarkt.  

Niet de basisvorming of het vmbo hielp de mavo om zeep maar de politiek die in de jaren tachtig besloot de groei van het mavo in te dammen. De hbs werd in de Mammoetwet met een jaar verlengd omdat slechts twintig procent van de leerlingen de opleiding in vijf jaar haalden. Een vergelijkbare ontwikkeling in het mavo inspireerde de politiek tot beperking van de verblijfsduur (tot maximaal 5 jaar) en het toevoegen van een lager examenniveau. ‘Echt mavo’ werd het D-niveau, daarnaast kwam het lagere C- niveau. Algemeen vormend onderwijs op het lbo konden de leerlingen voortaan afsluiten op A-, B-, C- of D-niveau. Gevolg was dat niemand nog wist wat een mavo- of lbo-diploma waard was.

Deze voortreffelijke manier om goed onderwijs naar de bliksem te helpen, kwam niet van de PvdA. De maatschappijvisie achter de verblijfsduurbeperking en de introductie van de lagere examenniveaus hebben de christendemocraten nooit geëxpliciteerd. Geldgebrek was doorslaggevend. Een akelig groot deel van Deetmans budget ging namelijk op aan wachtgelden voor de leraren die ooit goed verdienden maar doordat er minder kinderen waren, overbodig werden en zelden andere banen vonden. Het is nog steeds zo dat je in havo en vwo vaker mag blijven zitten dan in het vmbo, inclusief mavo.

De poging om de mavo met de introductie van het vmbo volledig te elimineren is maar half geslaagd; de Kamer ging niet akkoord en breidde de wet uit met de onmogelijke passage dat de mavo in naam mocht voortbestaan. Schoolbesturen mogen zelfs nieuwe mavo’s stichten al leiden die wel op voor het vmbo-t (theoretische leerweg) examen want een mavo-examen is er niet meer. Het is zoals Plasterk zegt. ‘Het eerste kabinet Den Uyl was een poging het land op een heel andere manier te besturen.’ De poging bleef grotendeels steken in government by speech, vrij vertaald: regeren door preken.

De geschiedenis boekstaafde de ideologische bevlogenheid die de PvdA in de jaren zeventig van de vorige eeuw op alle beleidsterreinen losliet, met als oneerlijk gevolg dat de PvdA nu nog moet boeten voor de nivellering van het onderwijs die ze nooit tot stand heeft gebracht. Veel geschreeuw en weinig wol, wat Jan Schaefer inspireerde tot zijn tot op heden veelgeciteerde uitspraak: ‘In gelul kan je niet wonen’. Management bij speech zal de positie van leraren niet verbeteren en geweeklaag over managers verandert al net zo min iets. Ik ben zo vrij te veronderstellen dat dit voor Ronald Plasterk geen nieuws is.

Wilma Cornelisse
Freelance onderwijsjournalist & hoofdredacteur Kluwers Nieuwsbrief Voortgezet Onderwijs


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK