Salarisverhoging: vergeet ’t maar

Nieuws | de redactie
27 september 2007 | "Het kennistekort waarmee eerstejaars aan hbo en wo beginnen, vult de kranten. Terwijl niemand zich afvraagt of bij de overstap van vmbo naar mbo niet een vergelijkbare ontwikkeling zichtbaar is," aldus Wilma Cornelisse. In de OESO-review van het HO verbazen de reviewers zich over de ordening van ons onderwijs: Nederlanders denken in hoog en laag, de universiteit staat in die hiërarchie een tree hoger dan het hbo en vmbo, havo en vwo verhouden zich als laag, hoger, hoogst. "De focus op havo en vwo van onderwijsadviseurs en media, vloeit hieruit voort. De rest is in de ogen van velen onbelangrijk, minderwaardig en vooral slecht."

De Commissie  Rinnooy Kan heeft het onderwijs voor de toekomst veel te bieden, maar salarisverhoging zit er voor het gros van de leraren nu niet in. Hun pabo en tweedegraads lerarenopleiding zijn bachelor- niveau en salarisverhoging ligt voor hen pas klaar als zij een masters halen. De academici en gepromoveerden onder de docenten kunnen -als Rinnooy Kan’s nieuwe salarisgebouw ingevoerd wordt- wel op een aantrekkelijke loonsverhoging rekenen. Een educatieve master is voor deze groep geen voorwaarde, hun opleiding op mastersniveau -hoe verouderd of gebrekkig ook- volstaat.

‘Kwaliteit van het leraarschap begint bij een goede opleiding tot leraar. Dat vergt van lerarenopleidingen meer nadruk op kennis en dan vooral vakdidactische kennis (en daaraan gerelateerde vaardigheden),’ schrijft de commissie. Een helder uitgangspunt dat wat mij betreft gekoppeld kan worden aan de veronderstelling, dat alle tweedegraders in het voortgezet onderwijs het best op hun werk zijn voorbereid. Desondanks diskwalificeert de commissie hun opleiding. Hun bachelor is te weinig en vooral te laag. Aangezien die opleiding jarenlang de enige toegangspoort tot het tweedegraads leraarschap was, is dit een misplaatste mededeling die veel leraren als een klap in hun gezicht zullen ervaren.

Tweederde van de leraren in het voortgezet onderwijs is tweedegrader. En zij zullen inmiddels wel weten dat zij een bedreiging voor het onderwijs vormen. Downgrading heet hun vergrijp en zij kunnen hier niets aan doen, dit verschijnsel wordt veroorzaakt door het afnemende aantal academici in die onderwijssector. Driekwart van het VO is officieel tweedegraads gebied: het volledige vmbo plus de onderbouw van havo en vwo. De bovenbouw van havo en vwo, het kwart dat het exclusieve terrein van de eerstegrader vormt, is met 27 procent academisch opgeleide leraren (TNS NIPO 2006) nog net voldoende voorzien.

Salaris koppelen aan opleidingsniveau is voor het voortgezet onderwijs waar academici en hbo’ers naast elkaar werken een wrang uitgangpunt. ‘Alle leraren een educatieve master’ is een lovenswaardig streven, mits het inderdaad voor iedereen geldt. De academicus die straks voor het onderwijs kiest, zal eerst die master moeten halen. De academicus die al in het vo werkt, krijgt die opdracht niet. In tegenstelling tot zijn hbo-opleide collega’s.

Gezien het beroerde beeld dat de commissie schetst van de huidige lerarenopleidingen – academisch en hbo –  zijn alle vo-docenten slecht opgeleid, al valt op die veronderstelling veel af te dingen. Dat de oudere academici die nu in het vo voor de klas staan, beter zijn opgeleid dan hun even oude vakbroeders met hbo- opleidingen, is even betwistbaar. Zij zijn hoger opgeleid, dat is iets anders. Hoger betekent niet a priori beter voorbereid op het onderwijs. In het voorstel van Rinnooy Kan is beloningsverschil tussen een hbo- en een wo-master gelukkig beperkt. Heel mooi en heel goed, maar het kan niet zo zijn dat om die toekomst te bereiken de academici van vandaag een aantrekkelijke salarisverhoging krijgen, terwijl de hbo’er die zijn neus voorbij ziet gaan.

De commissie neemt zowel functioneren, als opleidingsniveau als uitgangspunt en die dubbele basis is voor de toekomst van harte aan te bevelen. Voor de huidige docenten dient hun functioneren in de school, beoordeeld en wel, de basis voor salarisverhoging te vormen. Dat is al nieuw genoeg. Geen periodiek zonder beoordelingsgesprek, geen periodiek zonder aan je bijscholingsverplichting te hebben voldaan, is voor zowel de leraren als de managers die dit moeten in- en uitvoeren, een angstwekkend vooruitzicht. Leraren wensen niet beoordeeld te worden, verantwoording afleggen over wat ze in hun klas doen, willen ze net zo min. Persoonlijke ontwikkelingsplannen, supervisie, coaching en begeleiding, het past niet in ’s leraars opvattingen over zijn autonome functioneren. Het vo werkt eraan deze hobbel te nemen en dat gaat zo ontstellend traag, dat de Commissie Rinnooy Kan het nodig vond alle aanbevelingen van de Commissie Van Es (1993) over het omvormen van de school tot een professionele arbeidsorganisatie met een volwassen personeelsbeleid opnieuw van stal te halen.

Veel onderzoek naar wat leraren denken en doen is er niet. SBL (Stichting Beroepskwaliteit Leren) publiceerde eind vorig jaar ‘Waar wij staan; de onderwijsagenda van de beroepsgroep’. Dit webonderzoek is niet representatief, wel duidelijk is dat de overgrote meerderheid van de vo-leraren die meededen academici zijn, die elk ingrijpen van hun schoolleider afwijzen. Zij beschouwen de schoolleider als het grootste knelpunt voor hun dagelijks functioneren en willen zich niet verantwoorden over wat zij doen en niet aanpassen aan de onderwijskundige koers van de school, want die deugt niet. Het gaat niet aan om op grond van deze weinig representatieve onderzoeksresultaten de eerstegraads leraren te classificeren als de groep die het minst van innovatie wil weten. Maar de huidige ontwikkelingen in het vo laten onmiskenbaar zien, dat het vmbo koploper innovatie is en veel vmbo-leraren betrokken en doelgericht aan vernieuwing en verbetering werken en dat is een bescheiden bevestiging van die veronderstelling.

De weerstand tegen de basisvorming was in havo en vwo het grootst. De vernieuwing van de tweede fase havo/vwo botste keihard op diezelfde afwijzing. Deze negatieve opstelling wordt door Rinnooy Kan beloond met een salarisverhoging zonder voorwaarden. Dit is niet de bedoeling van de Commissie. Zij wil het volledige vo voorzien van onderwijskundig en didactisch goed opgeleide docenten en bepleit de snelle start van educatieve masters gericht op innoveren. Desondanks leidt de keuze opleidingsniveaus te belonen, op dit moment, tot het weinig toepasselijke resultaat dat behoudzucht loont.

Hier wreekt zich de focus op havo en vwo waaraan veel onderwijsadviseurs leiden. De Onderwijsraad bepleitte onlangs havo en vwo’ers pas een diploma te geven als ze een voldoende voor Nederlands, Engels en wiskunde hebben. Voor vmbo’ers maakt dit kennelijk niet uit, die kunnen evengoed ongeletterd de wereld in. Ook de vrees voor downgrading van het lerarencorps raakt uitsluitend havo en vwo. Het kennistekort waarmee de eerstejaars aan hbo en wo beginnen, vult de kranten terwijl niemand zich afvraagt of bij de overstap van vmbo naar mbo niet een vergelijkbare ontwikkeling zichtbaar is.

In de onlangs gepubliceerde OESO-review van het hoger onderwijs in Nederland verbazen de reviewers zich over de hiërarchische ordening van ons onderwijs. Wij denken in hoog en laag, de universiteit staat in onze hiërarchie een tree hoger dan het hbo en vmbo, havo en vwo verhouden zich als laag, hoger, hoogst. De focus op havo en vwo van onderwijsadviseurs en van de media, vloeit hieruit voort. De rest is in de ogen van velen onbelangrijk, minderwaardig en vooral slecht. Ik denk dat ik er weinig naast zit als ik stel dat de kwaliteitskranten de afgelopen vijf jaar geen enkel positief verhaal over vmbo (en mbo) hebben afgedrukt.

De kwaliteit van dit onderwijs kan volgens de OESO-reviewers de toets der internationale kritiek wel glansrijk doorstaan: ‘By international standards Dutch students are very well prepared for higher education. The nation is in the top group for mean levels of proficiency in the OECD PISA tests of mathematics and literacy among 15 year olds. Overall performance is so high that even lower achieving school students in the Netherlands do quite well compared to students from other nations.’ Desondanks stroomt alleen ‘a highly selected and culturally homogenous group’ door naar hoger onderwijs. ‘Many potential degree students below the top group are weeded out at earlier stages.’

De commissie Rinnooy Kan had dit tenminste mee moeten nemen toen ze haar salarisgebouw in de steigers zette. Het zijn de tweedegraders en de pabo-bachelors in het basisonderwijs die de 15-jarigen tot deze prestaties brengen. Straks allemaal een educatieve master, prima. Maar op de korte termijn kan het niet zo zijn dat de eerstegraders meer gaan verdienen, terwijl de tweedegraders het met hetzelfde salaris moeten doen. De aanbeveling de huidige tweedegraders die in nu al op mastersniveau betaald krijgen hun maximum niet af te nemen, is voor de grote groep tweedegraads vo-docenten irrelevant. De tweedegraders die meer dan de LB-schaal verdienen, werken in grotendeels het mbo, naast academisch geschoolden die Nederlands en Engels (ecnomie en recht enz.) geven. De snelle ontwikkelingen in het bedrijfsleven verplichten de tweedegraads leraar die een beroepsvak geeft dit continu bij te houden, maar straks krijgen hun academisch opgeleide collega’s meer betaald, of ze hun vak hebben bijgehouden of niet.

Wilma Cornelisse
Hoofdredacteur Kluwer’s Nieuwsbrief Onderwijspraktijk




Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK