Van Wieringen: ‘Beloon onderwijskwaliteit in bekostiging’

Nieuws | de redactie
3 september 2007 | De kwaliteit van het hoger onderwijs verdient dat deze op een hoger niveau gewaarborgd wordt dan “een bestandsopname als een soort APK- controle van de basale gegevens”. Fons van Wieringen vraagt bij de opening van het academisch jaar in gesprek met ScienceGuide om een grondiger beschouwing, ook in het beleid van het kabinet.
De voorzitter van de Onderwijsraad komt met aanbevelingen om de kwaliteit een concretere parameter te maken in het beleid. “De minister heeft daarvoor niet zoveel instrumenten, dus is het erg belangrijk dat wat hij wel heeft – zoals de bekostiging van het HO in het bijzonder – ook doeltreffend benut wordt.

Onder Ritzen is bijvoorbeeld de diplomabekostiging erin gebracht. Maar het is nooit empirisch geëvalueerd of die de gestelde beleidsdoelen wel heeft bereikt, dat is wel een manco.” De Onderwijsraad stelt voor om op twee concrete punten van hoger onderwijs een kwalitatieve parameter in de bekostiging te introduceren: de kwaliteit van de docenten van een opleiding en die van de afstudeerprojecten/studies van de studenten. Instellingen zouden voor deze twee facetten bij hun accreditatie kunnen verzoeken om een toetsing ten behoeve van een extra ‘aantekening’ van opvallend goede kwaliteit. “Daarvoor is geen hele procedure nodig, dit kunnen de VBI’s meenemen binnen hun bestaande taak en aanpak. Zo verwerk je dit meteen ook binnen de gangbare NVAO-procedure”.

Zes stapjes van vijfentwintig miljoen

Van Wieringen schat in dat zo’n 15-20% van de opleidingen zo’n bijzonder kwaliteitskeurmerk op een van die twee facetten zou kunnen verwerven. Door dit aan de bekostiging te koppelen is een concrete impuls – en een signaal van waardering – mogelijk. “Dat kan ingrijpend zijn juist omdat het eenvoudig en uitvoerbaar in elkaar zit. Het voorstel houdt namelijk in dat wie zo uitblinkt er specifiek geld bij krijgt gedurende de zes jaar van de daaropvolgende accreditatieperiode. De raad denkt daarbij aan 5% of 150 miljoen euro extra op het macrobudget. Dan heeft dit niet het karakter van een sigaar uit eigen doos, daar zou ik niet voor zijn.

De minister hoeft niet direct wakker te liggen van de financiële consequenties: het betreft immers 6 additionele stapjes van 25 miljoen euro voor heel directe kwaliteitsimpulsen. Maar voor de uitblinkende opleiding die zo’n keurmerk op deze twee punten verwerft, kan dat extra een aardig bedrag inhouden: bij 5% additioneel macro levert dat voor die uitgekozenen 25% extra bekostiging op. Dat bouwt in een instelling dan in enkele jaren wel een flinke impuls op, zonder veel regelgevingsperikelen”.

Verbetering concreet waarderen

Bij de bepaling van wat op zulke punten goede kwaliteit inhoudt, ziet Van Wieringen ruimte voor een meer sophisticated benadering. “Er is behoefte aan een kwaliteitsoordeel dat niet alleen een bestandsopname is, een APK-keuring van de basale gegevens van een opleiding. Dat past bij dit voorstel. Men zou namelijk ook de ontwikkeling en verbeteringen van de opleiding op die parameters bij de beoordeling van zo’n bijzondere aantekening in ogenschouw kunnen nemen. Een voorbeeld:
een PABO die in eerdere visitaties er zwak uit kwam, maar intussen fors verbeterd is, zou je bij de toekenning ook om die reden kunnen laten meewegen. Want zo gaat er wel een impuls vanuit naar zowel de direct betrokken opleiding als naar anderen. Het levert een opleiding die aantoonbaar werk is gaan maken van de verbeteringsslag, ook echt iets op”.

Voor het wetenschappelijk onderwijs biedt deze benadering volgens de onderwijsraad een extra pluspunt: het bewust belonen van onderwijsexpertise. “Het geeft tevens een evenwicht in de beoordeling van extra middelen op basis van kwaliteit bij universiteiten. Want dit biedt een extra aan waardering en financiële ruimte voor het onderwijsaspect in een universiteit. Voor het onderzoek bestaan er al allerlei vormen daarvan, maar juist de soms wat ondergewaardeerde onderwijskant zou hiermee versterking krijgen”.

Inhoudsrijker diploma

Van Wieringen stelt wel vast dat ministerie noch HO-veld tot nu toe niet veel zien in een intensiever beleid om waarde van examens en diploma’s van het HO beter te verankeren. De organisatie en mensen die het onderwijs geven en de beoordeling via examinering “zouden iets meer afstand tot elkaar mogen hebben. Je moet niet je eigen beoordelaar willen zijn. Het is veelzeggend dat men dit in het voortgezet onderwijs wel ziet: het schoolexamen en centraal examen verschillen in benadering en het compromis daarover geeft dat besef weer. Ook voor het afstuderen in het hoger onderwijs zou het een vast gegeven moeten zijn dat een ‘tweede beoordelaar’, een expert en externe examinator als noodzakelijk wordt gezien”.

Om de waarde van examens te versterken, heeft de Onderwijsraad verschillende ideeën op tafel gelegd. Van een open, onafhankelijke exameninstelling voor het hoger onderwijs tot een inhoudsrijker opzet van de diploma’s waarmee studenten hbo en wo mee binnen komen. “Zo’n open instituut maakt mogelijk dan men een HO-examen kan doen zonder bij een specifieke opleiding ingeschreven te staan. Nu kan dit niet, terwijl dit met het staatsexamen in het voortgezet onderwijs wel mogelijk is. Deze opzet is bovendien zinvol omdat daarmee door het hoger onderwijs zelf een norm geformuleerd wordt voor het niveau van diploma’s. Dat is ook voor de opleidingen zelf een nuttige benchmark. “Immers, als een opleiding de eigen examinering als minder goed aan die norm zou zien beantwoorden, weet men beslist dat er aan de eigen kwaliteit iets gedaan moet worden, zo geeft Van Wieringen aan. Hij vindt het daarom spijtig dat het ministerie van OCW op deze gedachte “niet erg in lijkt te willen gaan”.

Examenbeleid belangrijker dan onderwijsbeleid

Dat geldt ook voor de aanbeveling om de diploma’s van mbo, havo en vwo te verrijken via een diplomasupplement. “Het is voor een ontvangende opleiding heel goed te weten wat de nieuwe student meer heeft dan alleen het papiertje en een cijferlijst. Deed hij extra vakken? Welke? Deed zij mee aan een wiskundeolympiade? Zat deze in een speciaal cultuurprogramma? Heeft zij de TOEFL-test gedaan? Daartoe suggereren wij een vast format van het diplomasupplement. OCW heeft daar geen behoefte aan. Maar bij de opleidingen die het wil informeren, leeft zo’n behoefte wel en ondersteunt dit de mogelijkheden om in te spelen op de kwaliteit van studenten”.

Dit brengt de voorzitter van de Onderwijsraad tot een pregnante gedachte: “Ik denk dat voor een minister van OCW het voeren van een examenbeleid misschien wel belangrijker is dan vaneen onderwijsbeleid. De kern van een examenbeleid is immers het waarborgen van de toegankelijkheid, kwaliteitsnormen en het civiel effect van het hoger onderwijs. Daarin zijn grote publieke, maatschappelijke waarden in het geding. Het bedenken en voeren van ‘onderwijsbeleid’, dus ideeën en activiteiten over de inhoud van opleidingen, doen primair de instellingen zelf. De minister geeft met bekostiging en met voorwaarden als het examenbeleid daar een basis voor, maar het onderwijsbeleid als zodanig is misschien niet zo’n belangrijk aspect van zijn beleidsverantwoordelijkheid in het hoger onderwijs.”