Zesjes een mythe?

Nieuws | de redactie
18 oktober 2007 | Is het waar dat er veel, te veel zesjes worden gehaald in het HO? Aan de RU is men dat maar eens feitelijk gaan narekenen. De uitkomsten zijn verrassend: “Over de hele linie haalt men nu duidelijk minder zesjes dan twintig jaar geleden. Over de afgelopen jaren alles opgeteld ligt het aantal zesjes op 35,9%. Is dat veel? Puur wiskundig bezien niet. Bij een normaalverdeling van tentamenuitslagen zullen er veel zesjes zijn." Docent en Vox-medewerker Ron Welters geeft van de discussie en werkelijkheid van de zesjes en hun cultuur een eigen interpretatie. Het percentage zesjes is dan wel afgenomen, betoogt hij, desondanks heerst er een onbestemd onbehagen onder docenten.


Drie nummers terug stortten in Vox twee studenten en twee hoogleraren hun hart uit over labbekakkerige, passieve en soms ook nog eens ongeletterde studenten die ‘naar school gaan’ en tevreden zijn met krappe voldoendes. In de volgende editie stelde de scheidende hoogleraar Bestuurlijke Informatiekunde Bart Prakken onder de kop Pleidooi voor beter onderwijs de zich verstoppende leraar aan de kaak. De portee: als docenten zich er met een Jantje van Leiden afmaken, zullen studenten dat ook blijven doen. Het simpele ophogen van het aantal contacturen, de inzet van de RU-‘onderwijsintensivering’, volstaat niet. Liever een minder groot aantal uren met goede mogelijkheden tot interactie, dan extra uren die als hoorcollege worden afgeraffeld. Kwaliteit boven kwantiteit. Als docent moet je studenten uitdagen, tijd in ze investeren en niet na je kunstje meteen terughollen naar je werkkamer, vindt Prakken.

Onderwijsmensen reageerden op Prakkens hartekreet. Hoogleraar filosofie van de gedragswetenschappen Jan Bransen verwoordt de ultieme frustratie van de docent die zich geconfronteerd ziet met de starende, mummelende en kauwende kudde. “De kritiek op de zesjescultuur steekt me echter ook een hart onder riem. Soms droom ik er namelijk van heel streng aan de poort te mogen selecteren, en iedereen de toegang te weigeren die niet net zo fanatiek als ik wil nadenken over het wetenschappelijk métier.” Bransen valt Prakken dan ook bij: “De meester/gezelrelatie is ideaal voor het academisch onderwijs, en precies om die reden die Prakken geeft. Want hoe reflectief mijn vakgebied ook is, de redenen waarom ik doe wat ik doe en wil dat mijn studenten leren wat ze leren, onttrekken zich maar al te vaak aan de waarneming.”

Doodslaan
Om de versleten frase uit het gedicht Het huwelijk van de Antwerpse schrijver Willem Elsschot, die in het dagelijks leven als Alfons de Ridder aan de kost kwam als uitbater van een reclamebureau, aan te halen:
“Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren”.
Want dit is de masochistische spagaat waarin menig universitair docent verkeert: hij zou wel willen dat er een intenser contact tussen meester en gezel mogelijk is, maar de werkelijkheid is nu eenmaal zo dat onverlaten met een vwo-diploma zonder ballotage binnen kunnen komen bij het gros der universitaire studies.

Op deze gedachte valt wel wat af te dingen. Immers, menig docent bestrijkt een vakgebied dat niet wordt platgewalst door de hordes. Klaas Landsman en Eric Moormann, de twee hoogleraren die in het eerste deel van dit vierluik over de zesjescultuur aan het woord komen, hebben als respectievelijk wiskundige en klassiek archeoloog te maken met kleinere cohorten. Toch klagen ook zij over een gebrek aan academische houding en geringe geletterdheid. Dan zal er toch wel iets aan de hand zijn.

Hoe buig je die desinteresse en dat gebrek aan schrijfvaardigheid en algemene kennis om? Om met het laatste te beginnen, verwijs ik graag naar het Honours Programma, dat al ruimschoots werd bediend in de eerste aflevering van deze reeks. Dat is speciaal bedoeld om studenten over de muurtjes van het eigen vakgebied heen te laten kijken. En daarin treden bezielde docenten van het formaat Landsman en Moormann op.

Dan die zo vaak gewraakte ondermaatse schrijfvaardigheid. Omdat veel docenten daar eenvoudigweg niet aan toekomen, heeft de RU het Academisch Schrijfcentrum in het leven geroepen. Daar zijn tutoren aanwezig, die studenten vooral helpen met het aanbrengen van structuur en correct en helder formuleren.

Blijft over de kwestie van de desinteresse, wellicht de eigenlijke oorzaak van de zesjescultuur en het gebrek aan academische houding. Filosoof Machiel Karskens tekent in de vorige Vox wijze woorden op. “De zesjescultuur is volgens mij echt het gevolg van de (foute) politieke eis, die sinds 1982 (de Tweefasenstructuur) wet is geworden, dat iedereen met vwo-niveau het recht moet hebben op vier jaar academische studie inclusief diploma en studiefinanciering. Sinds dat moment worden studenten niet meer beoordeeld op hun hoge of lage cijfers, maar op hun hoeveelheid behaalde studiepunten, en dáár gaan ze dus voor, niet voor de hoge punten.”

Ik herinner me Karskens’ hoorcolleges moderne wijsbegeerte uit 1981, één jaar voor de invoering van die tweefasenstructuur dus, als inspirerend. Het kán dus wel. Maar nog dierbaarder zijn mij de colleges van een paar jaar later van Paul- Laurent Assoun, de man die toen de leerstoel bezette die Karskens nu bezet: sociale en politieke wijsbegeerte. Deze post-marxistische Fransman bestond het om vier uur lang, ternauwernood door een koffiepauze onderbroken, wijsgerige vergezichten te schetsen van de illustere verlichtingsdenker Kant tot en met de obscure doemdenker Bataille – en al het moois dat daartussen zit. Volgens de onderwijskundigen die ons nu – al dan niet gevraagd – van advies dienen, had dit vast niet moeten mogen, maar ik heb er van genoten. Ook al snapte ik zelfs op mijn betere momenten maar half waar de goede man het over had, ik hoorde erbij.

De proef op de som
Net voor ik definitief dreig te verzinken in Wertheriaans gepeins krijg ik een lucide ingeving. Hoe zit het op de keper beschouwd met die zesjescultuur? Verwijst die naar iets in de werkelijkheid? Was het vroeger echt beter? Of is deze term veeleer een metafoor, een soort verzamelterm voor onbestemde gevoelens van docenten?

Dus klop ik aan bij Hans Janssen en Thomas Dessing, respectievelijk hoofd en projectleider van de afdeling Control, Financiën en Informatie. Aanvankelijk denken ze dat die zesjescultuur best wel eens zou kunnen kloppen. Dessing: “Zeker als je bedenkt dat er nog steeds regelingen zijn die het gebruik van een of meer resultaten onder de 6 toestaan in de zak-slaagregeling.” Dan slaan ze aan het rekenen. Ze stoppen alle tentamencijfers die ze de afgelopen 23 jaar hebben verzameld in de machine. Met als resultaat deze grafiek:





Janssen: “Over de hele linie haalt men nu duidelijk minder zesjes dan twintig jaar geleden. Over de afgelopen jaren alles opgeteld ligt het aantal zesjes op 35,9%. Is dat veel? Puur wiskundig bezien niet. Bij een normaalverdeling van tentamenuitslagen zullen er veel zesjes zijn. Dus zo vreemd is het niet. In de grafiek zie je welk percentage zesjes door de vrouwen wordt gescoord en welk percentage door de mannen. Grappig dat de vrouwen twintig jaar geleden nog net zo veel zesjes haalden als de mannen en dat ze het nu duidelijk beter doen.” “Er zijn wel flinke verschillen per faculteit”, signaleert Janssen. “Bij Rechten scoren ze over de gemeten periode 50% zesjes, bij Godgeleerdheid maar 15%. Bij Geneeskunde en Tandheelkunde zitten ze ook onder het gemiddelde (28%), bij Managementwetenschappen er boven (41%).”

Janssen isoleert ook nog even de grote vakken, groter dan 20 ects. “Dan zie je over de afgelopen tien jaar dat daar veel minder zesjes worden gehaald: de vrouwen 10,7%, de mannen 17,7%.” Met andere woorden: naarmate de eindstreep met de wat zwaardere hobbels als stages en scripties nadert, worden de cijfers hoger.

Gymnasion
Nu kan het zijn dat docenten de afgelopen 23 jaar steeds minder streng zijn gaan beoordelen. Dan zou de significante daling der zesjes slechts cosmetische chirurgie zijn, die recht breit wat krom is. En dan zou Prakkens kritiek op het falende onderwijs alsnog kloppen. Uit eigen ervaring weet ik dat er wel eens zesjes worden vergeven die bij nader inzien misschien wel vijfjes hadden mogen zijn. De grafiek toont echter juist aan dat er over de hele linie steeds minder zesjes worden vergeven. En een zeven geven waar twijfel heerst over de kwaliteit van het ingeleverde tentamen is een brug te ver, neem ik aan.

Waar het wel eens om zou kunnen draaien bij al die verzuchtingen over de teloorgang van academische waarden en een schrijnend gebrek aan onversneden honger naar kennis bij studenten is een onbestemd cultuurkritisch onderbuikgevoel. Als docenten zouden we graag willen dat we als hedendaagse Plato’s met onze net iets minder goed dan wijzelf geïnformeerde leerlingen in een open dialectisch debat kunnen treden, om elkaar naar grote hoogten op te stuwen.

De hedendaagse universiteit lijkt echter in niets meer op de ‘academie’ die Plato 24 eeuwen terug oprichtte. Dat was een gymnasion, waar jonge Atheners niet alleen sportten, maar ook debatteerden dat het een aard had. Waar het mij om is te doen, is de teloorgang van die praatacademie, waarin men plenair debatterend de onderste steen boven probeerde te krijgen. Misschien is het wel de schuld van Aristoteles, de weerspannige topstudent van Plato. Die ging om zich heen kijken en systematisch wetenschap bedrijven. Met alle specialisatie van dien. Aristoteles deed niet alleen aan metafysiek en ethiek, maar had ook biologie, psychologie en staatsleer in zijn portefeuille.

Om de 20e eeuwse Franse filosoof Michel Foucault te citeren: “Academici zijn geen zangers der eeuwigheid meer, maar strategen van leven en dood.” Gaandeweg zijn wetenschappers experts geworden. Die heel erg goed zijn in hun hyperspecialisme, waarover ze publiceren in voor slechts intimi begrijpelijke tijdschriften. Dit heeft uiteraard ook zijn weerslag op het universitaire onderwijs. Moleculaire levenswetenschappen en bestuurlijke informatiekunde vergen zeer specialistische kennis.

En toch zou je als docent willen dat studenten een beetje mee proberen te neuriën op de wijs der eeuwigheid. Dat ze schoorvoetend meemummelen met de Conversation of mankind. Dat ze behalve met dieptescherpte ook nog met de groothoeklens naar de wereld kunnen kijken. Maar dat betekent nog niet dat ze dat niet zouden willen of kunnen. Waar het om gaat is dat je studenten eerst mooie verhalen geeft. Liefst verhalen met wat rafels en bramen. Die geven aanleiding tot verder doordenken en na verloop van tijd hopelijk inventieve vragen. Dat mag je vervolgens gerust interactie noemen – al dan niet multimediaal via blackboard ondersteund.

Weemoedigheid
Zoals aangetoond klopt dat van die toename van zesjes feitelijk niet. Dus moet ‘zesjescultuur’ een verzamelmetafoor zijn voor onbestemd onbehagen. Het best verwoordt studente Anoek Oerlemans het in de eerste aflevering van dit vierluik. Zij studeert niet alleen psychologie en literatuurwetenschap, maar is ook in het bezit van haar honoursbul en overweegt de nieuwe minor journalistiek. “Er lopen nu veel ogenschijnlijke pretstudenten rond, van wie ik overtuigd ben dat ze meer uit hun studie zouden kunnen halen dan nu het geval is.”

Prakken verwijst in zijn bijdrage naar McKinsey. Daar werken de mannen uit het echte leven. Daar zie je om 11.00 uur ’s avonds nog licht branden. Wil je als student daar te zijner tijd kunnen overleven, dan zul je aan dat arbeidsethos moeten wennen. Ook Prakken denkt dat er de nodige studenten zijn waar veel meer uit kan worden gehaald.  Als gezel én meester een paar tandjes bijzetten. “Maar die zesjes zullen alleen maar zesjes blijven, als de organisatie zich er met een zesje vanaf maakt.”

Zelf heb ik er geen ervaring mee, maar ik kan me goed voorstellen dat je een deel van de driehonderd studenten die je iets moet vertellen over pakweg opvoedingsfilosofie de nek om zou willen draaien. Mijn advies: mik op de middengroep van dubbeltjes, die niet in het Honours Programma terechtkomen, maar waar met wat creativiteit toch nog kwartjes van zijn te smeden. Dat moet kunnen. Want behalve over schoolgaan, huiswerk maken en tentamentrucs zingen de gezellen ook nog wel eens over de zaken der eeuwigheid. Zo hoorde ik in de doucheruimte van ons eigen Gymnasion onlangs een Marokkaanse student zijn kompanen deelgenoot maken van zijn kennis van de obscure karakters in het werk van Shakespeare. Eén zwaluw, ik geef het grif toe, maar ik word er niet minder blij van.

Mijn collega Christoph Lüthy, lid van de Jonge Akademie van de KNAW en net als ik werkzaam bij het Institute for Science, Innovation & Society, heeft zo zijn eigen aanpak. Hij is als wetenschapshistoricus geïnteresseerd in het ontstaan van de moderne natuurwetenschappen sinds de Renaissance. In zijn onderwijs bij Natuurwetenschappen slaat hij bruggen van filosofische oerthema’s naar hedendaagse kwesties als darwinisme, mind & body en de maakbare mens. Belangstelling te over, met zestig studenten dit semester. Lüthy houdt echter vast aan zijn oorspronkelijke opzet. Hij laat de studenten tussentijds stukken schrijven, die hij telkens becommentarieert. Hij print de via Blackboard ingestuurde schrijfsels goedgemutst uit en neemt ze mee naar huis. Zodat hij ze ’s avonds in bed te lijf kan gaan.

Wij docenten mogen graag klagen over onze zachte voedstermoeder. Zoveel is zeker. Maar vermoorden doen we haar niet. Niet alleen vanwege de wetten en de praktische bezwaren. Elsschots gedicht gaat verder met de volgende twee strofen:
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.”


Met dank  aan Vox .


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK