Plasterk omarmt Europees HO

Nieuws | de redactie
29 februari 2008 | Als columnist vergeleek Ronald Plasterk de onderzoeksprogramma's van de Europese Commissie graag met processies van Echternach, nu zegt hij als minister dat de EC met het Zevende Kaderprogramma eindelijk een 'serieuze vorm van wetenschapsbeoordelling' heeft gevonden. De belangrijkste uitdaging voor het Europese hoger onderwijs is volgens hem verhoging van de mobilliteit. In een uitvoerig interview schetst de minister zijn visie op Europa en het hoger onderwijs en kijkt vooruit naar de conferentie in Leuven 2009 die de basis moet leggen voor een echt gezamenlijk Europees HO.



“We moeten ophouden alleen maar met ontzag en angst te praten over alles wat buiten Europa gebeurt. Als wij in Europa de hindernissen voor mobiliteit kunnen wegnemen, wordt Europa weer aantrekkelijk voor onderzoekers van buiten Europa”.

In het verleden kon u als columnist vreselijk uithalen naar de voorgangers van het Zevende kaderprogramma (KP7). KP7 loopt nu een jaar. Hebt u al een beeld of de vele wijzigingen ten opzichte van eerdere kaderprogramma’s een succes zijn? En is KP7 voor Nederland eigenlijk van groot belang?

“De ontwikkeling van deze onderzoeksprogramma’s kun je vergelijken met de Echternach-processie; drie stappen voorwaarts en dan weer twee naar achteren. En ja, ik ben behoorlijk kritisch geweest op de voorlopers van KP7. Al die procedures en regeltjes die een rol speelden bij het proces van aanvragen en de daaropvolgende beoordeling. Gelukkig heeft ook de Europese Commissie (EC) uiteindelijk een serieuze vorm gevonden van wetenschapsbeoordeling. Deze beoordeling vindt haar basis in een meritocratisch systeem, waarbij het er om gaat Europees geld aan het beste onderzoek te besteden. Bij de beoordeling van aanvragen gaat het tegenwoordig vrijwel uitsluitend om de werkelijke kwaliteit van een voorstel. Een aanvrager mag nu ook uit de anonimiteit treden en niet met cryptische omschrijvingen de bedrijfs- of organisatieactiviteiten weergeven. En of dat goed is voor Nederland? Ik dacht het wel! Je hoeft alleen maar naar de resultaten van de eerste ronde van aanvragen van de Europese onderzoeksraad (ERC) te kijken. Is het niet zo dat Nederland in verhouding tot onze onderzoekspopulatie samen met  Zwitserland met de beste cijfers uit de bus komt? Ook de resultaten van andere KP7-oproepen lijken voor een groot deel te bewijzen dat het met de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek wel goed zit. Wat ik verder heel belangrijk vind, is dat het ‘veld’ tevreden is. Vroeger hadden we als wetenschappers veel kritiek op de Europese programma’s. Als ik nu naar mijn oud-collega’s luister, dan gaan de discussies waarover deze horen te gaan: over de inhoud en niet over de regeltjes en procedures. Ik ben er vast van overtuigd, dat Nederland het erg goed gaat doen in KP7. Het Nederlandse onderzoek is van hoge kwaliteit en dat zal links- of rechtsom op zijn juiste waarde worden gewaardeerd.

Een punt dat ik hier nog wil noemen heeft te maken met de roep dat Nederland zijn onderzoeksbeleid meer zou moeten afstemmen op de prioriteiten die in Brussel worden gezet. Ik ben daar nog niet zo zeker van. Ik denk dat de Nederlandse onderzoeker een goed beeld heeft van wat de wereld om ons heen aan onderzoek nodig heeft; dat geldt zeker binnen de thematische prioriteiten die de EC heeft geformuleerd. Ik erken de noodzaak voor de EU om thematische keuzen te maken, mits de thema’s breed geformuleerd zijn en er binnen een oproep puur op kwaliteit geselecteerd wordt”.

Ongeveer een jaar geleden betoogde uw Vlaamse collega Vandenbroucke in dit Nether-nieuws dat de resultaten van het Bologna-proces indrukwekkend zijn, maar dat wij niet op onze lauweren mogen rusten en juist nu “moeten denken aan nieuwe thema’s, zoals meer diversiteit in instellingen, opleidingen en leerwegen, met daaraan gekoppeld een grotere transparantie”. Bent u daarmee eens en welke uitdagingen ziet u voor het Europese (hoger) onderwijs na 2010? Kan de ministeriële vervolgconferentie in Leuven 2009 hierin een rol spelen?

“Wat ik denk dat er nu eerst moet gebeuren, is dat we samen met alle landen die in ‘Bologna’ meedoen de klus van het BaMa-onderwijs werkelijk afmaken. Ja, de behaalde resultaten zijn indrukwekkend, maar in mijn optiek is er in de praktijk nog te weinig veranderd. Te vaak wordt het BaMa-concept nog niet voldoende serieus genomen en kennen onderwijsinstellingen nog inofficiële tussenvormen, zoals de ‘zachte knip’. Waar het om gaat is dat de student van tegenwoordig nog te weinig bezig is met wat hij of zij gaat doen na het behalen van het Ba-diploma. Het feit dat je ook al met een Ba- diploma de arbeidsmarkt op kan gaan, wat in oorsprong de bedoeling was, is nog onvoldoende in het HO-systeem ingebed.

De grote uitdaging die ik voor het Europese onderwijs in zijn algemeenheid zie – en dat is niet pas na 2010 – is dat we er voor zorgen dat de mobiliteit in Europa wordt vergroot. Met een blik op de Amerikaanse situatie zie je wat we ervoor terug krijgen als we daar in slagen: een enorme verbetering van de kwaliteit. Een toename van de mobiliteit in Europa zal tot gevolg hebben dat kwaliteit zich gaat clusteren. Er ontstaan op die manier kansen voor Europa waar we nu alleen maar van kunnen dromen. We moeten ophouden alleen maar met ontzag en angst te praten over alles wat buiten Europa gebeurt. Als wij in Europa de hindernissen voor mobiliteit kunnen wegnemen, wordt Europa weer aantrekkelijk voor onderzoekers van buiten Europa”.

Toen u net minister was geworden, werd u geconfronteerd met het rapport Thematic Review Tertiary Education: The Netherlands van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). In dit rapport werd kritiek uitgeoefend op vooral het functioneren van uw ministerie. Hoe ziet u nu het rapport van de OESO?

“Over dat rapport kan ik kort zijn. Het is goed dat wij als Nederland op deze wijze gedwongen zijn om eens in de spiegel te kijken. Wij hebben de OESO overigens zelf om deze evaluatie verzocht. In mijn antwoorden die ik aan de Kamer heb gestuurd kun je vinden wat OCW het afgelopen jaar in werking heeft gezet en dat is veel. Het spreekt vanzelf dat je niet alles in zo’n korte tijd kunt oplossen. Ik lig er niet wakker van dat de OESO kritisch over Nederland en mijn ministerie is. Dat is goed en houdt je scherp, maar denk niet dat ik alle veranderingen in gang heb gezet om de OESO blij te maken. Het gaat er om dat wij in Nederland weten waar we mee bezig zijn. Op dit moment moeten we aandacht geven aan de uitkomsten van de Commissie Dijsselbloem en daar concentreer ik mij maar even op”.

Onder uw voorgangster heeft OCW sterk ingezet op een versterking van de relatie met Europa; het bestaan van de Vereniging Neth-ER is daar één van de voorbeelden van. Hebt u de indruk dat dit beleid vruchten afwerpt en zo ja, welke?

“Werkelijk belangrijk is dat wij met alles wat we doen ons realiseren dat het gaat om de versterking van mensen. Of het nou gaat om het onderwijs of het onderzoek, als wij investeren in mensen en zorgen dat ze een leven lang blijven leren en dat ze op zoek gaan naar de beste plek om maximaal hun talenten in te kunnen zetten, pas dan investeren wij werkelijk in de kwaliteit van Europa. Een belangrijk onderdeel van mijn beleid is de verschuiving van de 1ste naar de 2de geldstroom. Dit heeft ook een positief effect op de mobiliteit van onderzoekers: zij kunnen van instituut veranderen onder meeneming van hun beurs. Ze kunnen ook naar het buitenland gaan. Bij internationalisering in Europa draait het voor mij om twee zaken en dat zijn mobiliteit en kwaliteit. Als wij investeren in de mens en zorgen dat de hindernissen voor mobiliteit worden weggenomen, komt dat alleen maar de kwaliteit ten goede”.

Dit interview werd afgenomen door Neth-ER


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK