‘Waak voor nieuw publiek dogma over onderwijs’

Nieuws | de redactie
19 februari 2008 | Lector Frans de Vijlder ziet in ‘Dijsselbloem’ een kans om een nieuwe start te maken. Het kan het onderwijs “bevrijden van de doem op discussies over vernieuwingen. Waar ik beducht voor ben is een discussie die zich al te gemakkelijk laat leiden tot het afkondigen van afrekeningen over het verleden. Ik zou het onderwijs toch wat meer inzichten uit het rapport en uit de inhoud van de de discussie erover willen geven."

Ik was al bezig de discussie over het rapport te organiseren voordat het uitkwam. Het leek me nuttig, want het was wel te verwachten hoe de reacties gingen luiden. Een ieder zou zijn eigen dingen lezen in het stuk. En vervolgens gaat men heel relaxed een welles-nietes debat openen over de juistheid van de eigen standpunten in eerdere discussies en fasen van de vernieuwing van het onderwijs.

Jij vindt dat niet zinnig of spannend, hoor ik in je woorden doorklinken.
Ik zou toch liever nu met enige distantie kijken naar het geheel. Dat kan nu met zo’n rapport in de hand ook veel beter. Laten we de vraag nu vooropstellen naar wat dit ons nu oplevert.

In je uitnodiging voor de discussie met Dijsselbloem en experts op 12 maart zet je de vraag voorop naar ‘welke waarheid’ de commissie nu wilde vinden. Dat duidt op meerdere perspectieven die je in discussie wilt brengen. 
Ja, want die zijn ook goed denkbaar hier. De Kamer kan kijken vanuit de vraagstelling of wat bewindslieden hier deden destijds rationeel en begrijpelijk was gegeven de situatie en de context waarin zij toen beleid moesten voeren.

Maar je kunt ook kijken vanuit de kennis van het heden en de vraag vooropstellen ‘hebben die bewindslieden destijds goed beargumenteerde beslissingen genomen of waren de motieven en onderbouwingen niet adequaat?’ Waar ik beducht voor ben is een discussie die zich al te gemakkelijk laat leiden tot het afkondigen van afrekeningen over het verleden.

Je stelt ook de vraag voor die bijeenkomst naar wat de commissie zelf wilde. Waarom?
Omdat dat de wijze waarop je hun rapport moet ‘lezen’ sterk bepaalt. Vandaar mijn vraag naar de rol die de commissie wilde spelen: welke waarheidsvinding had zij op het oog? Wilde ze feiten verzamelen en laten wegen? Wilde ze een beleidsanalyse maken voor het toekomstige onderwijsbeleid?

Op basis van het antwoord daarop kun je het beste de discussie voeren. En kun je kijken wat die vervolgens oplevert voor bijvoorbeeld die toekomstige beleidsontwikkeling. Een rapport als dit kan zeker een functie vervullen, bijvoorbeeld als een soort verwerking van het verleden rond een thema.

Van Gunsteren sprak in een rede al eens over de veerkracht van de democratie die uit zulke processen blijkt. Het kan louterend werken als je met elkaar zo’n operatie uitvoert, kijkt naar wat er gebeurd is en zo’n document, zo’n rapport samen opstelt. De discussie hierover kan zo’n loutering ook helpen, bijvoorbeeld doordat dit de vele vaak onderhuidse gevoelens en gesprekken in het onderwijs over de veranderingen in het verleden laat verwerken en ze een plaats geeft in het bredere debat hierover.

Het rapport is er dus vooral ook voor de discussie die het kan laten voeren en louteren?
Het biedt zeker perspectief om daardoor op een frissere manier, met een nieuw elan om te leren gaan met vragen naar vernieuwingen in het onderwijs. De commissie heeft in dat opzicht een beetje de rol van een ‘waarheidscommissie’.

Dijsselbloem zou de Tutu van ons onderwijs moeten willen zijn?
Nou ja, dat zei ik nu ook weer niet. Je maakt er nu wel iets ergs moois van. Maar ietsje van die sfeer, dat kan de commissie wel gebruiken, hoop ik.

Je ziet perspectief met dit rapport, zijn er ook aarzelingen, lacunes?
Er ligt altijd wel een gevaar op de loer in dit type discussie. Ferdinand Mertens wees er in een artikel al op dat we niet meteen weer de ‘wat’-vraag en de ‘hoe’-vraag bij het onderwijsbeleid door elkaar moeten gaan gooien. Wat er nu niet moet ontstaan is een ‘publiek dogma’ over wat onderwijsvernieuwing wel is en niet is. Dat hebben we eerder juist gehad en dat was een reden voor de problemen die we nu analyseren.

Het is beter als we met dit onderzoek gaan bijdragen aan een permanente dialoog in het onderwijs over de beide vragen: ‘wat’ is nodig en ‘hoe’. Lukt dat niet en gaat zo’n dogma domineren, dan lopen we al snel weer vast. Dan zullen we binnen 10 jaar in een vergelijkbare impasse zijn beland.

Zie je nog lacunes, miste je nog iets in rapport en discussie tot nu toe?
Je merkt aan het rapport dat dit een parlementaire commissie is die wil boodschappen ventileren die van belang zijn voor de politieke verantwoordelijkheden en de politiek verantwoordelijke mensen.

Bij een aantal daarvan denk ik toch dat het beter zou die boodschap vooral ook aan de scholen, aan het onderwijs zelf te geven. Die moeten deze verantwoordelijkheid oppakken en wellicht juist minder de beleidsmakers.

Een voorbeeld is de vraag naar de goede manieren om concreet gestalte te doen geven aan de vernieuwing, die van belang gevonden wordt. Dat is niet primair iets dat politieke beleidsmakers tot hun verantwoordelijkheid moeten tellen. Ik had gehoopt dat de commissie daarom iets zou hebben opgenomen over de noodzaak om dan te investeren in het eigen vernieuwende vermogen van scholen zelf.

In dat verband leven – en leefden – er ook veel hardnekkige misverstanden. Zo is vaak beweerd dat de MAVO werd ‘afgeschaft door de politiek,’ terwijl dat nooit het geval is geweest.
Precies. Dat voorbeeld heb ik heel onlangs in een discussie hierover gememoreerd. Veel van de verplichte, opgelegde vernieuwingen in het onderwijs bestonden vooral in de uitvoeringsaanpak en de hoofden en stonden nergens in de beleidsvoornemens als wettelijke plicht opgenomen. Ook dat zijn elementen waar we in zo’n discussie als deze over ‘Dijsselbloem’ van moeten zien te leren.