Bredere opzet ‘Lissabon’ verdient meer aandacht

Nieuws | de redactie
28 maart 2008 | De Nederlander Alexander Italianer is sinds 2006 plaatsvervangend secretaris-generaal van de Europese Commissie (EC). Gezien die functie bij Barroso is Italianer als geen ander in staat om te analyseren hoe het echt gaat met de Lissabon strategie en wat ermee gaat gebeuren na 2010. "Nederland heeft een lange tijd aansluiting gehad met de landen die, met betrekking tot de indicatoren die Kok in zijn mid-term rapport hanteerde voorop liepen. Hierbij moet vooral gedacht worden aan indicatoren op het gebied van werkeloosheid, onderwijs, onderzoek en CO2-uitstoot. Tegenwoordig zien we voor Nederland naast een aantal gebieden waarop nog steeds vooruitgang wordt geboekt een terugval op sommige terreinen." 

De Lissabon strategie kent in totaal drie cycli waarvan één na de review van de High-level group onder leiding van de voormalige minister-president van Nederland, Wim Kok. Wat is uw conclusie met betrekking tot de drie hoofddoelen van de strategie?

De Lissabon strategie is in de afgelopen cycli steeds meer uitgegroeid tot een proces dat op velerlei beleidsterreinen invloed heeft gekregen. Langzaam maar zeker zijn alle doelstellingen in de strategische programma’s en op veel beleidsterreinen belangrijke rollen gaan spelen. Toch vind ik dat de Strategie in de eerste jaren ondanks de ambitieuze doelstellingen te weinig voet aan de grond heeft gekregen in de lidstaten. Bij het aantreden van Barroso en zijn team van commissarissen (in 2005) lag er het rapport van Wim Kok. De nieuwe voorzitter van de EC heeft toen in mijn ogen een belangrijke en gedurfde stap gezet: Door de lidstaten collectief ter verantwoording te roepen en elk meer eigen verantwoordelijkheid te geven voor hun eigen ambitieniveau, heeft hij de Lissabon strategie weer nieuw elan gegeven. De doelstelling met betrekking tot het concurrentievermogen (de meer economische doelstelling) heeft de afgelopen jaren de meeste aandacht gekregen en daar zijn ook de meeste successen op behaald. Helaas krijgen de andere doelstellingen nog niet de aandacht die zij verdienen. Op het terrein van sociale samenhang en duurzaamheid zijn al wel initiatieven ontplooid, maar zijn nog te weinig zichtbare resultaten behaald.

Is Nederland één van de koplopers of doen we het niet zo goed?

Nederland heeft een lange tijd aansluiting gehad met de landen die, met betrekking tot de indicatoren die Kok in zijn mid-term rapport hanteerde voorop liepen. Hierbij moet vooral gedacht worden aan indicatoren op het gebied van werkeloosheid, onderwijs, onderzoek en CO2-uitstoot. Tegenwoordig zien we voor Nederland naast een aantal gebieden waarop nog steeds vooruitgang wordt geboekt een terugval op sommige terreinen.

Verwacht u in de laatste cyclus met betrekking tot de hoofddoelen en de beleidsontwikkeling grote verschuivingen?

Ik verwacht dat er in de laatste cyclus van de Lissabon strategie veel aandacht zal worden besteed aan sociale cohesie en duurzaamheid. De nadruk zal komen te liggen op de implementatie van al bestaande programma’s en financiële instrumenten. In 2008 zal er bijvoorbeeld veel werk verzet worden op het gebied van duurzame energie, zoals de implementatie van het Strategic EnergyTechnology Plan (SET-plan).

De EC heeft al bij de aanvang in 2000 aangegeven de kennisdriehoek (onderzoek-onderwijs-innovatie) in te willen zetten om de doelstellingen van de Lissabon strategie te behalen. Heeft de strategie veel additionele kansen opgeleverd voor de onderzoek- en onderwijssector? En zo ja, wat zijn in uw ogen de voornaamste?

Na de start van de Lissabon strategie in 2000 is steeds meer geld beschikbaar gekomen voor onderzoek, onderwijs en innovatie. Niet alleen via het Zevende kaderprogramma (KP7), maar ook middels andere Europese fondsen. De Structuurfondsen van het Directoraat-generaal Regionaal beleid (REGIO) zijn daarvan een goed voorbeeld. Ook het Directoraat-generaal Informatiemaatschappij en Media (INFSO) en het Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling (AGRI) bieden via hun financiële instrumenten veel kansen voor onderzoek en onderwijs. Dit zijn allemaal ontwikkelingen die zonder de Lissabon strategie niet of veel trager op gang zouden zijn gekomen. Recentelijk is daar het Europees Instituut voor Technologie (EIT) bijgekomen.

Veel van de (ambitieuze) doelstellingen van de strategie die gesteld zijn op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs, onderzoek en het milieu zullen in 2010 niet gehaald zijn. Wat gaat er gebeuren met die ambitie na 2010 of, anders gezegd, wat voor vervolgacties op de Lissabon strategie verwacht u?

Eigenlijk kwam men er tijdens de mid-term review van Kok al achter dat de doelstellingen die de EU zichzelf had gesteld ambitieus en moeilijk haalbaar waren. De conclusie in 2005 luidde dat onafhankelijk van het al dan niet behalen van de doelstellingen in 2010, de doelstellingen zelf nog steeds van groot belang voor de strategie zijn. Niet het wel of niet halen van de doelstellingen moet de focus krijgen; het feitelijk hebben en nastreven van de ambitie, nu vertaald naar nationaal niveau, was en is van groter belang. Na 2010 zal er doorgewerkt moeten worden aan de doelstellingen van de Lissabon strategie. Daarom is de strategie zeker niet dood en staat in de lijn van de ambities en doelstellingen die de Unie heeft. In welke vorm dat zal zijn en welke accenten dan worden gezet is op dit moment (nog) niet duidelijk.

Een (wat Neth-ER betreft) belangrijke doelstelling van de strategie die niet gehaald zal worden is de door de Open methode van Coördinatie (OMC) aangestuurde 3% van het Bruto Nationaal Product voor onderzoek en ontwikkeling. Bent u het met deze constatering eens en welke rol ziet u voor de OMC in de laatste cyclus van de strategie weggelegd?

Dit is een typisch voorbeeld van een doelstelling die relevant is of zij nu wel of niet gehaald wordt! De lidstaten hebben zich in ieder geval zelf op eigen doelstellingen vastgelegd, dat is al winst. Nu moeten we nog een stapje verder en de sprong naar 3% maken, het liefst zo snel mogelijk.

[Dit vraaggesprek is afkomstig uit de Neth-ER Nieuwsbrief, nr 18, van maart 2008]